Opdrachten ter voorbereiding op de werkgroep
Deze opdrachten zijn ter ondersteuning van de bestudering van de studiestof. Dat betekent dat
de antwoorden niet zullen worden besproken tijdens de werkgroep. Vanzelfsprekend kunt u
tijdens de werkgroepen wel vragen stellen over de te bestuderen stof (en de opdrachten ter
voorbereiding).
Opdracht 1
Bestudeer de voorgeschreven tekst van Groenhuijsen en Knigge (onderzoeksproject
Strafvordering 2001) en beantwoord de volgende vragen.
1. Markeer voor uzelf in de tekst de passages waarin de rechtswaarden worden besproken
die ten grondslag liggen aan het legaliteitsbeginsel. Noteer daarbij wat de betekenis van
de achterliggende beginselen (die bedoelde rechtswaarden vertegenwoordigen) is voor
de taak van de wetgever.
• Het rechtszekerheidsbeginsel
Voor de wetgever betekent dit dat het straf(proces)recht sterk aan de wet in formele zin
gebonden moet zijn. De wetgever moet zo nauwkeurig mogelijke delictsomschrijvingen
opstellen in het materiële strafrecht, zodat de burger de rechtsgevolgen van zijn handelen
kan voorspellen. In het strafprocesrecht is het de taak van de wetgever om strikt
vastgelegde regels te creëren voor ingrijpende overheidsactiviteiten, zoals het afluisteren
van telecommunicatie, om de privacy van burgers te beschermen tegen willekeur. De
wetgever moet de burger de zekerheid bieden dat de overheid niet naar eigen goeddunken
in zijn rechten en vrijheden mag ingrijpen. De bescherming van de burger tegen de overheid
is daarbij van cruciaal belang.
• Het beginsel van rechtseenheid
Dit beginsel draagt bij aan rechtszekerheid door het recht toegankelijker en kenbaarder te
maken via één nationale, voor het hele land geldende codificatie. Het heeft ook een
machtspolitiek aspect, waarbij de macht van lagere wetgevers en rechters wordt ingeperkt
om versnippering van het recht te voorkomen en een sterke gebondenheid van de rechter
aan de centrale wetgeving te waarborgen. Actueel is dit beginsel van belang in het kader
van Europese eenwording en het scheppen van één Europese rechtsruimte, waarbij de
wetgever rekening moet houden met de inperking van nationale bevoegdheden.
• Het democratiebeginsel
Dit beginsel onderstreept de noodzaak van democratische legitimatie van het strafrecht.
De wetgever, als democratisch gecontroleerd orgaan, is het meest geschikte orgaan om
strafwetgeving tot stand te brengen. Echter, dit beginsel is geen absolute garantie tegen
disproportioneel strafrecht, omdat de ‘roep van het volk’ om effectiever optreden kan
leiden tot zeer strenge straffen of disproportionele onderzoeksbevoegdheden. Dit
impliceert dat de wetgever, bij het maken van strafwetgeving, een afweging moet maken
van op zich legitieme, maar botsende belangen.
, • (Het effectiviteitsargument)
Dit argument houdt in dat de wetgever, in vergelijking met rechtersrecht, belangen dikwijls
beter (effectiever) kan dienen. De wetgever kan in één keer een allesomvattende regeling
treffen, snel inspelen op dynamische maatschappelijke veranderingen en voorzieningen
van organisatorische of budgettaire aard doorvoeren die de rechter niet kan.
2. Vat op basis van de tekst samen wat wordt bedoeld met relatieve rechtswaarden. Leg
daarbij aan de hand van een voorbeeld uit wat dat betekent voor de wijze waarop
invulling wordt gegeven aan het strafvorderlijk legaliteitsbeginsel.
Met relatieve rechtswaarden wordt bedoeld dat de betekenis en de invulling van de
beginselen die ten grondslag liggen aan het legaliteitsbeginsel (rechtszekerheid,
rechtseenheid, democratie, effectiviteit) niet absoluut zijn, maar afhankelijk zijn van de
context en de afweging van verschillende belangen. De benadering van het
onderzoeksproject opent de mogelijkheid om het legaliteitsbeginsel te relativeren, wat
inhoudt dat niet het gehele strafrecht per se in de wet vastgelegd hoeft te worden.
Voor de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het strafvorderlijk legaliteitsbeginsel
betekent dit dat de nadruk verschuift. Waar in het materiële strafrecht de rechtszekerheid
sterk gericht is op de voorspelbaarheid van de consequenties van het eigen handelen van
de burger (art. 7 EVRM), staat in het strafprocesrecht de rechtsbescherming tegen
willekeurig overheidsoptreden centraal. Het gaat er niet primair om dat de burger precies
weet welk overheidsoptreden wanneer plaatsvindt, maar dat het overheidsoptreden zelf
aan strikte regels is gebonden om willekeur en misbruik te voorkomen.
Voorbeeld: de regeling van telefoontap. Bij een telefoontap kan en hoeft de burger niet
precies te voorspellen wanneer zijn telefoon zal worden afgeluisterd, mede vanwege het
doel van deze methode. De betekenis van het legaliteitsbeginsel hier is niet dat het
optreden van de overheid voorspelbaar is, maar dat de bescherming van de privacy van de
burger vereist dat dergelijke ingrijpende en moeilijk controleerbare activiteiten aan strike
en gedetailleerde regels worden gebonden om willekeur tegen te gaan. Het EHRM eist voor
dergelijke bevoegdheden ‘particularly precise’ en ‘clear, detailed rules’, waarin
bijvoorbeeld wordt gespecificeerd welke personen, strafbare feiten en duur het betreft, en
procedurele regels voor verslaglegging en vernietiging van opnames. Dit toont aan dat de
rechtszekerheid in het strafprocesrecht zich vertaalt in waarborgen tegen willekeur, eerder
dan in voorspelbaarheid voor de burger. De relatieve rechtswaarde van ‘voorspelbaarheid’
wordt hier ondergeschikt gemaakt aan de ‘rechtsbescherming tegen willekeur’, wat zich uit
in gedetailleerde regels voor de overheid, niet voor de burger.
→ Privacy
3. Behalve door codificatie kunnen deze rechtswaarden ook op andere wijzen worden
beschermd. Waarom gaat het? Wat zijn redenen om niet alles in de wet te willen regelen?
Hoe kan daarin het juiste evenwicht worden gevonden?
Behalve door codificatie (wettelijke regeling in formele zin) kunnen de rechtswaarden die
ten grondslag liggen aan het legaliteitsbeginsel ook op andere manieren worden
beschermd. Dit betreft:
, o Jurisprudentie
o Lagere wetgeving en beleidsregels
o Juridische infrastructuur en rechtscultuur
o Processuele waarborgen en gedingstructuur
o Machtsevenwicht
Er zijn verschillende redenen om niet alles in de wet te willen regelen:
• Legisme is achterhaald
• Beoordelingsvrijheid voor procesactoren
• Dynamische samenleving
• Grenzen van de wetgever
• Democratische legitimatie en controle
Het juiste evenwicht kan daarin worden gevonden door:
o Wettelijke voorstructurering van de belangenafweging
o Contextafhankelijke precisie
o Scheppen van waarborgen tegen willekeur
o Versterking van de contradictoire gedingstructuur
o Erkenning van aanvullend en corrigerend rechtersrecht
4. Welke belangen die bescherming in het strafprocesrecht behoeven en betrokken moeten
worden in de door de wetgever te maken afweging worden in de tekst genoemd?
De tekst noemt een breed scala aan belangen die bescherming behoeven in het
strafprocesrecht en die door de wetgever in overweging moeten worden genomen bij het
opstellen van wetgeving:
1. Rechtszekerheid en rechtsbescherming van de burger
→ Bescherming tegen willekeurig overheidsoptreden, voorkoming van de
bestraffing van onschuldigen, etc.
2. Belangen van slachtoffers en getuigen
3. Algemene publieke belangen/belangen van de rechtsstaat
→ Rechtseenheid, democratische legitimatie, etc.
De wetgever moet deze veelheid aan belangen afwegen bij de totstandkoming van
strafwetgeving, aangezien ze vaak botsen.
5. Licht toe waarom die belangen een rol spelen bij de wijze waarop invulling wordt gegeven
aan de ‘codificatieopdracht’ die volgt uit het strafvorderlijk legaliteitsbeginsel.
De verschillende belangen spelen een fundamentele en bepalende rol bij de invulling van
de ‘codificatieopdracht’ die voortvloeit uit het strafvorderlijk legaliteitsbeginsel, omdat dit
beginsel in het strafprocesrecht primair gedomineerd wordt door de
rechtsbeschermingsgedachte. De ‘codificatieopdracht’ van de wetgever is niet primair het
creëren van een uitputtend handboek van gedragsregels, maar eerder het scheppen van
een betrouwbaar kompas voor de wetstoepasser en de rechtszoekende, dat een
evenwichtige afweging van alle in het geding zijnde belangen weerspiegelt.
, Dit komt tot uiting op de volgende manieren:
1. De bescherming van de burger tegen de overheid (met name de verdachte)
o De kerntaak van het strafvorderlijk legaliteitsbeginsel is het voorkomen van
willekeurige inbreuken op de rechten en vrijheden van burgers door de overheid. Dit
betekent dat de wetgever, bij de codificatie, een hoge mate van precisie moet
nastreven bij het regelen van ingrijpende bevoegdheden, zoals
opsporingsmethoden die grondrechten aantasten (bijvoorbeeld telefoontap). De
wet moet concrete, gedetailleerde regels en waarborgen bevatten om willekeur en
misbruik te minimaliseren, zoals vereist door het EVRHM.
o Het verdedigingsbelang en het recht op een eerlijk proces van de verdachte dicteren
dat de wetgever moet voorzien in een systeem van effectieve processuele
waarborgen. De wetgever moet de autonomie en vrije partijpositie van de verdachte
respecteren door de mogelijkheid te bieden een eigen proceshouding te kiezen. De
wet moet expliciet de grenzen aangeven waarbinnen verdedigingsrechten kunnen
worden beperkt.
2. De belangen van slachtoffers en getuigen
o De erkenning van de belangen van slachtoffers en getuigen als legitieme doelen van
het strafprocesrecht betekent dat de wetgever niet alleen de verdachte, maar ook
deze groepen moet beschermen. De codificatieopdracht omvat hier het scheppen
van een aparte afdeling in het wetboek met basisrechten voor slachtoffers en
getuigen.
o Het beginsel van het voorkomen van onnodige schade (schadebeginsel) impliceert
dat de wetgever moet afwegen hoe dwangmiddelen kunnen worden ingezet, waarbij
ook het belang van slachtoffers een rol speelt. Cruciaal is echter dat de elementaire
verdedigingsrechten van de verdachte altijd voorrang hebben boven de aanspraken
van slachtoffers en getuigen. De wetgever moet deze hiërarchie duidelijk
vastleggen.
3. Algemene publieke belangen en belangen van de rechtsstaat
o Rechtseenheid, democratische legitimatie en effectiviteit vragen om een
systematische, coherente en inzichtelijke regeling van de gehele strafvordering in
de wet. De wetgever moet een duidelijke ‘’organisatie’’ van de strafvordering
vastleggen, inclusief taakverdeling en bevoegdheden van alle actoren (politie, OM,
rechter).
o Het belang van waarheidsvinding, bewijsvoering en de integriteit van het
opsporingsapparaat vraagt om wettelijke normering van opsporingsmethoden en de
vereiste transparantie en verantwoording van het politieoptreden.
o De wetgever moet rekening houden met de maatschappelijke en juridische context
en de heersende procescultuur.
o De noodzaak tot machtsevenwicht tussen de wetgever en de rechter betekent dat
de codificatie de rechter voldoende ruimte moet laten voor rechtsvorming en
toetsing, vooral waar het gaat om mensenrechtenrechtenverdragen, maar dat de