Menselijk gedrag:
alles wat mensen doen of juist niet doen.
optelsom van alle gevoelens, gedachten, waarnemingen, meningen en bewegingen.
alles wat mensen denken, vinden en voelen.
Psychologie:
Verklaren van (vreemd) gedrag en hoe kun je gedrag veranderen of beïnvloeden.
Sociologie:
Mensen in groepsverband en wederzijdse beïnvloeding van mens en groep.
Pedagogiek:
Opvoedingsprocessen (sturen).
Belangrijke aspecten van het menselijk gedrag:
Motorisch aspect.
- lopen, springen, kruipen, schrijven of kralen rijgen.
- bewegingseigenschappen zoals uithoudingsvermogen of lenigheid.
- motorische ontwikkeling is onderdeel van de lichamelijke ontwikkeling.
Cognitief aspect.
- kennis, inzicht, geheugen, waarneming, concentratie.
- of wel; de verstandelijke ontwikkeling.
Sociaal – affectief aspect.
- hangt samen met de ontwikkeling van de persoonlijkheid of identiteit.
- sociale ontwikkeling verwijst naar de ontwikkeling van het sociale gedrag, de omgang met
anderen en de ontwikkeling van het spelgedrag.
- affectieve ontwikkeling verwijst naar emoties (bijv. opbouwen van vertrouwen en veiligheid
en om leren gaan met angst, jaloezie, liefde en teleurstelling).
Gedragsdeterminanten:
Factoren die ons gedrag verklaren.
Psychosociale factoren.
- opvoeding.
- gezinssituatie.
- sociale omgeving.
- omgevingsfactoren (maatschappelijke factoren/culturele factoren).
- fysieke omgeving: alles behalve mens en dier, zoals het gebouw waar je in leeft.
Aanlegfactoren.
- erfelijkheid.
- persoonlijkheid en temperament.
- wordt mede bepaald door je aanleg.
- van kleins af aan zijn er verschillen tussen kinderen.
- persoonlijkheid is mede bepalend voor het uiteindelijke gedrag.
Organische factoren.
- lichamelijke factoren (bijv. honger of dorst, uiterlijke verschijning, ziekte en beperkingen).
, - biochemische en hormonale processen (bijv. alcohol veroorzaakt andere biochemische
processen en daarmee ander gedrag).
Ontwikkelingspsychologie bestudeert het menselijk gedrag in alle levensfases.
Stromingen:
Behaviorisme:
- mensen leren van ervaringen en het gedrag is aan te leren.
- conditioneren: van ongeschreven blad naar gedrag.
- modelling: nadoen/spiegelen/identificeren.
- kinderen leren van: ouders, leidster KVD, onderwijzer.
- tieners-adolescenten leren van: vrienden en volwassenen.
- basisprincipe: straffen en belonen.
Cognitivisme:
- als reactie op het behaviorisme.
- principes:
- menselijk brein werkt als een computer.
- info gaat langs verschillende geheugens.
- brein heeft nieuwe kennis en ervaringen nodig.
- oefenen en herhalen van leerstof is belangrijk.
- begrijpen – inpassen – toepassen
- het geheugen:
- kort sensorisch geheugen:
-ontvangt alle indrukken.
- heel veel gaat naar de prullenbak.
- wat je aandacht trekt…
- korte termijn geheugen:
- het kladblok.
- lange termijn geheugen:
- voor belangrijke informatie.
- opslag.
- uitganspunt: je denkt pas na als je nieuwe kennis van buitenaf krijgt.
Constructivisme:
- gaat verder dan behaviorisme en cognitivisme.
- kinderen leren het beste door hen leerstof aan te bieden die net even verder gaat dan dat
ze al weten.
- ervarginsgericht leren.
- taal is belangrijk.
- een kind zal zich uitdrukken en vragen stellen.
- door taal kan het kind ontwerpen en kennis onderverdelen.
Pedagogische stromingen:
autoritair: éénrichtingsverkeer.
laissez-faire: laat maar gaan, ingrijpen als het echt moet.
democratisch: de gulden middenweg.