Hoorcollege: Historici en internationale betrekkingen: een ongelukkig
huwelijk?
Er zijn vijf belangrijke theorieën: realisme, met een focus op analyse,
belangrijke actoren, gedrag en/of doelstellingen van staten,
sleutelbegrippen en sterke en/of zwakke punten; liberalisme, met een
focus op analyse, belangrijke actoren, gedrag en/of doelstellingen van
staten, sleutelbegrippen en sterke en/of zwakke punten; constructivisme,
met een focus op ideeën en identiteit; feminisme, met een focus op
gender; en marxisme, met een focus op klasse. Maar waar past de
geschiedenis in dit plaatje?
Kritiek vanuit geschiedenis op IB
Historici stellen dat alles wat politieke wetenschappers doen is het maken
van generieke uitspraken op basis van ‘objectieve’ cijfers. Een voorbeeld
hiervan is dat IB’ers stellen dat staten die met elkaar handelen, nooit tot
conflicten over zullen gaan. Enerzijds hadden zij gelijk, bijvoorbeeld te
zien aan de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en
Staal, maar anderzijds hadden zij ook ongelijk, bijvoorbeeld te zien aan de
samenwerking tussen de Europese Unie en Rusland (Nordstream). Een
andere stelling van IB’ers zijn dat conflicten uitbreken zodra staten geen
toegang hebben tot benodigde natuurlijke hulpbronnen. Nogmaals is te
zien dat zij enerzijds gelijk hadden, bijvoorbeeld oorlogen in Afrika die
worden gevoerd rondom toegang tot water. Anderzijds hadden zij ook
ongelijk, aangezien er veel meer voorbeelden zijn van initiatieven die
zulke oorlogen juist actief voorkomen. Historici stellen zodoende dat
‘algemenisering’ geen nut heeft, maar dat men eerder naar een concrete
en specifieke casus moeten kijken; context blijkt essentieel. Geschiedenis
verloopt niet lineair, zij verloopt contigent, niet-noodzakelijk. Een
voorbeeld is het stemrecht van vrouwen, die in Europa ongeveer rond
1920 wordt geïntroduceerd als reactie op de Eerste Wereldoorlog. Maar
zagen vrouwen het zelf als een logisch verloop van de geschiedenis? Een
andere kritiek van historici op politieke wetenschappers is hun
presentisme: de nadruk op het recente, geredeneerd vanuit het heden,
maar ook het heden gebruiken om het verleden te beantwoorden. Lynn
Hunt stelt daarbij dat presentisme voor gevaar zorgt, aangezien het
morele zelfgenoegzaamheid en temporele superioriteit tot leven brengt.
Hunt stelt dat de spanning tussen het hedendaagse zorgen moet worden
erkent, maar het verleden moet ook gerespecteerd worden.
Kritiek vanuit IB op geschiedenis
IB’ers zien geschiedenis als ‘one damn thing after another’; geschiedenis
blijkt beschrijvend te zijn, terwijl oorzaak-gevolg-relaties vaak
onbeantwoord blijven. Echter gebruiken historici wel theorieën en hebben
aannames, maar worden deze vervolgens niet bevraagd of actief gebruikt;
historici kunnen zodoende van IB’ers leren.
Wat is geschiedtheorie in het algemeen?
,Geschiedenis is datgeen wat er in het verleden is gebeurd, maar ook het
verhaal over datgeen wat geschied was. In het eerste geval wordt er
gefilosofeerd over substantiële geschiedfilosofie (bijvoorbeeld Marx); in
het tweede geval wordt er gefilosofeerd over analytische geschiedfilosofie
(wat is een feit of verklaring?). Herman Paul stelt vier vormen van het
verleden: het chronologisch verleden, het voltooid verleden, het vreemde
verleden en het huidige verleden.
Wanneer werd geschiedenis geboren?
De geboorte van geschiedenis als vakgebied was rond 1800. Op het
moment dat geesteswetenschappen geboren worden, komen drie
ontwikkelingen samen: het ontstaan van de mens, de opkomst van het
idee van de Geist en de historisering van het wereldbeeld. Er ontstond
een nieuwe manier waarop kennis tot stand komt. Enerzijds wordt het
beredeneerd vanuit de natuur en het object, anderzijds vanuit de rede,
geest of subject. Dit stond in verbinding met het empirisme, waarneming
en inductief redeneren (van individueel naar generalisaties), en
rationalisme, kennis afleiden van ontwijfelbare (rationele) zekerheden en
deductief redeneren. De laatste vorm kwam voort uit de twijfelachtigheid
van menselijke waarnemingen; men moet altijd twijfelen aan wat zij
observeren. Zodoende valt er geen kennis te halen uit observaties – maar
wél uit het menselijk verstand.
Immanuel Kant is een belangrijke denker binnen de geschiedenis; hij
brengt een nieuwe gedachte. Kant gebruikt zowel empirisme als
rationalisme, om vervolgens transcendentaal te redeneren. De mens
benaderd Kant niet als vol met twijfel, maar eerder vol met niet-zichtbare
kennis (mogelijkheidsvoorwaarde); menselijke gedachten hebben een
zuivere categorie (causaliteit) en veel aanschouwingsvormen
(bijvoorbeeld ruimte en tijd). Mocht men niet transcendentaal zijn, weten
zij niet wat er speelt. De mens is zodoende subject (observeert) als object
(iets wat bestudeerd kan worden); de mens als ‘uniobject’ is uniek.
Willhelm Friedrich Hegel was geïnspireerd door Kant en zag, net als Kant,
de wereld als product van de mens. Hegel stelt de ‘geist’ – geen
individueel concept, maar eerder een collectieve geest (bijvoorbeeld
tijdsgeest). Hegel stelt in zijn begrip van ‘geist’ ook een
ontwikkelingsperspectief; er ontstaat een steeds beter begrip van de
wereld, onder andere door these > antithese > synthese. Het
ontwikkelingsperspectief zorgde zodoende voor een gehistoriseerd
wereldbeeld, met Erfahrungssraum en Erwartungshorizont: eerdere
ervaringen waren garant voor het heden en de toekomst – waardoor
geschiedenis bestudeerd werd, bijvoorbeeld door koningen om hun macht
te consolideren. De achttiende eeuw zorgde echter voor een verandering
van dit beeld; men had weliswaar een Erfahrungssraum, maar deze stond
niet garant voor de toekomst. De geschiedenis kon zodoende niet langer
dienen als leermeester, maar werd alsnog wel bestudeerd om duiding te
trekken: geschiedenis werd gebruikt om het heden te begrijpen.
Geschiedenis hanteerde ook haar eigen methodes; interpretatie stond
hieraan ten grondslag. De methodiek wordt ook wel Hermeneutiek
,genoemd, bedacht door Friedrich Schleiermacher met zijn onderzoek naar
de Bijbel. Om zulk onderzoek echter volledig te begrijpen, moest men de
auteur ook begrijpen; dit fenomeen (de wisselwerking tussen het
begrijpen van auteur en bestudeerd object) wordt ook wel de
Hermeneutische cirkel genoemd. Dit historisme stond ten grondslag
binnen de Duitse geschiedschrijving, met Leopold von Ranke als hoofd.
Ranke wilde het verleden – binnen zijn onderzoek voornamelijk
staatsdocumenten, waardoor er een voornaamste nadruk kwam op
diplomatie – in zijn eigenheid te kunnen tonen; het ‘verstehen’ van de
bron zelf. Echter zijn er wel vraagtekens te plaatsen bij Ranke’s
beredenering: kan een historicus wel objectief zijn? Wilhelm von Dilthey
noemt het ook wel de subjectpositie: een historicus blijft altijd zijn
vooroordeel behouden; als men echter hard genoeg zijn best deed,
konden zij zichzelf losmaken van het heden en zich inleven in het
verleden. Daarnaast ontstond ook de Cartesiaanse angst: iets moest een
‘harde’ (objectieve) wetenschap zijn; subjectiviteit had zodoende geen
plaats binnen de wetenschapsbeoefening. Gadamar is hierin positiever en
stelt de historische gesitueerdheid als noodzakelijke voorwaarde voor
kennis; zonder traditie en vooroordelen kan men nooit tot interpretatie
omgaan. Vanuit die ‘horizon’ start de interpretatie; zo hadden ook
historische objecten zo’n zelfde ‘horizon’. De dialoog tussen iemands
eigen horizon en de horizon van historische objecten leidt, zo stelt
Gadamar, tot kennis – de Horizontverschmelzung.
Carr, The Historian and His Facts
(1)Wat is volgens Carr het verschil tussen een ‘basic fact’ en een
‘historical fact’?
Carr zegt dat veel feiten over het verleden wel “feitelijk waar”
kunnen zijn, maar nog niet automatisch historische feiten zijn. Een
basic fact is in zijn beschrijving iets als: “de Slag bij Hastings was in
1066”, of: “Caesar stak de Rubicon over”. Zulke feiten zijn belangrijk
voor nauwkeurigheid, maar ze zijn vooral het ruwe materiaal
waaruit historici werken. Ze zijn dus niet het eindproduct van
geschiedschrijving. Een historical fact ontstaat pas wanneer historici
een feit selecteren, er gewicht aan geven, en het in een verhaal of
verklaring plaatsen. Carr formuleert dat scherp door te zeggen dat
feiten niet “zelf spreken”: ze spreken pas wanneer de historicus ze
oproept, en de historicus beslist welke feiten het woord krijgen en in
welke volgorde en context. Hij illustreert dit ook met het idee dat
een feit “lid” kan worden van de “club” van historische feiten: een
gebeurtenis kan eerst in voetnoten opduiken, later in de hoofdtekst,
en pas als andere historici de interpretatie relevant vinden wordt het
een stevig “historisch feit”. Met andere woorden: het label
“historisch feit” hangt af van interpretatie en betekenisgeving.
(2)Waarom is het belangrijk om het verschil tussen deze soorten feiten
in de geschiedschrijving te (h)erkennen?
Volgens Carr helpt dit onderscheid om te begrijpen dat
geschiedschrijving niet neerkomt op het verzamelen van losse feiten
, en die daarna “neutraal” opschrijven. Als je doet alsof historische
kennis alleen maar een stapeling van feiten is, verberg je dat er
altijd selectie en interpretatie plaatsvindt. Carr waarschuwt dat je
dan al snel in een verkeerde tegenstelling terechtkomt: óf je maakt
“knip-en-plakgeschiedenis” zonder betekenis, óf je maakt
propaganda/fiction die alleen feiten gebruikt als versiering voor een
vooraf bedacht verhaal. Zijn punt is juist dat goede geschiedenis
een voortdurende wisselwerking is tussen feiten en interpretatie.
Door het verschil te erkennen, word je als lezer ook kritischer: je
gaat vragen waarom juist deze feiten centraal staan, welke
alternatieve feiten óók relevant waren, en welke belangen of kaders
meespelen in wat als “belangrijk” geldt.
(3)De twee sterkst uiteenlopende posities binnen het debat over
historische feiten zijn het positivisme en het relativisme. Hoe zou je
deze stromingen definiëren (in eigen woorden)? En waar zou je Carr
binnen dit debat positioneren?
In simpel Nederlands kun je het zo neerzetten. Positivisme (in dit
debat) is de overtuiging dat het verleden in principe objectief
kenbaar is: als je maar genoeg bronnen hebt en zorgvuldig werkt,
kun je “de feiten” vaststellen en daarna bijna automatisch tot de
juiste geschiedenis komen. Dat lijkt op het idee dat feiten als het
ware klaar liggen om opgepakt te worden. Relativisme is het
tegenovergestelde uiterste: het idee dat geschiedenis vooral een
product is van het perspectief van de historicus (tijd, waarden,
belangen), waardoor er geen stevige grens meer is tussen “wat er
gebeurde” en “hoe iemand het vertelt”. Carr positioneert zich
nadrukkelijk tussen die uitersten. Hij verwerpt zowel het idee dat
geschiedenis een puur objectieve compilatie is, als het idee dat het
alleen maar subjectieve constructie is. Zijn kernformule is dat de
historicus voortdurend feiten vormt naar interpretatie én
interpretatie vormt naar feiten; je kunt geen absolute “eerste
plaats” toekennen aan één van beide.
Craig, The Historian and the Study of IR
(1)Wat kenmerkt ‘oude’ diplomatieke geschiedenis (volgens Craig en
Malchow)?
Craig schetst “oude” diplomatieke geschiedenis als een traditie die
sterk leunt op officiële archieven en een vrij smal beeld van politiek:
veel aandacht voor grote mogendheden, ministers, ambassades,
verdragen en formele onderhandelingen. Hij maakt dat bijna
karikaturaal concreet door te zeggen dat een standaardmonografie
ooit letterlijk werd overgeschreven uit Foreign Office-papieren, met
Latijnse frasen en extreem specialistische voetnoten. Malchow
beschrijft hetzelfde “oude” patroon in vergelijkbare termen:
diplomatie als een elitaire, top-down praktijk, bekeken via een staat-
en archiefgerichte lens (en daarmee ook vaak een nationale lens).