THEMA 1: INLEIDING OUDERENPSYCHOLOGIE .................................................................................. 2
1.1 OUDERENPSYCHOLOGIE EN LEVENSLOOPTHEORIEËN .................................................... 2
1.2 SOCIAAL NETWERK EN EENZAAMHEID ........................................................................... 4
1.3 BIOLOGISCHE VEROUDERING EN LEEFTIJDSGERELATEERDE AANDOENINGEN .............. 5
1.4 PENSIOEN EN VRIJETIJDSBESTEDING .............................................................................. 7
OUDEREN
THEMA 2: DOMEINEN VAN PSYCHISCH FUNCTIONEREN ................................................................... 7
2.1 STEMMING EN EMOTIE ................................................................................................... 7
2.2 COGNITIE EN DEMENTIE .................................................................................................. 9
2.3 PERSOONLIJKHEID ......................................................................................................... 12
PSYCHOLOGIE
2.4 GEDRAG ......................................................................................................................... 13
THEMA 3: THEMA’S IN LEVENSLOOPPERSPECTIEF........................................................................... 14
3.1 ZINGEVING EN KWALITEIT VAN LEVEN...................................................................................... 14
3.2 VERLIES, ROUW EN LEVENSEINDE ............................................................................................. 16
3.3 OUDEREN EN SEKSUALITEIT ...................................................................................................... 18
3.4 WILSBEKWAAMHEID ................................................................................................................. 19
THEMA 4: PSYCHOLOGISCHE INTERVENTIES ................................................................................... 19
4.1 PREVENTIEVE INTERVENTIES ..................................................................................................... 19
4.2 COGNITIEVE TRAINING EN REVALIDATIE ................................................................................... 20
4.3 MEDIATIEVE COGNITIEVE GEDRAGSTHERAPIE ......................................................................... 21
4.4 LIFE REVIEW ............................................................................................................................... 22
4.5 OPLOSSINGSGERICHTE PSYCHOTHERAPIE................................................................................. 23
4.6 MANTELZORGERS ...................................................................................................................... 24
VERGELIJKING INTERVENTIES .................................................................................................... 25
,THEMA 1: INLEIDING OUDERENPSYCHOLOGIE 3. Betekenis van ouder worden: beeldvorming wordt bepaald door de manier waarop de
maatschappij, professionals en ouderen zelf met hun geestelijke gezondheid omgaan
4. Levensverhalen: hoe ouderen hun leven tot een verhaal maken, draagt bij aan hun
geestelijke gezondheid
1.1 OUDERENPSYCHOLOGIE EN LEVENSLOOPTHEORIEËN
HOOFDSTUK 1 – OUDER WORDEN EN OUDERENPSYCHOLOGIE Levensloopontwikkeling:
- Belangrijke principes:
Ø Mul=dimensionaliteit: ontwikkeling speelt zich al=jd af op verschillende
Ouderenzorg:
dimensies (fysiek, sociaal, psychologisch)
- Veel gebruik gemaakt van het biopsychosociale model
Ø Mul=direc=onaliteit: dimensies kunnen elkaar onderling beïnvloeden
- Healthy ageing model: gaat er vanuit dat gezond ouder worden van belang is voor iedereen
Ø Verschillende ontwikkelingsrich=ngen: groei, behoud van func=oneren, verlies
om het func=oneren zoveel mogelijk te bevorderen en behouden
(kunnen elk horen bij normale ontwikkeling)
- Verschillen in hulpverlening m.b.t. jongere volwassenen:
- Uitkomst van processen:
Ø Basisprincipes van diagnos=ek zijn grotendeels hetzelfde
Ø Pathologisch
Ø Invloed van leeCijdsgerelateerde factoren op cliënt en therapeut
Ø Normaal
Ø Aspecten van werkrela=e therapeut – oudere cliënt zijn aandachtspunten
Ø Succesvol (posi=eve uitzondering op normale proces)
- Contextuele Levensloop Theorie voor Aanpassing Psychotherapie (CALTAP)
Ø Op=maal (best denkbare ontwikkeling; perfecte omstandigheden)
Verschillende betekenissen van succesvol ouder worden vanuit levensloopperspec=ef:
- Oudste tegenstelling: disengagement versus ac=vity
Ø Disengagement: zich langzaam terugtrekken uit de samenleving en het leven als
natuurlijke reac=e op verminderde vitaliteit en het naderende levenseinde
Ø Ac=vity: willen blijven deelnemen aan het leven en de samenleving
- Model Rowe & Kahn (meest gebruikt): kleine kans op ziekte, goed fysiek en cogni=ef
func=oneren en ac=eve betrokkenheid bij het leven
- Psychologen: als proces à vermogen van mensen om met ouder worden om te gaan en
zich eraan aan te passen
Ø OntwikkelingsregulaTe:
§ Plas=citeit en aanpassingsvermogen (func=oneren, controle, welzijn,
zelfwaardering)
§ Autonomie en sturing (rich=ng geven door doelen en keuzes)
Ontwikkelingsregula=e in het SOC-model (Baltes & Baltes):
1. Selec=e: ac=viteiten en doelen verminderen (minder dingen doen)
2. Op=malisa=e: gedrag met als doel om hogere niveaus van func=oneren te bereiken (bv.
door één ding meer/langer te doen)
3. Compensa=e: hulp vragen of hulpmiddelen inze\en om bestaand niveau van func=oneren
zoveel mogelijk te handhaven
Socio-emoTonele selecTviteitstheorie (SEST) sluit hierop aan:
HOOFDSTUK 2 – LEVENSLOOP THEORIEËN - Mensen ondergaan een verandering in waargenomen =jdsperspec=ef als ze ouder worden,
en streven doelen na die passen bij het perspec=ef van dat moment (proces van selec=e)
Vier perspec=even uit de levenslooppsychologie die aansluiten op een brede, persoonsgerichte visie: - Twee mo=even die dit selec=eproces sturen
1. Levensloopontwikkeling: ouderdom is geen aparte levensfase Ø Nieuwe dingen leren kennen – jonge mensen met open =jdsperspec=ef
2. Welbevinden: geestelijke gezondheid is meer dan de afwezigheid van psychische klachten Ø Emo=es reguleren – oudere mensen met gesloten =jdsperspec=ef
en stoornissen § Voorkeur voor zaken die vertrouwd en posi=ef gevoel opleveren
Hoeveelheid levens=jd bepaalt welk mo=ef op de voorgrond staat
,Drie groepen biologische en sociale omgevingsinvloeden (determinanten) op het individuele - Brede benadering: zowel oplossen van klachten als verhogen van welbevinden is belangrijk
levenspad: - LeeCijdsverschillen ouderen t.o.v. jongere volwassenen:
- NormaTef leeYijdsgebonden: gekoppeld aan bepaalde leeCijd Ø Minder psychische aandoeningen
Ø Biologisch: groot effect =jdens kinder=jd en ouderdom Ø Meer emo=oneel welbevinden
Ø Sociaal: vooral effect in adolescen=e, toename bij ouderdom Ø Minder psychologisch en sociaal welbevinden
- NormaTef historisch: gekoppeld aan bepaald historisch =jdvak (genera=e/cohort) - Mogelijke verklaringen voor leeCijdsverschillen in welbevinden:
- Niet-normaTef: persoonsgebonden Ø Ontwikkelingseffect: hoger emo=oneel welbevinden door posi=viteitseffect
(voorkeur voor zaken die een vertrouwd en posi=ef gevoel opleveren)
Ø Cohorteffect: opgedane en meegenomen ervaringen =jdens de levensloop
(oorlog en economische depressie à minder psychologisch welbevinden)
Ø Periode-effect: invloed van maatschappelijke ontwikkelingen
§ Theorie van structural lag (Riley): samenleving loopt achter bij snelle
vergrijzing waardoor het aantal zinvolle rollen voor ouderen beperkt
is à lager sociaal welbevinden
Stereotypen van ouderen (betekenis van ouder worden)
- Twee dimensies:
Ø Competen=e (vooral nega=ef)
Ø Warmte (vooral posi=ef)
- Invloed op hulpverleners en ouderen zelf:
Ø Betu\elende en paternalis=sche omgang in ouderenzorg (gezien als aardig maar
incompetent)
Ø Self-fulfilling prophecy op cogni=ef func=oneren van ouderen (stereotype
Geestelijk gezond = hoog niveau van welbevinden in samenhang met een goed individueel en embodiment)
maatschappelijk func=oneren à geluk, zelfrealisa=e en maatschappelijke integra=e als standaarden Ø Deze kunnen elkaar versterken: aaankelijk gedrag vaak beloond met aandacht
Twee visies met betrekking tot welbevinden: en onaaankelijk gedrag leidt tot minder aandacht
- Hedonis=sche visie: - Aandachtspunten voor ouderenpsychologen:
Ø Emo=oneel welbevinden: geluk en tevredenheid (levenstevredenheid, Ø Nagaan in hoeverre eigen handelen wordt bepaald door stereotypen
interesse, posi=eve gevoelens) Ø Stereotypen bespreekbaar maken in sociale omgeving van ouderen
- Eudemonische visie: Ø Aandacht voor eigen beleving van cliënt op gebied van ouder worden
Ø Psychologisch welbevinden: zelfrealisa=e (zelfaccepta=e, persoonlijke groei,
doelgerichtheid, omgevingsbeheersing, autonomie, posi=eve rela=es) NarraTeve gerontologie: hoe ouder wordende mensen betekenis geven aan hun eigen leven door er
Ø Sociaal welbevinden: maatschappelijk func=oneren (sociale accepta=e, sociale verhalen over te vertellen
groei, sociale bijdrage, sociale coheren=e, sociale integra=e) - Betekenis in leven aanbrengen en een narra=eve iden=teit ontwikkelen door verleden,
heden en toekomst te verbinden
Dual conTnua model: afwezigheid van psychische symptomen en stoornissen is niet al=jd hetzelfde - Ouderen ten opzichte van jongeren:
als de aanwezigheid van welbevinden Ø Vooral als overdracht van ervaringen en voorbereiding op levenseinde (jongeren
meer om iden=teit te vinden en problemen op te lossen)
Ø Blijvende ontwikkeling van levensverhalen à ouderen worden betere vertellers
Ø Communion (verbondenheid) meer centraal dan agency (individualiteit)
- NarraTve foreclosure: voor=jdig afronden van het levensverhaal (blijven steken in verhaal,
geen nieuwe mogelijkheden of betekenissen meer zien en weinig verwach=ng van de
toekomst)
Ø Ouderen ervaren meer narra=ve foreclosure naar de toekomst en juist minder
naar het verleden
Ø Gerelateerd aan welbevinden en geestelijke gezondheid
, - Redemp=on verhalen: hoe mensen zijn omgegaan met moeilijke gebeurtenissen die hen § Pensionering: toename in aantal en frequen=e contacten
vormen of een beter mens maken (verlossing) - Socio-emoTonele selecTviteitstheorie (SEST): met ouder worden neemt het belang van
- Toepassing (ouderenpsycholoog): interven=es in geestelijke zorgverlening (life review) en emo=onele regula=e toe boven het belang van nieuwe kennis, vaardigheden en
invulling van ouderenzorg in het algemeen (‘Groen en grijs’) mogelijkheden, en behoudt men de rela=es die daarbij passen
Ø Mensen gaan zich meer richten op de kern van hun sociale netwerk
Samenhang netwerk – gezondheid van ouderen:
1.2 SOCIAAL NETWERK EN EENZAAMHEID - Goede gezondheid is een randvoorwaarde voor sociale rela=es
HOOFDSTUK 3 – SOCIAAL NETWERK EN PERSOONLIJKE RELATIES - Een goed netwerk bevordert de gezondheid (buffer tegen nega=eve gevolgen van
ingrijpende gebeurtenissen)
- Slechte gezondheid vergroot de behoeCe aan steun van anderen
Kernboodschappen:
- Kleine netwerken à meer risico op sociaal isolement en psychische problemen
Instrumentele zorg = instrumentele steun wordt zorg als het gaat om hulp bij dagelijkse ac=viteiten
- Ouderen van nu hebben grotere en meer diverse netwerken dan ouderen 20 jaar geleden
die de oudere om gezondheidsredenen minder goed of niet meer kan uitvoeren
- Steeds meer ouderen hebben ook online contact met rela=es
- Informele bronnen: worden niet betaald voor hulp (mantelzorgers, vrijwilligers)
- Eenzaamheid is het gevolg van een tekortschietend netwerk
- Formele bronnen: professionele zorgverleners
Gegevens uit het hoofdstuk ahoms=g uit twee langlopende onderzoekprogramma’s:
Eenzaamheid = een ervaren gebrek in de kwan=teit en kwaliteit van sociale contacten
- Leefvormen en sociale netwerken van ouderen (LSN)
- Twee soorten:
- Longitudinal Aging Study Amsterdam (LASA)
Ø Emo=onele eenzaamheid: door afwezigheid in=eme rela=e (leegte,
verlatenheid)
Netwerkkenmerken zijn te onderscheiden in:
Ø Sociale eenzaamheid: gebrek aan betekenisvolle contacten in bredere kring
- Vormkenmerken
- Determinanten van eenzaamheid onder ouderen:
Ø Omvang: grotere netwerken bij vrouwen, jongere mensen en gemiddeld- en
Ø Overlijden partner
hoogopgeleiden
Ø Kleiner wordend netwerk
Ø Samenstelling: verwanten versus niet-verwanten (1/3 – 2/3)
Ø Minder uitwisseling van emo=onele steun
§ Samenhang met omvang: rela=ef meer verwanten in kleine
Ø Verslechtering gezondheid
netwerken
- Drie oplossingsrich=ngen voor eenzaamheid:
Ø Nabijheid
Ø Rela=enetwerk verbeteren (ac=e/gedrag)
- Inhoudelijke kenmerken
Ø Wensen/behoeCe veranderen (denken)
Ø Steun uitwisselen (emo=oneel versus instrumenteel)
Ø Andere betekenis geven aan de situa=e (denken) à omgaan met de gevoelens
§ Vaker emo=onele dan instrumentele steun
en deze minder belangrijk maken
§ Meer steun door jongere ouderen en hogere statusgroepen
- Interven=es gericht op eenzame mensen:
§ Meer instrumentele steun door mannen
Ø Sociaal-culturele ac=vering: sociale omgeving ‘contactrijker’ maken
§ Meer emo=onele steun door vrouwen
Ø Persoonlijke ac=vering: gericht op persoon en bewustwording van eigen
Ø Reciprociteit
eenzaamheids-bevorderende houding
§ Ouderen geven en krijgen evenveel emo=onele steun
Ø Cursus, groepsgesprek of therapie: meestal gericht op één bepaald aspect van
§ Ouderen krijgen meer instrumentele steun dan ze geven
func=oneren
Ø Ook posi=ef-psychologische interven=es kunnen worden ingezet om met
Verandering van netwerkkenmerken =jdens de levensloop – twee verklaringen:
eenzaamheidsgevoelens om te gaan, zoals psychologische flexibiliteit, zingeving
- Konvooimodel: vanuit mogelijkheden om rela=es aan te gaan/te behouden à sterk
of zelfcompassie
bepaald door de rollen die men in het leven vervult
Ø Effec=eve interven=es:
Ø Vier belangrijkste transi=es:
§ Gebaseerd op theore=sch onderbouwde strategieën
§ Verlies partner: reorganisa=e van netwerk (lukt beter bij vrouwen)
§ Gebruiken ervaringen van eerdere interven=es
§ Grootouderschap: uitbreiding van netwerk
§ Langere duur en intensief
§ Verhuizing: verplaatsing van netwerk
§ Gericht op specifieke doelgroep