sociologie Questions and Answers (100%
Correct Answers) Already Graded A+
Drie thema's sociologie (solidariteit, het verband tussen
maatschappelijke omstandigheden en mentaliteit,
ongelijkheid) [ Ans: ] Solidariteit: Hoe mensen
samenleven, elkaar steunen en verbonden zijn met elkaar.
Het verband tussen maatschappelijke omstandigheden en
mentaliteit: Hoe leefomstandigheden (zoals werk en
opleiding) invloed hebben op hoe mensen denken, voelen
en handelen. Ongelijkheid: Hoe verschillen in macht,
kansen, inkomen en status ontstaan en doorwerken in de
samenleving.
Armoede [ Ans: ] Meerderheid werkte in fabrieken en
verdiende weinig geld.
Sociale verbanden [ Ans: ] Mensen hebben andere nodig
om te functioneren en te gedragen.
Sociologische verbeeldingskracht [ Ans: ] Niet alleen
kijken naar de persoon zelf, maar ook naar de groepen en
relaties waar die persoon deel van uitmaakt.
Gedrag [ Ans: ] Wat mensen doen, bewust en onbewust.
Bijvoorbeeld uit routine.
Sociale contacten [ Ans: ] Het contact en omgang met
andere mensen.
,Gedrag verklaren door patronen te herkennen [ Ans: ] Dit
betekent dat je handelingen en keuzes van mensen
probeert te begrijpen door te kijken naar herhalende
structuren of gedragingen in hun omgeving of
samenleving.
(Sociale) status (toegeschreven en verworven) [ Ans: ] Is de
positie van iemand in de samenleving, die respect, macht
of privileges kan beïnvloeden. Toegeschreven status:
positie die je bij geboorte krijgt (bijv. sekse, etniciteit,
afkomst).. Verworven status: positie die je zelf bereikt
door inzet, talent of prestaties (bijv. opleiding, beroep).
Diversiteit [ Ans: ] Verschillen tussen mensen in een groep
of samenleving.
Macht [ Ans: ] Het vermogen om het gedrag, keuzes of
beslissingen van andere te beïnvloeden, wel of niet tegen
de wil in.
Preventie en vroeg signalering [ Ans: ] Preventie:
voorkomen dat problemen ontstaan (bijv.
opvoedingsondersteuning, voorlichting over gezondheid).
Vroeg signalering: problemen herkennen in een vroeg
stadium zodat er snel actie kan worden genomen (bijv.
school merkt leerproblemen of pestgedrag op).
Positieve gezondheid [ Ans: ] Positieve gezondheid kijkt
niet alleen naar de afwezigheid van ziekte, maar naar
mentale, fysieke, sociale, emotionele en maatschappelijke
welzijn. Richt zich op kracht en veerkracht van mensen in
plaats van alleen op problemen.
, Sociale stabiliteit [ Ans: ] betekent dat de maatschappij of
groep functioneert zonder grote conflicten, met
voorspelbare regels, orde en samenwerking.
Interactie [ Ans: ] Wanneer mensen zich bewust zijn van
elkaar, en hun gedrag op elkaar richten.
Rollen [ Ans: ] Situaties worden in verschillende rollen
ingedeeld, per situatie andere rollen.
Attributen [ Ans: ] Horen bij rollen: bijvoorbeeld, op
school draag je een rugtas en op een bruiloft niet.
Rolovertreding [ Ans: ] Als iemand uit zijn rol valt
Rolconflict [ Ans: ] Als elementen van rollen worden
gecombineerd.
Rolpatronen [ Ans: ] Rollen worden vaak gecombineerd,
door dezelfde personen.
Stereotypen [ Ans: ] Kenmerken worden zonder goede
reden met elkaar in verband gebracht.
Socialisatie (primair, secundair en tertiair) [ Ans: ]
Primaire Socialisatie: Waar kinderen de sociale
vaardigheden leren (zoals dankjewel leren van je ouders).
Secundaire Socialisatie: Expliciet gericht op het bij
brengen van sociale vaardigheden, zoals school. Tertiaire
Socialisatie: Vindt plaatst via anoniemen socialisatoren,
zoals media, films en reclame.