Responsiecollege en wekelijkse opdrachten verzekeringsrecht 2024/25
Tentamen: je krijgt 8 casus vragen op het tentamen
Opgave 1
Op een ochtend wordt Max, een 48 jarige strafpleiter uit Amsterdam, wakker in het ziekenhuis,
waar hij twee dagen ervoor na het ondervinden van een duidelijke hartaanval met spoed naar
toe is gebracht. De gevolgen van de hartaanval zijn nog niet goed te overzien, maar de eerste
prognose is niet best. Max heeft uitvalverschijnselen aan één kant van zijn lijf en het is maar
de vraag of en zo ja, op welke termijn hij weer volledig aan het werk zal kunnen. Gelukkig heeft
hij vier jaar geleden, net voordat hij partner werd bij een van de gerenommeerde kantoren, een
prima arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten. Op basis van deze verzekering, zo weet
hij, ontvangt hij bij blijvende arbeidsongeschiktheid maandelijks een bedrag aan verzekerde
jaarrente dat overeenstemt met ongeveer 90% van zijn huidige salaris. Dat geeft hem een
gerust gevoel.
Na een periode van schriftelijke informatieverstrekking omtrent het ziekteverloop, dient Max
zich te melden bij de medisch adviseur van de verzekeraar. Daar vertelt hij dat hij zich in de
periode voorafgaand aan de hartaanval zeer goed voelde, zij het dat hij veel last had van zijn
heupgewricht, dat hij tijdens een skivakantie vóór het sluiten van de verzekering eens
gebroken heeft. De medisch adviseur geeft Max te kennen dat hij van die gebroken heup niets
afwist, omdat de vraag “Heeft u in het verleden wel eens botbreuken opgelopen en zo ja,
wanneer en op welke plaats(en)” door Max werd opengelaten. Gelukkig, zo zegt Max tegen
de adviseur, staat de ooit gebroken heup hier natuurlijk volledig buiten.
Binnen een paar dagen na zijn bezoek aan de medisch adviseur ontvangt Max een brief van
de verzekeraar, waarin deze aankondigt niet tot dekking over te zullen gaan en waarin hij –
daarenboven – de verzekering aan hem opzegt. De verzekeraar stelt dat hij de
verzekeringsovereenkomst bij kennis van de ware stand van zaken niet zou hebben gesloten.
De vrouw van Max, die de brief heeft opengemaakt, wil haar man hiermee niet belasten en
weet dat u toevallig net het mastervak Verzekeringsrecht aan Tilburg University heeft gevolgd
en voor het tentamen bent geslaagd. Zij vraagt zich af “of de verzekeraar dit zomaar kan doen”.
Vragen:
a. Wat is hierop uw antwoord?
Art. 7:928 BW hoofdregel mededelingsplicht. In beginsel spontane mededelingsplicht, alles
mededelen wat relevant kan zijn voor de verzekeraar, maar als er een vragenlijst dan geldt dat
niet meer. Dan kijk je naar kenbaarheidsvereiste en relevantievereiste. De verzekering nemen
dat dit relevant relevante feiten omstandigheden zijn voor de verzekeraar maar ja als een vraag
open wordt gelaten dan zit je met de verschoonbaarheid vereiste dat inderdaad staat in lid 6
HR- baris riezenkamp en HR- huls/Nlp, dan moet je als verzekeraar erachteraan gaan. Je
moet dat controleren en als je dat belangrijke informatie vindt dan moet je dat proberen te
achterhalen en als je het open laat dan zal het voor jou niet zo belangrijk zijn geweest. Dus
hier is uiteindelijk geen sprake van een schending van de mededelingsplicht in de zin van
7:928 BW omdat het verschoonbaarheid vereiste meebrengt dat het niet beantwoorden van
die vraag niet kan worden tegengeworpen.
Dus het causaal verband waar in deze casus zat dat speelt uiteindelijk geen rol en was het
wel een schending van de mededelingsplicht geweest. Maar als die het verkeerd had ingevuld
dan het anders gelegen dan was er wel een schending van de mededelingsplicht geweest.
Conclusie: geen schending van de mededelingsplicht omdat het verschoonbaarheid vereiste
niet is ingevuld op grond van7:928 lid 6 BW dus geen schending van de mededelingsplicht op
grond van HR-Baris reizenkamp en HR- Huls/ Nlp.
1
Tentamen: je krijgt 8 casus vragen op het tentamen
Opgave 1
Op een ochtend wordt Max, een 48 jarige strafpleiter uit Amsterdam, wakker in het ziekenhuis,
waar hij twee dagen ervoor na het ondervinden van een duidelijke hartaanval met spoed naar
toe is gebracht. De gevolgen van de hartaanval zijn nog niet goed te overzien, maar de eerste
prognose is niet best. Max heeft uitvalverschijnselen aan één kant van zijn lijf en het is maar
de vraag of en zo ja, op welke termijn hij weer volledig aan het werk zal kunnen. Gelukkig heeft
hij vier jaar geleden, net voordat hij partner werd bij een van de gerenommeerde kantoren, een
prima arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten. Op basis van deze verzekering, zo weet
hij, ontvangt hij bij blijvende arbeidsongeschiktheid maandelijks een bedrag aan verzekerde
jaarrente dat overeenstemt met ongeveer 90% van zijn huidige salaris. Dat geeft hem een
gerust gevoel.
Na een periode van schriftelijke informatieverstrekking omtrent het ziekteverloop, dient Max
zich te melden bij de medisch adviseur van de verzekeraar. Daar vertelt hij dat hij zich in de
periode voorafgaand aan de hartaanval zeer goed voelde, zij het dat hij veel last had van zijn
heupgewricht, dat hij tijdens een skivakantie vóór het sluiten van de verzekering eens
gebroken heeft. De medisch adviseur geeft Max te kennen dat hij van die gebroken heup niets
afwist, omdat de vraag “Heeft u in het verleden wel eens botbreuken opgelopen en zo ja,
wanneer en op welke plaats(en)” door Max werd opengelaten. Gelukkig, zo zegt Max tegen
de adviseur, staat de ooit gebroken heup hier natuurlijk volledig buiten.
Binnen een paar dagen na zijn bezoek aan de medisch adviseur ontvangt Max een brief van
de verzekeraar, waarin deze aankondigt niet tot dekking over te zullen gaan en waarin hij –
daarenboven – de verzekering aan hem opzegt. De verzekeraar stelt dat hij de
verzekeringsovereenkomst bij kennis van de ware stand van zaken niet zou hebben gesloten.
De vrouw van Max, die de brief heeft opengemaakt, wil haar man hiermee niet belasten en
weet dat u toevallig net het mastervak Verzekeringsrecht aan Tilburg University heeft gevolgd
en voor het tentamen bent geslaagd. Zij vraagt zich af “of de verzekeraar dit zomaar kan doen”.
Vragen:
a. Wat is hierop uw antwoord?
Art. 7:928 BW hoofdregel mededelingsplicht. In beginsel spontane mededelingsplicht, alles
mededelen wat relevant kan zijn voor de verzekeraar, maar als er een vragenlijst dan geldt dat
niet meer. Dan kijk je naar kenbaarheidsvereiste en relevantievereiste. De verzekering nemen
dat dit relevant relevante feiten omstandigheden zijn voor de verzekeraar maar ja als een vraag
open wordt gelaten dan zit je met de verschoonbaarheid vereiste dat inderdaad staat in lid 6
HR- baris riezenkamp en HR- huls/Nlp, dan moet je als verzekeraar erachteraan gaan. Je
moet dat controleren en als je dat belangrijke informatie vindt dan moet je dat proberen te
achterhalen en als je het open laat dan zal het voor jou niet zo belangrijk zijn geweest. Dus
hier is uiteindelijk geen sprake van een schending van de mededelingsplicht in de zin van
7:928 BW omdat het verschoonbaarheid vereiste meebrengt dat het niet beantwoorden van
die vraag niet kan worden tegengeworpen.
Dus het causaal verband waar in deze casus zat dat speelt uiteindelijk geen rol en was het
wel een schending van de mededelingsplicht geweest. Maar als die het verkeerd had ingevuld
dan het anders gelegen dan was er wel een schending van de mededelingsplicht geweest.
Conclusie: geen schending van de mededelingsplicht omdat het verschoonbaarheid vereiste
niet is ingevuld op grond van7:928 lid 6 BW dus geen schending van de mededelingsplicht op
grond van HR-Baris reizenkamp en HR- Huls/ Nlp.
1