Inleiding
,economie zien als een zwitsers zakmes: verschillende tools aanleren en weten wanneer ze
te gebruiken
economie geconfronteerd met schokken van:
- buiten de economie: bv. coronavirus
- binnen de economie: bv. het nemen van beslissingen
‘groei’ link je aan de welvaart van het land, dus of de economie goed of slecht gaat
= economische maatstaf om omvang economie te meten
= BBP (Bruto Binnenlands Product): optelsom van alle goederen en diensten die in een
jaar geproduceerd worden binnen de landsgrenzen en niet als inputs gebruikt worden om
verder afgewerkte goederen mee te maken
→ meestal een groei van 2% per jaar → door corona een daling van 10%, MAAR na corona
wel terug gegroeid
⇒ doen iets minder goed dan historisch gezien, maar nog steeds niet slecht
economie is een systeem: alles hangt vast aan elkaar; je geeft ergens een duwtje en het
andere heeft er ook gevolgen van
natuurlijk evenwicht tussen consumptie en productie
bv. lockdown en gezondheid: voor gezondheid langer in lockdown blijven, maar niet goed
voor economie → gezondheidszorg bleef wel draaien, MAAR krijgen geld uit belastingen →
als mensen niet meer kunnen werken kunnen ze belastingen niet meer betalen ⇒ dus een
economische kringloop
economie op lange termijn:
Waar wordt je vandaag het best geboren?: denkt spontaan aan een land omdat je denkt
aan de welvaart die heel veel verschilt per land
,‘welvaart’: containerbegrip, meest gebruikte economische maatstaf: bbp per hoofd: deling
door het bevolkingsaantal, anders heel oneerlijk gedeeld bv. china is met veel meer
→ laatste 2000 jaar niet veel te zien, MAAR
laatste 200 jaar grote welvaartsevolutie
1990: einde communisme: enorme val economie
Azië komt later, ‘70: maar stijgt enorm laatste jaren
Afrika: nauwelijks groei
⇒ 15de eeuw zou het niet uitmaken waar je geboren zou zijn, MAAR wel wie je ouders zijn
+ geslacht → nu ook impact, maar veel minder
⇒ vanaf 19de eeuw maar grote verschillen tussen landen: ene plaats rijker dan andere door
bv. IR; dus opkomst kapitalisme
→ nadien geografische expansie tot internationale markt + specialisatie en ruil
kapitalistisch economisch systeem:
1. productie binnen bedrijven
2. markten= plaats waar bedrijven en klanten producten vrijwillig ruilen tegen prijs die
hoger is dan de productiekost om eigenaars van bedrijven te vergoeden voor
ondernemingsinitiatief
3. private eigendom kapitaalgoederen bv. machines, patenten
→ vroeger productie door individuele verkopers, families → bedrijven gaan
concurreren, dus beter proberen zijn
, + schaal nodig om te investeren, te schalen: beter zijn dan je concurrent door bv.
efficiënter te werken
grijs: aandeel wereldinkomen in G7: rijkste 7
geindustriele landen bv. USA, Italië
wit: China, India, Indonesië
→ ene daalt, andere stijgt
→ aandelen stijgen enorm na IR
+ Chinese economie enorm gegroeid
Moet je rijk zijn om lang te leven?: nu overal
lange levensverwachtingen
Brengt rijkdom geluk?: niet perse, is positieve
correlatie tussen elkaar
kapitalisme is geen voldoende voorwaarde voor verhoging levensstandaard
→ redenen bv. overheid:
- niet slagen private eigendom voldoende te beschermen
- markten niet competitief, dus bedrijven overleven door connecties met overheid
- gecapteerd door rent-seekers: niet beter produceren, maar regels in hun voordeel te
laten werken
bv. wijnbouwer, alle druiven gestolen → recht geschonden, zonder overheid lukt een goed
systeem niet
MAAR onze keuzes worden geconfronteerd met beperkingen
+ stijging welvaart gaat samen met gebruik natuurbudget
I=f(P,A,T)
I: milieu impact
P: populatie: hoe groter samenleving, hoe meer belastingen op milieu
A: affluence: economische welvaart
T: technologie: hoe schoon zijn onze productie
,economie zien als een zwitsers zakmes: verschillende tools aanleren en weten wanneer ze
te gebruiken
economie geconfronteerd met schokken van:
- buiten de economie: bv. coronavirus
- binnen de economie: bv. het nemen van beslissingen
‘groei’ link je aan de welvaart van het land, dus of de economie goed of slecht gaat
= economische maatstaf om omvang economie te meten
= BBP (Bruto Binnenlands Product): optelsom van alle goederen en diensten die in een
jaar geproduceerd worden binnen de landsgrenzen en niet als inputs gebruikt worden om
verder afgewerkte goederen mee te maken
→ meestal een groei van 2% per jaar → door corona een daling van 10%, MAAR na corona
wel terug gegroeid
⇒ doen iets minder goed dan historisch gezien, maar nog steeds niet slecht
economie is een systeem: alles hangt vast aan elkaar; je geeft ergens een duwtje en het
andere heeft er ook gevolgen van
natuurlijk evenwicht tussen consumptie en productie
bv. lockdown en gezondheid: voor gezondheid langer in lockdown blijven, maar niet goed
voor economie → gezondheidszorg bleef wel draaien, MAAR krijgen geld uit belastingen →
als mensen niet meer kunnen werken kunnen ze belastingen niet meer betalen ⇒ dus een
economische kringloop
economie op lange termijn:
Waar wordt je vandaag het best geboren?: denkt spontaan aan een land omdat je denkt
aan de welvaart die heel veel verschilt per land
,‘welvaart’: containerbegrip, meest gebruikte economische maatstaf: bbp per hoofd: deling
door het bevolkingsaantal, anders heel oneerlijk gedeeld bv. china is met veel meer
→ laatste 2000 jaar niet veel te zien, MAAR
laatste 200 jaar grote welvaartsevolutie
1990: einde communisme: enorme val economie
Azië komt later, ‘70: maar stijgt enorm laatste jaren
Afrika: nauwelijks groei
⇒ 15de eeuw zou het niet uitmaken waar je geboren zou zijn, MAAR wel wie je ouders zijn
+ geslacht → nu ook impact, maar veel minder
⇒ vanaf 19de eeuw maar grote verschillen tussen landen: ene plaats rijker dan andere door
bv. IR; dus opkomst kapitalisme
→ nadien geografische expansie tot internationale markt + specialisatie en ruil
kapitalistisch economisch systeem:
1. productie binnen bedrijven
2. markten= plaats waar bedrijven en klanten producten vrijwillig ruilen tegen prijs die
hoger is dan de productiekost om eigenaars van bedrijven te vergoeden voor
ondernemingsinitiatief
3. private eigendom kapitaalgoederen bv. machines, patenten
→ vroeger productie door individuele verkopers, families → bedrijven gaan
concurreren, dus beter proberen zijn
, + schaal nodig om te investeren, te schalen: beter zijn dan je concurrent door bv.
efficiënter te werken
grijs: aandeel wereldinkomen in G7: rijkste 7
geindustriele landen bv. USA, Italië
wit: China, India, Indonesië
→ ene daalt, andere stijgt
→ aandelen stijgen enorm na IR
+ Chinese economie enorm gegroeid
Moet je rijk zijn om lang te leven?: nu overal
lange levensverwachtingen
Brengt rijkdom geluk?: niet perse, is positieve
correlatie tussen elkaar
kapitalisme is geen voldoende voorwaarde voor verhoging levensstandaard
→ redenen bv. overheid:
- niet slagen private eigendom voldoende te beschermen
- markten niet competitief, dus bedrijven overleven door connecties met overheid
- gecapteerd door rent-seekers: niet beter produceren, maar regels in hun voordeel te
laten werken
bv. wijnbouwer, alle druiven gestolen → recht geschonden, zonder overheid lukt een goed
systeem niet
MAAR onze keuzes worden geconfronteerd met beperkingen
+ stijging welvaart gaat samen met gebruik natuurbudget
I=f(P,A,T)
I: milieu impact
P: populatie: hoe groter samenleving, hoe meer belastingen op milieu
A: affluence: economische welvaart
T: technologie: hoe schoon zijn onze productie