Oefenvragen
1. Welk model dat ontstond uit ontevredenheid over de DSM-5,
beschrijft psychologische (dis)functies in termen van
transdiagnostische processen, geanalyseerd op niveaus
variërend van genen tot zelfrapportage?
A. Het biopsychosociale model
B. Het research domain criteria (RDoc) framework
C. Het ICD-systeem (International Classification of Diseases)
D. Het HiTOP-model (Hierarchical Taxonomy of Psychopathology)
2. Tijdens een teamvergadering baseert een diagnosticus zijn
oordeel over een nieuwe cliënt sterk op een casus van vorige
week die veel overeenkomsten vertoonde. Hij negeert
hierdoor subtiele maar belangrijke verschillen. Welke
heuristiek past hij waarschijnlijk toe?
A. Affectheuristiek
B. Representativiteitsheuristiek
C. Beschikbaarheidsheuristiek
D. Ankerheuristiek
3. Wat is een significant nadeel van semi-gestructureerde
interviews in het diagnostisch proces, ondanks hun hoge
betrouwbaarheid?
A. Ze zijn zeer gevoelig voor de confirmation bias van de interviewer
B. Ze kunnen de opbouw van een therapeutische relatie belemmeren
C. Ze zijn minder valide dan ongestructureerde interviews
D. Ze kunnen niet worden gebruikt om de context van de client in kaart
te brengen
4. Een cliënt wordt onderzocht met de Nederlandse Leestest
voor Volwassenen (NLV). Wat is het primaire doel van de
inzet van dit specifieke instrument?
A. Het bepalen van de verwerkingssnelheid van verbale informatie
B. Het vaststellen v an de aanwezigheid van dyslexie
C. Het schatten van het premorbide intellectueel functioneren
D. Het meten van de vloeiende intelligentie (Gf)
5. Binnen de Pro Justitia-rapportage is het advies over de
toerekeningsvatbaarheid cruciaal. Welke factor weegt het
zwaarst bij het bepalen van de mate van (verminderde)
toerekeningsvatbaarheid?
A. De justitiële voorgeschiedenis van de verdachte
B. De motivatie van de verdachte voor een eventuele behandeling
C. De ernst van de vastgestelde psychische stoornis
, D. De mate waarin de stoornis de gedragskeuze ten tijde van het delict
beinvloedde
6. Welk afweermechanisme, vaak gezien als primitief, wordt
gekenmerkt door het onbewust toekennen van overdreven
positieve kwalificaties aan zichzelf of anderen, vaak
afgewisseld met devaluatie?
A. Idealiseren
B. Ageren
C. Internaliseren
D. Externaliseren
7. In het diagnostisch proces wordt de 'empirische cyclus'
gehanteerd. In welke fase wordt een voorlopige theorie over
de problematiek van de cliënt opgesteld, ook wel het
'diagnostisch scenario' genoemd?
A. Observatie
B. Deductie
C. Evaluatie
D. Inductie
8. Een clinicus ervaart dat hij cliënten die op hem lijken en
gedrag vertonen dat hij herkent, sneller als 'normaal'
beschouwt. Hoe wordt deze specifieke beoordelingsfout
genoemd?
A. Me-too fallacy
B. Sick-sick fallacy
C. Hindsight bias
D. Fundamentele attributiefout
9. Wat is het primaire verschil tussen een 'classificatie' en een
'diagnose' (beschrijvende diagnose) in de klinische
psychodiagnostiek?
A. Een classificatie is nodig voor de verzekering, een diagnose is voor
het behandelplan
B. Een classificatie wordt door een psychiater gesteld en een diagnose
door een psycholoog
C. Een classificatie is gebaseerd op de ICD-11 en een diagnose op de
DSM-5
D. Een classificatie is het toewijzen van een label, terwijl een diagnose
het verhaal achter de symptomen beschrijft
10. Binnen het onderzoek naar psychopathie wordt vaak de
PCL-R gebruikt. Welke twee hoofdfactoren meet dit
instrument?
1. Welk model dat ontstond uit ontevredenheid over de DSM-5,
beschrijft psychologische (dis)functies in termen van
transdiagnostische processen, geanalyseerd op niveaus
variërend van genen tot zelfrapportage?
A. Het biopsychosociale model
B. Het research domain criteria (RDoc) framework
C. Het ICD-systeem (International Classification of Diseases)
D. Het HiTOP-model (Hierarchical Taxonomy of Psychopathology)
2. Tijdens een teamvergadering baseert een diagnosticus zijn
oordeel over een nieuwe cliënt sterk op een casus van vorige
week die veel overeenkomsten vertoonde. Hij negeert
hierdoor subtiele maar belangrijke verschillen. Welke
heuristiek past hij waarschijnlijk toe?
A. Affectheuristiek
B. Representativiteitsheuristiek
C. Beschikbaarheidsheuristiek
D. Ankerheuristiek
3. Wat is een significant nadeel van semi-gestructureerde
interviews in het diagnostisch proces, ondanks hun hoge
betrouwbaarheid?
A. Ze zijn zeer gevoelig voor de confirmation bias van de interviewer
B. Ze kunnen de opbouw van een therapeutische relatie belemmeren
C. Ze zijn minder valide dan ongestructureerde interviews
D. Ze kunnen niet worden gebruikt om de context van de client in kaart
te brengen
4. Een cliënt wordt onderzocht met de Nederlandse Leestest
voor Volwassenen (NLV). Wat is het primaire doel van de
inzet van dit specifieke instrument?
A. Het bepalen van de verwerkingssnelheid van verbale informatie
B. Het vaststellen v an de aanwezigheid van dyslexie
C. Het schatten van het premorbide intellectueel functioneren
D. Het meten van de vloeiende intelligentie (Gf)
5. Binnen de Pro Justitia-rapportage is het advies over de
toerekeningsvatbaarheid cruciaal. Welke factor weegt het
zwaarst bij het bepalen van de mate van (verminderde)
toerekeningsvatbaarheid?
A. De justitiële voorgeschiedenis van de verdachte
B. De motivatie van de verdachte voor een eventuele behandeling
C. De ernst van de vastgestelde psychische stoornis
, D. De mate waarin de stoornis de gedragskeuze ten tijde van het delict
beinvloedde
6. Welk afweermechanisme, vaak gezien als primitief, wordt
gekenmerkt door het onbewust toekennen van overdreven
positieve kwalificaties aan zichzelf of anderen, vaak
afgewisseld met devaluatie?
A. Idealiseren
B. Ageren
C. Internaliseren
D. Externaliseren
7. In het diagnostisch proces wordt de 'empirische cyclus'
gehanteerd. In welke fase wordt een voorlopige theorie over
de problematiek van de cliënt opgesteld, ook wel het
'diagnostisch scenario' genoemd?
A. Observatie
B. Deductie
C. Evaluatie
D. Inductie
8. Een clinicus ervaart dat hij cliënten die op hem lijken en
gedrag vertonen dat hij herkent, sneller als 'normaal'
beschouwt. Hoe wordt deze specifieke beoordelingsfout
genoemd?
A. Me-too fallacy
B. Sick-sick fallacy
C. Hindsight bias
D. Fundamentele attributiefout
9. Wat is het primaire verschil tussen een 'classificatie' en een
'diagnose' (beschrijvende diagnose) in de klinische
psychodiagnostiek?
A. Een classificatie is nodig voor de verzekering, een diagnose is voor
het behandelplan
B. Een classificatie wordt door een psychiater gesteld en een diagnose
door een psycholoog
C. Een classificatie is gebaseerd op de ICD-11 en een diagnose op de
DSM-5
D. Een classificatie is het toewijzen van een label, terwijl een diagnose
het verhaal achter de symptomen beschrijft
10. Binnen het onderzoek naar psychopathie wordt vaak de
PCL-R gebruikt. Welke twee hoofdfactoren meet dit
instrument?