Hoofdstuk 1
Rechtssubjectiviteit
Een natuurlijk persoon is in het recht een drager van rechten en plichten. Als hij
een onderneming wil beginnen zal dat tot gevolg hebben dat hij gebonden is aan
iedere overeenkomst die ten behoeve van de onderneming wordt gesloten.
Het vermogen van een onderneming zal deel uitmaken van het vermogen van de
natuurlijk persoon/ondernemer; hiertussen bestaat een scheidingslijn. En dat
betekent dus dat eventuele schuldeisers van 'de onderneming' zich eveneens
kunnen verhalen op al het privévermogen van de ondernemer. Er is ook een risico
dat een ondernemer arbeidsongeschikt wordt of komt te overlijden; daarmee
staat direct de continuïteit van 'de onderneming' op het spel. En die continuïteit
is juist van belang voor een externe financier.
Om voorgaande te ondervangen kan het wenselijk zijn om 'de onderneming'
onder te brengen in een zelfstandig vehikel, een voor het rechtsverkeer
zelfstandige persoon.
De juridische vondst voor dit probleem is de rechtspersoon. De aan een natuurlijk
persoon inherente problemen van ziekte of overlijden kent een rechtspersoon
niet. Een rechtspersoon wordt voor een onbepaalde tijd opgericht, lezen we in
art. 2:17 BW. Door de oprichting komen de belanden van de betrokken personen,
zoals werknemers, leveranciers, klanten en vermogensverschaffers samen in een
organisatie, die niet meer gebonden is aan één natuurlijk persoon die alle
beslissingen neemt.
Gelijkstelling met natuurlijk persoon
Dat een rechtspersoon een rechtssubject is, bepaalt de wet in art. 2:5 BW. Deze
bepaling luidt als volgt;
Een rechtspersoon staat voor wat het vermogensrecht betreft, met een natuurlijk
persoon gelijk, tenzij uit te wet het tegendeel voortvloeit.
Dus in beginsel zijn al de wettelijke regels die op een natuurlijk persoon van
toepassing zijn ook voor de rechtspersoon van toepassing. Onder het
vermogensrecht vallen onder andere de Boeken 3-10 van het BW.
Een rechtspersoon is zelf ook drager van rechten en plichten die voortvloeien uit
rechtshandelingen. Maar daarnaast kunnen ook feitelijke handelingen aan een
rechtspersoon toegerekend worden, zoals bijvoorbeeld de onrechtmatige daad.
Overal waar in de wet 'iemand' of 'een persoon' staat, kan ook de rechtspersoon
voor worden gelezen.
Art. 2:5 BW bevat aan het slot wel de beperking 'tenzij uit de wet anders
voortvloeit'. Uit de wet vloeit bijvoorbeeld voort dat een werkgever een
arbeidsovereenkomst slechts met een werknemer/natuurlijk persoon kan sluiten
en niet met een werknemer/rechtspersoon.
, Organen
Een rechtspersoon bestaat niet uit eigen kracht, maar omdat hij ooit om een
bepaalde reden door één of meer personen is opgericht. Bepaalde personen
hebben er dus om uiteenlopende redenen belang bij dat de rechtspersoon
(voort)bestaat. Zoals een natuurlijk persoon feitelijk kan bewegen door het
gebruik van ledematen, zo kan een rechtspersoon functioneren door middel van
zijn zogeheten organen.
Bij een vereniging, coöperatie en een owm hebben we te maken met leden; bij de
BV en de NV met de aandeel houders. Deze leden en aandeelhouders hebben in
beginsel belang bij het (voort)bestaan van de rechtspersoon. En deze leden of de
aandeelhouders vormen dan weer gezamenlijk de algemene vergadering. Dit is
een orgaan van de rechtspersoon. Onder een orgaan verstaan we dus een
persoon of een groep personen die bijdragen of uitvoering geven aan het
handelen van de rechtspersoon.
De spelregels waar dit orgaan zich aan moet houden, vindt je in de wet of de
statuten van de rechtspersoon. De wet en de statuten van de rechtspersoon
kennen aan de algemene vergadering bepaalde taken en bevoegdheden binnen
de rechtspersoon toe.
Ook het bestuur is eveneens een orgaan van de rechtspersoon. Ook van dit
orgaan vind je de taak en de bevoegdheden, de spelregels waar zij zich aan
moeten houden, in de wet en de statuten van de rechtspersoon.
Er kan ook sprake zijn van een raad van commissarissen (RvC); dat is eveneens
een orgaan van de rechtspersoon. In beginsel zijn commissarissen benoemd om
toezicht op het bestuur te houden en om deze bij belangrijke beslissingen te
adviseren. De commissaris of de gezamenlijke commissarissen vormen de RvC.
Oorspronkelijk werd de RvC bij een NV of een BV vooral beschouwd als een
toezichthouder en adviseur namens de aandeelhouders, maar tegenwoordig
wordt zijn taak veel ruimer opgevat; hij dient zich bij de vervulling van zijn taak
te richten naar het belang van de rechtspersoon en de met hem verbonden
onderneming of organisatie.
Bij rechtspersonen waar in de regel ten minste vijftig personen werkzaam zijn, zal
tevens een ondernemingsraad (OR) worden ingesteld. De OR zal met name
opkomen voor de belangen van deze mensen. De bevoegdheden van de
ondernemingsraad vinden we niet in Boek 2 BW omdat ook niet-rechtspersonen
met dit aantal werkzame personen een OR moeten instellen. Dit neemt niet weg
dat op grond van de door art. 2:8 BW gevorderde aanvullende werking van
redelijkheid en billijkheid in het rechtspersonenrecht de ondernemingsraad en
zijn leden volwaardig deel uitmaken van de kring van betrokkenen bij de
organisatie van de rechtspersonen.
Redelijkheid en billijkheid