Hoofdstuk 3
3.1 Algemene omschrijving.
Schizofrenie is een ernstige ziekte van de hersenen, waardoor het denken, de emoties en het gedrag
ernstig verstoord kunnen raken. Meestal doen de eerste verschijnselen van de ziekte zich voor in de
leeftijd van 16 tot 26 jaar. De ziekteverschijnselen worden onderscheiden in twee soorten
symptomen:
De psychotische of positieve symptomen.
Deze symptomen worden positief genoemd, omdat er als gevolg van de ziekte nieuw gedrag
ontstaat. Schizofrenie kenmerkt zich door het optreden van psychoses, waarbij vooral het
denken en het waarnemen zijn verstoord. Iemand die psychotisch is verlies de greep op zijn
innerlijk. Dit noem je desintegratie van de persoonlijkheid. Dat wil zeggen dat de samenhang
van gedachten, gevoelens en verlangens binnen de persoonlijkheid verloren gaat.
Zorgvragers met schizofrenie hebben waarnemingen en gedachten die niet in
overeenstemming zijn met de werkelijkheid, en die ook niet gecorrigeerd kunnen worden.
Dit wordt stoornis in de realiteitstoetsing genoemd.
Stoornissen in het denken:
- Inhoudelijke denkstoornissen.
Als iemand in een schizofrene psychose wanen heeft, is er sprake van een stoornis in het
denken. Het gaat bij wanen om de inhoud van het denken. Er zijn bij schizofrenie bepaalde
onderwerpen die als typerend worden beschouwd. Een onderwerp is een buitenwereld die
als vijandig ervaren wordt en die de eigen intieme binnenwereld binnendringt. De ervaring
dat de eigen gedachten gevoelens of handelingen bepaald worden door krachten die buiten
de persoon omgaan, zijn te typeren als beïnvloedingswanen. Dit kan ook andersom zo zijn.
Dat hij of zij door zijn gedachten gebeurtenissen in de buitenwereld kan beïnvloeden.
Bij schizofrenie komen wanen met een paranoïde karakter veel voor. Daarbij voelt de
zorgvrager zich bedreigd of achtervolgd.
- Formele denkstoornissen.
Hierbij is de organisatie van het denkproces verstoord. Het denkproces kan chaotisch, te snel
of te langzaam verlopen.
Chaotisch: onsamenhangend en verward, vreemde associaties, onlogische verbanden. Soms
zelfverzonnen woorden (neologismen).
Langzaam of te snel: niet-concrete, vage, wijdlopige verhalen. Moeite draad van het verhaal
vast te houden.
Stoornissen in de waarneming:
Als iemand hallucinaties heeft, is er sprake van een stoornis in de waarneming. De meest
voorkomende hallucinaties bij schizofrenie is het horen van stemmen. Gevoelshallucinaties
komen minder vaak voor. Reuk- en smaakhallucinaties zijn nog zeldzamer.
De belangrijkste positieve symptomen op een rij:
Denkbeelden. (wanen)
Chaotisch denken.
Vreemde associaties en onlogische verbanden..
Neologismen (zelfverzonnen woorden).
Waarnemingen die er niet zijn. (hallucinaties)
Weinig of niet meer slapen.
Sterke verandering van het sociaal gedrag.
De negatieve symptomen.
Wanneer de positieve symptomen minder worden, treden de negatieve symptomen meer op
de voorgrond of nemen de overhand. Dit wordt zo genoemd, omdat er als gevolg van de
ziekte gedrag ontbreekt. Het gaat hierbij om gedrag als:
De behoefte hebben om zichzelf te verzorgen.
, Iets leuks willen doen.
Initiatief nemen.
Contacten leggen.
Activiteiten ontplooien.
Gevoel ergens bij hebben en de bijbehorende emoties tonen (emotionele
vervlakking).
Negatieve symptomen zijn lastiger om te behandelen. Het meest karakteristieke
negatieve symptoom is de affectieve vervlakking. De emotionele reacties van de
zorgvrager zijn verminderd of verdwenen.
De belangrijkste negatieve symptomen op een rij:
Minder heftige, juist vlakke emoties (emotionele vervlakking).
Somer en uitgeblust zijn (neerslachtige buien).
Zich afzonderen (sociaal isolement).
Minder energie en initiatiefverlies (passiviteit).
Soms sterk verminderde aandacht en concentratie.
Verlies van interesse (apathie).
Zich leeg voelen en minder tot geen belangstelling voor de omgeving hebben
(affectieve vervlakking).
Zichzelf slecht verzorgen of zelfs verwaarlozen.
Enorm snel moe, veel op bed liggen.
3.2 Oorzaken.
De oorzaak is niet precies bekend. De ontwikkeling van de stoornis is te wijten aan een ingewikkeld
samenspel van biologische en psychosociale factoren die allen een bijdrage leveren aan het ontstaan
van de ziekte.
Biologische factoren.
Onderzoekers gaan ervan uit dat er sprake is van een genetisch bepaalde aanleg. Het kan ook zijn dat
er iets mis is gegaan in de ontwikkeling van de hersenen, waardoor deze extra kwetsbaar zijn voor
deze ziekte. Ook kan het zijn dat gebeurtenissen tijdens de zwangerschap of bevalling ervoor gezorgd
heeft dat er afwijkingen in de hersenstructuren ontstaan. Denk aan gebeurtenissen als:
- Blootstelling aan het griepvirus voor de bevalling.
- Zuurstofgebrek tijdens de bevalling.
- Een laag geboortegewicht als gevolg van een rokende moeder.
Erfelijkheid speelt in ieder geval een rol bij het ontstaan van schizofrenie. Het evenwicht van
bepaalde chemische stoffen in de hersenen is ook van invloed op het optreden van schizofrenie.
Neurotransmitters zijn deze chemische stoffen. Zij zorgen voor de informatieoverdracht en zijn
essentieel voor de meeste hersenfuncties. Het lijkt erop dat dopamine in bepaalde hersengebieden
bij deze ziekte overactief is en in andere gebieden juist weinig werkt. Dit lijkt verband te houden met
de psychotische symptomen. De verminderde activiteit lijkt verantwoordelijk voor negatieve
symptomen. De genetische gevoeligheid voor het ontwikkelen van schizofrenie en de eventuele
afwijkingen in de hersenstructuren noemt men de biologische kwetsbaarheid. Een veronderstelling
over het ontwikkelen van de ziekte is dat psychosociale stressfactoren de ziekte kunnen uitlokken
wanneer iemand een bepaalde biologische kwetsbaarheid heeft. Dit wordt het
kwetsbaarheidsstressmodel genoemd. Voorbeelden van stressfactoren:
- Overlijden van ouder of grootouder.
- Scheiding van ouders of de persoon zelf.
- Ontslag krijgen.
- Verhuizen.
Psychologische factoren.
Mensen met schizofrenie hebben problemen bij de verwerking van prikkels die snel of tegelijkertijd
op hen afkomen, waarbij ze weinig tijd hebben op beslissingen te nemen en te reageren. Het lijkt
alsof er onvoldoende bescherming is tegen alle zintuigelijke indrukken die op hen afkomen. Dit leidt
, tot concentratiestoornissen en snelle vermoeidheid. Net als erfelijkheid zeggen deze cognitieve
stoornissen iets over de kwetsbaarheid voor schizofrenie.
Sociale factoren.
Mensen met schizofrenie zijn erg gevoelig voor spanningsvolle situaties en onverwachte, emotionele
gebeurtenissen. Met name de omgeving is bepalend voor de mate van stress die zij ervaren. Het
stellen van te hoge eisen aan het sociale functioneren of het ontbreken van veiligheid, bescherming
en sociale steun ervaren zij als bedreigend en spanningsvol. Sociale stressfactoren kunnen aanleiding
zijn tot een psychotische periode.
3.3 Behandeling.
Dit bestaat uit een samenhangend geheel van biologische en psychosociale interventies. De
belangrijkste biologische behandeling vormt de medicamenteuze therapie, die is gericht op de
bestrijding van de psychotische symptomen. Onder psychosociale behandelingen vallen individuele
psychotherapie en psycho-educatie.
Biologische behandeling.
Antipsychotica zijn de belangrijkste medicijnen bij de behandeling van schizofrenie. Ook wel
neuroleptica genoemd. De effecten zijn onder andere:
Vermindering van hallucinaties en wanen of zelfs verdwijning ervan.
Kalmerende werking, waardoor angst, opwinding of agressie kunnen verminderen.
Gunstige uitwerking op de sociale vermogens van mensen met schizofrenie die sterk in
zichzelf gekeerd zijn en contacten met anderen uit de weg gaan.
Het gebruik hiervan is belangrijk om een psychotische periode (recidief) te voorkomen.
Onderscheid kan gemaakt worden:
Klassieke of typische antipsychotica.
Deze verlagen een gehalte aan dopamine in bepaalde hersengebieden. Deze hebben dus een
invloed op de positieve verschijnselen van psychosen. Een nadeel zijn de Parkinson-achtige
bijwerkingen door blokkade van dopamine en de hormonale bijwerkingen. Voorbeelden:
Anatensol, Haldol, Semap en Trilafon.
Nieuwere of atypische antipsychotica.
Deze hebben een invloed op zowel positieve als negatieve verschijnselen van de psychose. Ze
veroorzaken daarnaast geen of minder Parkinson-achtige bijwerkingen en ze kunnen ook
denkstoornissen en cognitieve symptomen verbeteren of opheffen.
Voorbeelden: Clozapine, olanzapine, quetiapine, risperidon, aripiprazole.
Toedieningsvormen antipsychotica.
Kunnen in de vorm van pillen, dispers (fijn verdeeld) of druppels worden ingenomen, of door een
injectie in de spier worden toegediend. Depotmedicatie is een injectie met een langdurige werking,
die om de een tot vier weken gegeven kan worden. Voordeel is dat men er zeker van is dat de
medicatie wordt gebruikt.
Bijwerkingen antipsychotica.
- Spierkrampen (dystonie).
Vooral in het begin, met name in het gezicht of in de nek. Soms praat iemand met een dikke tong.
- Parkinsonisme.
Het hebben van stijve spieren, bewegingsarmoede (verminderde mimiek en weinig meebewegen van
de armen bij het lopen), trillende handen (tremor) en speekselvloed.
- Bewegingsdrang (acathisie).
Een gevoel van onrust en sterke neiging om te bewegen.
- Tardieve dyskinesieën.
3.1 Algemene omschrijving.
Schizofrenie is een ernstige ziekte van de hersenen, waardoor het denken, de emoties en het gedrag
ernstig verstoord kunnen raken. Meestal doen de eerste verschijnselen van de ziekte zich voor in de
leeftijd van 16 tot 26 jaar. De ziekteverschijnselen worden onderscheiden in twee soorten
symptomen:
De psychotische of positieve symptomen.
Deze symptomen worden positief genoemd, omdat er als gevolg van de ziekte nieuw gedrag
ontstaat. Schizofrenie kenmerkt zich door het optreden van psychoses, waarbij vooral het
denken en het waarnemen zijn verstoord. Iemand die psychotisch is verlies de greep op zijn
innerlijk. Dit noem je desintegratie van de persoonlijkheid. Dat wil zeggen dat de samenhang
van gedachten, gevoelens en verlangens binnen de persoonlijkheid verloren gaat.
Zorgvragers met schizofrenie hebben waarnemingen en gedachten die niet in
overeenstemming zijn met de werkelijkheid, en die ook niet gecorrigeerd kunnen worden.
Dit wordt stoornis in de realiteitstoetsing genoemd.
Stoornissen in het denken:
- Inhoudelijke denkstoornissen.
Als iemand in een schizofrene psychose wanen heeft, is er sprake van een stoornis in het
denken. Het gaat bij wanen om de inhoud van het denken. Er zijn bij schizofrenie bepaalde
onderwerpen die als typerend worden beschouwd. Een onderwerp is een buitenwereld die
als vijandig ervaren wordt en die de eigen intieme binnenwereld binnendringt. De ervaring
dat de eigen gedachten gevoelens of handelingen bepaald worden door krachten die buiten
de persoon omgaan, zijn te typeren als beïnvloedingswanen. Dit kan ook andersom zo zijn.
Dat hij of zij door zijn gedachten gebeurtenissen in de buitenwereld kan beïnvloeden.
Bij schizofrenie komen wanen met een paranoïde karakter veel voor. Daarbij voelt de
zorgvrager zich bedreigd of achtervolgd.
- Formele denkstoornissen.
Hierbij is de organisatie van het denkproces verstoord. Het denkproces kan chaotisch, te snel
of te langzaam verlopen.
Chaotisch: onsamenhangend en verward, vreemde associaties, onlogische verbanden. Soms
zelfverzonnen woorden (neologismen).
Langzaam of te snel: niet-concrete, vage, wijdlopige verhalen. Moeite draad van het verhaal
vast te houden.
Stoornissen in de waarneming:
Als iemand hallucinaties heeft, is er sprake van een stoornis in de waarneming. De meest
voorkomende hallucinaties bij schizofrenie is het horen van stemmen. Gevoelshallucinaties
komen minder vaak voor. Reuk- en smaakhallucinaties zijn nog zeldzamer.
De belangrijkste positieve symptomen op een rij:
Denkbeelden. (wanen)
Chaotisch denken.
Vreemde associaties en onlogische verbanden..
Neologismen (zelfverzonnen woorden).
Waarnemingen die er niet zijn. (hallucinaties)
Weinig of niet meer slapen.
Sterke verandering van het sociaal gedrag.
De negatieve symptomen.
Wanneer de positieve symptomen minder worden, treden de negatieve symptomen meer op
de voorgrond of nemen de overhand. Dit wordt zo genoemd, omdat er als gevolg van de
ziekte gedrag ontbreekt. Het gaat hierbij om gedrag als:
De behoefte hebben om zichzelf te verzorgen.
, Iets leuks willen doen.
Initiatief nemen.
Contacten leggen.
Activiteiten ontplooien.
Gevoel ergens bij hebben en de bijbehorende emoties tonen (emotionele
vervlakking).
Negatieve symptomen zijn lastiger om te behandelen. Het meest karakteristieke
negatieve symptoom is de affectieve vervlakking. De emotionele reacties van de
zorgvrager zijn verminderd of verdwenen.
De belangrijkste negatieve symptomen op een rij:
Minder heftige, juist vlakke emoties (emotionele vervlakking).
Somer en uitgeblust zijn (neerslachtige buien).
Zich afzonderen (sociaal isolement).
Minder energie en initiatiefverlies (passiviteit).
Soms sterk verminderde aandacht en concentratie.
Verlies van interesse (apathie).
Zich leeg voelen en minder tot geen belangstelling voor de omgeving hebben
(affectieve vervlakking).
Zichzelf slecht verzorgen of zelfs verwaarlozen.
Enorm snel moe, veel op bed liggen.
3.2 Oorzaken.
De oorzaak is niet precies bekend. De ontwikkeling van de stoornis is te wijten aan een ingewikkeld
samenspel van biologische en psychosociale factoren die allen een bijdrage leveren aan het ontstaan
van de ziekte.
Biologische factoren.
Onderzoekers gaan ervan uit dat er sprake is van een genetisch bepaalde aanleg. Het kan ook zijn dat
er iets mis is gegaan in de ontwikkeling van de hersenen, waardoor deze extra kwetsbaar zijn voor
deze ziekte. Ook kan het zijn dat gebeurtenissen tijdens de zwangerschap of bevalling ervoor gezorgd
heeft dat er afwijkingen in de hersenstructuren ontstaan. Denk aan gebeurtenissen als:
- Blootstelling aan het griepvirus voor de bevalling.
- Zuurstofgebrek tijdens de bevalling.
- Een laag geboortegewicht als gevolg van een rokende moeder.
Erfelijkheid speelt in ieder geval een rol bij het ontstaan van schizofrenie. Het evenwicht van
bepaalde chemische stoffen in de hersenen is ook van invloed op het optreden van schizofrenie.
Neurotransmitters zijn deze chemische stoffen. Zij zorgen voor de informatieoverdracht en zijn
essentieel voor de meeste hersenfuncties. Het lijkt erop dat dopamine in bepaalde hersengebieden
bij deze ziekte overactief is en in andere gebieden juist weinig werkt. Dit lijkt verband te houden met
de psychotische symptomen. De verminderde activiteit lijkt verantwoordelijk voor negatieve
symptomen. De genetische gevoeligheid voor het ontwikkelen van schizofrenie en de eventuele
afwijkingen in de hersenstructuren noemt men de biologische kwetsbaarheid. Een veronderstelling
over het ontwikkelen van de ziekte is dat psychosociale stressfactoren de ziekte kunnen uitlokken
wanneer iemand een bepaalde biologische kwetsbaarheid heeft. Dit wordt het
kwetsbaarheidsstressmodel genoemd. Voorbeelden van stressfactoren:
- Overlijden van ouder of grootouder.
- Scheiding van ouders of de persoon zelf.
- Ontslag krijgen.
- Verhuizen.
Psychologische factoren.
Mensen met schizofrenie hebben problemen bij de verwerking van prikkels die snel of tegelijkertijd
op hen afkomen, waarbij ze weinig tijd hebben op beslissingen te nemen en te reageren. Het lijkt
alsof er onvoldoende bescherming is tegen alle zintuigelijke indrukken die op hen afkomen. Dit leidt
, tot concentratiestoornissen en snelle vermoeidheid. Net als erfelijkheid zeggen deze cognitieve
stoornissen iets over de kwetsbaarheid voor schizofrenie.
Sociale factoren.
Mensen met schizofrenie zijn erg gevoelig voor spanningsvolle situaties en onverwachte, emotionele
gebeurtenissen. Met name de omgeving is bepalend voor de mate van stress die zij ervaren. Het
stellen van te hoge eisen aan het sociale functioneren of het ontbreken van veiligheid, bescherming
en sociale steun ervaren zij als bedreigend en spanningsvol. Sociale stressfactoren kunnen aanleiding
zijn tot een psychotische periode.
3.3 Behandeling.
Dit bestaat uit een samenhangend geheel van biologische en psychosociale interventies. De
belangrijkste biologische behandeling vormt de medicamenteuze therapie, die is gericht op de
bestrijding van de psychotische symptomen. Onder psychosociale behandelingen vallen individuele
psychotherapie en psycho-educatie.
Biologische behandeling.
Antipsychotica zijn de belangrijkste medicijnen bij de behandeling van schizofrenie. Ook wel
neuroleptica genoemd. De effecten zijn onder andere:
Vermindering van hallucinaties en wanen of zelfs verdwijning ervan.
Kalmerende werking, waardoor angst, opwinding of agressie kunnen verminderen.
Gunstige uitwerking op de sociale vermogens van mensen met schizofrenie die sterk in
zichzelf gekeerd zijn en contacten met anderen uit de weg gaan.
Het gebruik hiervan is belangrijk om een psychotische periode (recidief) te voorkomen.
Onderscheid kan gemaakt worden:
Klassieke of typische antipsychotica.
Deze verlagen een gehalte aan dopamine in bepaalde hersengebieden. Deze hebben dus een
invloed op de positieve verschijnselen van psychosen. Een nadeel zijn de Parkinson-achtige
bijwerkingen door blokkade van dopamine en de hormonale bijwerkingen. Voorbeelden:
Anatensol, Haldol, Semap en Trilafon.
Nieuwere of atypische antipsychotica.
Deze hebben een invloed op zowel positieve als negatieve verschijnselen van de psychose. Ze
veroorzaken daarnaast geen of minder Parkinson-achtige bijwerkingen en ze kunnen ook
denkstoornissen en cognitieve symptomen verbeteren of opheffen.
Voorbeelden: Clozapine, olanzapine, quetiapine, risperidon, aripiprazole.
Toedieningsvormen antipsychotica.
Kunnen in de vorm van pillen, dispers (fijn verdeeld) of druppels worden ingenomen, of door een
injectie in de spier worden toegediend. Depotmedicatie is een injectie met een langdurige werking,
die om de een tot vier weken gegeven kan worden. Voordeel is dat men er zeker van is dat de
medicatie wordt gebruikt.
Bijwerkingen antipsychotica.
- Spierkrampen (dystonie).
Vooral in het begin, met name in het gezicht of in de nek. Soms praat iemand met een dikke tong.
- Parkinsonisme.
Het hebben van stijve spieren, bewegingsarmoede (verminderde mimiek en weinig meebewegen van
de armen bij het lopen), trillende handen (tremor) en speekselvloed.
- Bewegingsdrang (acathisie).
Een gevoel van onrust en sterke neiging om te bewegen.
- Tardieve dyskinesieën.