Samenvatting Handboek Psychodiagnostiek voor de
hulpverlening aan kinderen en adolescenten.
DIAGNOSTIEK 2025/2026
Inhoud
H1: De plaats van psychodiagnostiek binnen het hulpverleningsproces.............1
H2: theoretische aspecten van de psychodiagnostiek........................................4
H3: praktische aspecten van psychodiagnostiek.................................................5
H4: Het psychodiagnostisch interview met ouders, kinderen en adolescenten...6
H5: Systematische gedragsobservatie als onderdeel van psychodiagnostiek.....7
H6: Achtergronden en gebruik van vragenlijsten voor emotionele en
gedragsproblemen.............................................................................................. 8
H7: Individueel testonderzoek bij kinderen.........................................................9
H8: Dossieranalyse en verslaglegging...............................................................10
H9: Onderzoek naar leervorderingen................................................................11
H10: Intelligentieonderzoek.............................................................................. 13
H11: Dynamisch testen van leervorderingen, ontwikkeling en intelligentie......15
H13: Taaldiagnostiek......................................................................................... 19
H14: Diagnostiek van het motorische functioneren..........................................21
H15: Diagnostiek van de sociaal-emotionele ontwikkeling................................23
H16: Diagnostiek van het kind binnen het gezin...............................................26
H17: Psychodiagnostiek van psychotrauma- en stressorgerelateerde
stoornissen bij kinderen en jongeren.................................................................31
H1: De plaats van psychodiagnostiek binnen het hulpverleningsproces
Regulatieve cyclus:
1. Probleem herkenning: op welke gebieden zijn er vragen en problemen en
op welke gebieden zijn er juist beschermende factoren en hulpbronnen?
2. Probleem definiëring: focus op het toetsen van de hypothese die In de
vorige fase werden gesteld. Gerichter onderzoek. Meer specifieke
instrumenten worden gebruikt dan de vorige fase. Meer betrokken die
skylines.
3. Kiezen van de interventie: interventieplan wordt opgesteld en is afhankelijk
van de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van het kind maar ook van
allerlei contextfactoren.
4. Planning: nu er een interventieplan is komen volgt een planningsfase
waarbij vooral de logistiek van de interventieplan centraal staat , zoals wie
doet wat In de interventie fase.
5. Uitvoeringinterventie. In deze fase worden de onderdelen van het
interventieplan uitgevoerd.
6. Eind evaluatie= de eindevaluatie na afronding van de interventie fase is
het onderzoek naar het effect dat is bereikt, naar de tevredenheid van het
, kind, de ouders en de andere betrokkenen daarover en over de
behandelrelatie en is het moment voor de reflectie van het team over het
gehele proces.
Begrippen:
- Diagnostiek: het op systematische wijze informatie verzamelen ordenen en
wegen ter onderbouwing van de volgende stap in het
hulpverleningsproces.
- Screening: een eerste niet diepgravend onderzoek van een hulpvraag en
haar context die een globale oordeelsvorming mogelijk maakt met
betrekking tot de aanwezige problemen en beschermende factoren, de
aard en de ernst van de situatie en de achtergronden van de hulpvraag.
- Assessment: het vaststellen of meten van de onderscheidende kenmerken
van het individu en zijn of haar situatie.
- Classificatie: het onderbrengen van individuele kenmerken bij een
algemeen bekend beeld, Zonder uitspraken te doen over oorzaken of
indicaties voor hulp.
- Gericht onderzoek: het toetsen van hypothese ten behoeve van een
specifieke vraag.
- Monitoring: onderzoek tijdens het uitvoeren van een interventie om het
verloop van de resultaten daarvan in beeld te brengen ten behoeve van
eventuele bijsturing.
- Evaluatie: onderzoeken met effect van een interventie te bepalen.
De therapeutische alliantie = de relatie tussen kind/ gezin en hulpverlener.
Cultuur binnen de psychodiagnostiek
- Omgang met culturele diversiteit: Cultuur dus van invloed op de wijze
waarop het kind en de ouders over hun zorgen communiceren en over wat
zij verwachten van de hulpverlener. Bij cultuur hoorden taal, religie en
spiritualiteit ,familiestructuur, levensfase, rituelen ,gewoonten, morele en
juridische opvattingen.
- In het onderstaande wordt besproken wat welke attitudes, kennis en
zelfkennis komen vaardigheden en technische inzichten van belang zijn om
als hulpverlener ‘intercultureel competent’ te werken.
1. Cultuur en kennis: kennis van verschillende culturen helpt te
voorkomen dat klachten ,zorgen en de beleving daarvan verkeerd
worden geïnterpreteerd.
2. Culturele competentie: Er is niet Alleen diversiteit tussen culturen maar
ook binnen eerdere cultuur als gevolg van interacties tussen cultuur en
factoren als leeftijd ,sekse en sekse identiteit , opleiding , welvaart ,
godsdienst en gezondheid.
Juridische verantwoordelijkheden: In de hulpverlening bestaan regels, vastgelegd
In de wet, bij de beroepsvereniging en soms ook bij de hulpverleningsorganisatie,
om de betrokkenen vooraf duidelijkheid te geven over hun rechten en plichten.
1. Toestemming voor hulpverlening: rechten en plichten voor betrokkenen
wordt beïnvloed door de leeftijd, de wilsbekwaamheid en de veiligheid van
het kind, hoe acute hulp is, of ouders verzachten hebben, over juridische
maatregelen zijn getroffen en de discipline en meldingsbevoegdheid van
de hulpverlener. Dit maakt de regels complex.
, a. Hulp aan kinderen onder de 12 jaar: om hulp te verlenen aan
kinderen onder de 12 jaar is op grond van de wet toestemming
nodig van beide gezagsdragendeouders.in acute situaties is
toestemming van beide ouders niet nodig wanneer goed
hulpverlenerschap vereist dat er toch hulp wordt geboden.
b. Hulp aan kinderen van 12 tot en met 15 jaar: als kinderen van 12 tot
en met 15 zichzelf aanmelden met een hulpvraag moeten de ouders
daarvan op de hoogte worden gesteld en als zij gezag dragen ook
toestemming verlenen.
c. Hulp aan kinderen van 16 jaar en ouder: voor jongeren van 16 jaar
en ouder die hulp voor zichzelf zoeken, is geen toestemming van de
ouders meer nodig mist die jongeren wilsbekwaam is.
d. Hulp wanneer ouders het onderling oneens zijn een: de noodzaak
om bij de gezagsdragende ouders toestemming te vragen, juist bij
conflicten, kan schrijnende situaties opleveren: mijn vader die zijn
kind heeft misbruikt kan in principe de hulpverlening aan dat kind de
blokkeren zolang hij mede zeggenschap over dat kind heeft.
e. Hulp en acute situaties, met ingrijpende en niet ingrijpende
handelingen: toestemming van de ouders of het kind voor een
behandeling is niet vereist in een acute situatie , waarin de
toestemming van de ouders niet kan worden afgewacht, Omdat
direct medisch ingrijpen nodig is om ernstig nadeel van het kind te
voorkomen.
f. Hulp wanneer slechts één ouder het kind opvoedt: ook al zijn er
ineens staande oude hulp vraagt voor een in nood verkerend kind, is
het noodzakelijk na te gaan of er nog een tweede gezagsdragende
ouder is winst toestemming vereist is dit kan via het gezagsregister
van de rechtbank, via de griffier in het arrondissement waar het kind
geboren is.
g. Hulp wanneer een ouder niet reageert op een verzoek tot
toestemming: als een ouder niet te bereiken is of toestemming
weigert, kan de ouder met gezag die graag heel veel op wenst
vervangende toestemming vragen aan de rechter.
h. Hulp wanneer een ouder weigert en er, wel of niet acuut, ernstige
schade dreigt: Wanneer de hulpverlener meent er sprake is van
ernstige schade voor het kind wanneer het hulp onthouden wordt,
kan hij de Raad voor de Kinderbescherming vragen de noodzaak van
een ondertoezichtstelling te onderzoeken.
i. Conclusie: Het is zaak de verantwoordelijkheden van betrokkenen bij
aanvang van psychodiagnostiek Helder te krijgen, om te voorkomen
dat belangen geschaad worden aan de wet overtreden wordt. Het
uitgangspunt daarbij is dat beide ouders in principe toestemming
moeten verlenen voor diagnostiek en hulpverlening, Maar dat bij
een kind van 12 tot 16 jaar 10 stemden doorslag geeft en vanaf 16
jaar Alleen dien stem voldoende is.
2. Toestemming via school of instelling: veel hulpverleners werken binnen
een instelling, bijvoorbeeld een school of jeugdzorginstelling. Vaak wordt
aangenomen dat de ouders toestemming hebben gegeven voor alle
vormen van psychodiagnostiek onderzoek die de aanmelding of plaatsing
met zich meebrengt. Van die vorm van toestemming kan Alleen sprake zijn
, als ouders daar over geïnformeerd zijn en er expliciet mee akkoord zijn
gegaan.
H2: theoretische aspecten van de psychodiagnostiek
- Disciplines en theorieën In de psychodiagnostiek: bij het
psychodiagnostisch proces en veelal meerdere disciplines betrokken:
1. De discipline van de psychiatrie: deze is van oorsprong gereefd op het
onderkennen van psychopathologie.
2. De discipline van de ontwikkelingspsychologie: Grote belangstelling
voor het verloop van de ontwikkeling van kinderen.
3. De discipline van de orthopedagogiek: de toegenomen belangstelling
voor de ontwikkeling van kinderen was onderdeel van een bredere
maatschappelijke ontwikkeling: er kwam meer aandacht voor
opvoeding en onderwijs, met name voor kwetsbare kinderen met
kwetsbare gezinnen.
4. De psychodynamische theorie een: de psychodynamische theorie is
door Sigmund Freud. In deze theorie wordt vooronderstelt dat
problemen uit de vroege kinderjaren een belangrijke rol kunnen spelen
in het ontstaan van latere problematiek een psychodynamische
psychodiagnostiek heeft een structurele en een dynamische
component. ID, EGO, SUPEREGO
5. dan gehechtheidstheorie: geef tijd wordt gedefinieerd Als de duurzame
affectieve relatie tussen een kind en zijn of haar opvoeders. Deze
relatie speelt de centrale rollende vegetarische theorie van John
Bowlby. Sensitiviteit komt maar responsiviteit, om veilige hechting.
6. De leertheorie: de leertheorie gaat ervanuit dat probleemgedrag zowel
ontlokt kan worden door bepaalde eraan voorafgaande stimuli als
bekrachtigd kan worden door erop volgende stimuli (consequenties).
Bekrachtiging.
7. De systeemtheorie:
a. De ecologische theorie: promovendo renners ecologische model.
b. Gezinstherapeutische theorieën: structurele gezinstherapie van
Minuchin. Het gezin is in deze theorie een zichzelf organiserend
een steeds veranderend systeem , met een hiërarchie,
subsystemen (ouders en kinderen) en partiële systemen
(bijvoorbeeld vader zo een relatie).
8. Integrerende modellen: In de praktijk maakt iedere hulpverlener vanuit
zijn of haar discipline een persoonlijke keuze uit deze bovenstaande
theorieën. De besproken theorieën zijn niet strikt gebonden aan een
bepaalde discipline maar om dit toch Samen te kunnen werken zijn
overkoepelende integrerende modellen handzaam:
a. het biopsychosociale model: op iedere leeftijd wordt individueel
gaat eraf bepaald door een veelheid aan factoren op lichamelijk ,
psychisch en sociaal gebied. Deze visie wordt aangeduid Als het
psychosociale model. Lichamelijke psychische en sociale factoren
interacteren met elkaar. Allereerst op het niveau van een
individu.
b. Het balansmodel: het balansmodel werd ontwikkeld om op
systematische wijze aandacht te kunnen geven aan de balans
tussen draaglast en draagkracht. Traag glas wordt gevormd door
hulpverlening aan kinderen en adolescenten.
DIAGNOSTIEK 2025/2026
Inhoud
H1: De plaats van psychodiagnostiek binnen het hulpverleningsproces.............1
H2: theoretische aspecten van de psychodiagnostiek........................................4
H3: praktische aspecten van psychodiagnostiek.................................................5
H4: Het psychodiagnostisch interview met ouders, kinderen en adolescenten...6
H5: Systematische gedragsobservatie als onderdeel van psychodiagnostiek.....7
H6: Achtergronden en gebruik van vragenlijsten voor emotionele en
gedragsproblemen.............................................................................................. 8
H7: Individueel testonderzoek bij kinderen.........................................................9
H8: Dossieranalyse en verslaglegging...............................................................10
H9: Onderzoek naar leervorderingen................................................................11
H10: Intelligentieonderzoek.............................................................................. 13
H11: Dynamisch testen van leervorderingen, ontwikkeling en intelligentie......15
H13: Taaldiagnostiek......................................................................................... 19
H14: Diagnostiek van het motorische functioneren..........................................21
H15: Diagnostiek van de sociaal-emotionele ontwikkeling................................23
H16: Diagnostiek van het kind binnen het gezin...............................................26
H17: Psychodiagnostiek van psychotrauma- en stressorgerelateerde
stoornissen bij kinderen en jongeren.................................................................31
H1: De plaats van psychodiagnostiek binnen het hulpverleningsproces
Regulatieve cyclus:
1. Probleem herkenning: op welke gebieden zijn er vragen en problemen en
op welke gebieden zijn er juist beschermende factoren en hulpbronnen?
2. Probleem definiëring: focus op het toetsen van de hypothese die In de
vorige fase werden gesteld. Gerichter onderzoek. Meer specifieke
instrumenten worden gebruikt dan de vorige fase. Meer betrokken die
skylines.
3. Kiezen van de interventie: interventieplan wordt opgesteld en is afhankelijk
van de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van het kind maar ook van
allerlei contextfactoren.
4. Planning: nu er een interventieplan is komen volgt een planningsfase
waarbij vooral de logistiek van de interventieplan centraal staat , zoals wie
doet wat In de interventie fase.
5. Uitvoeringinterventie. In deze fase worden de onderdelen van het
interventieplan uitgevoerd.
6. Eind evaluatie= de eindevaluatie na afronding van de interventie fase is
het onderzoek naar het effect dat is bereikt, naar de tevredenheid van het
, kind, de ouders en de andere betrokkenen daarover en over de
behandelrelatie en is het moment voor de reflectie van het team over het
gehele proces.
Begrippen:
- Diagnostiek: het op systematische wijze informatie verzamelen ordenen en
wegen ter onderbouwing van de volgende stap in het
hulpverleningsproces.
- Screening: een eerste niet diepgravend onderzoek van een hulpvraag en
haar context die een globale oordeelsvorming mogelijk maakt met
betrekking tot de aanwezige problemen en beschermende factoren, de
aard en de ernst van de situatie en de achtergronden van de hulpvraag.
- Assessment: het vaststellen of meten van de onderscheidende kenmerken
van het individu en zijn of haar situatie.
- Classificatie: het onderbrengen van individuele kenmerken bij een
algemeen bekend beeld, Zonder uitspraken te doen over oorzaken of
indicaties voor hulp.
- Gericht onderzoek: het toetsen van hypothese ten behoeve van een
specifieke vraag.
- Monitoring: onderzoek tijdens het uitvoeren van een interventie om het
verloop van de resultaten daarvan in beeld te brengen ten behoeve van
eventuele bijsturing.
- Evaluatie: onderzoeken met effect van een interventie te bepalen.
De therapeutische alliantie = de relatie tussen kind/ gezin en hulpverlener.
Cultuur binnen de psychodiagnostiek
- Omgang met culturele diversiteit: Cultuur dus van invloed op de wijze
waarop het kind en de ouders over hun zorgen communiceren en over wat
zij verwachten van de hulpverlener. Bij cultuur hoorden taal, religie en
spiritualiteit ,familiestructuur, levensfase, rituelen ,gewoonten, morele en
juridische opvattingen.
- In het onderstaande wordt besproken wat welke attitudes, kennis en
zelfkennis komen vaardigheden en technische inzichten van belang zijn om
als hulpverlener ‘intercultureel competent’ te werken.
1. Cultuur en kennis: kennis van verschillende culturen helpt te
voorkomen dat klachten ,zorgen en de beleving daarvan verkeerd
worden geïnterpreteerd.
2. Culturele competentie: Er is niet Alleen diversiteit tussen culturen maar
ook binnen eerdere cultuur als gevolg van interacties tussen cultuur en
factoren als leeftijd ,sekse en sekse identiteit , opleiding , welvaart ,
godsdienst en gezondheid.
Juridische verantwoordelijkheden: In de hulpverlening bestaan regels, vastgelegd
In de wet, bij de beroepsvereniging en soms ook bij de hulpverleningsorganisatie,
om de betrokkenen vooraf duidelijkheid te geven over hun rechten en plichten.
1. Toestemming voor hulpverlening: rechten en plichten voor betrokkenen
wordt beïnvloed door de leeftijd, de wilsbekwaamheid en de veiligheid van
het kind, hoe acute hulp is, of ouders verzachten hebben, over juridische
maatregelen zijn getroffen en de discipline en meldingsbevoegdheid van
de hulpverlener. Dit maakt de regels complex.
, a. Hulp aan kinderen onder de 12 jaar: om hulp te verlenen aan
kinderen onder de 12 jaar is op grond van de wet toestemming
nodig van beide gezagsdragendeouders.in acute situaties is
toestemming van beide ouders niet nodig wanneer goed
hulpverlenerschap vereist dat er toch hulp wordt geboden.
b. Hulp aan kinderen van 12 tot en met 15 jaar: als kinderen van 12 tot
en met 15 zichzelf aanmelden met een hulpvraag moeten de ouders
daarvan op de hoogte worden gesteld en als zij gezag dragen ook
toestemming verlenen.
c. Hulp aan kinderen van 16 jaar en ouder: voor jongeren van 16 jaar
en ouder die hulp voor zichzelf zoeken, is geen toestemming van de
ouders meer nodig mist die jongeren wilsbekwaam is.
d. Hulp wanneer ouders het onderling oneens zijn een: de noodzaak
om bij de gezagsdragende ouders toestemming te vragen, juist bij
conflicten, kan schrijnende situaties opleveren: mijn vader die zijn
kind heeft misbruikt kan in principe de hulpverlening aan dat kind de
blokkeren zolang hij mede zeggenschap over dat kind heeft.
e. Hulp en acute situaties, met ingrijpende en niet ingrijpende
handelingen: toestemming van de ouders of het kind voor een
behandeling is niet vereist in een acute situatie , waarin de
toestemming van de ouders niet kan worden afgewacht, Omdat
direct medisch ingrijpen nodig is om ernstig nadeel van het kind te
voorkomen.
f. Hulp wanneer slechts één ouder het kind opvoedt: ook al zijn er
ineens staande oude hulp vraagt voor een in nood verkerend kind, is
het noodzakelijk na te gaan of er nog een tweede gezagsdragende
ouder is winst toestemming vereist is dit kan via het gezagsregister
van de rechtbank, via de griffier in het arrondissement waar het kind
geboren is.
g. Hulp wanneer een ouder niet reageert op een verzoek tot
toestemming: als een ouder niet te bereiken is of toestemming
weigert, kan de ouder met gezag die graag heel veel op wenst
vervangende toestemming vragen aan de rechter.
h. Hulp wanneer een ouder weigert en er, wel of niet acuut, ernstige
schade dreigt: Wanneer de hulpverlener meent er sprake is van
ernstige schade voor het kind wanneer het hulp onthouden wordt,
kan hij de Raad voor de Kinderbescherming vragen de noodzaak van
een ondertoezichtstelling te onderzoeken.
i. Conclusie: Het is zaak de verantwoordelijkheden van betrokkenen bij
aanvang van psychodiagnostiek Helder te krijgen, om te voorkomen
dat belangen geschaad worden aan de wet overtreden wordt. Het
uitgangspunt daarbij is dat beide ouders in principe toestemming
moeten verlenen voor diagnostiek en hulpverlening, Maar dat bij
een kind van 12 tot 16 jaar 10 stemden doorslag geeft en vanaf 16
jaar Alleen dien stem voldoende is.
2. Toestemming via school of instelling: veel hulpverleners werken binnen
een instelling, bijvoorbeeld een school of jeugdzorginstelling. Vaak wordt
aangenomen dat de ouders toestemming hebben gegeven voor alle
vormen van psychodiagnostiek onderzoek die de aanmelding of plaatsing
met zich meebrengt. Van die vorm van toestemming kan Alleen sprake zijn
, als ouders daar over geïnformeerd zijn en er expliciet mee akkoord zijn
gegaan.
H2: theoretische aspecten van de psychodiagnostiek
- Disciplines en theorieën In de psychodiagnostiek: bij het
psychodiagnostisch proces en veelal meerdere disciplines betrokken:
1. De discipline van de psychiatrie: deze is van oorsprong gereefd op het
onderkennen van psychopathologie.
2. De discipline van de ontwikkelingspsychologie: Grote belangstelling
voor het verloop van de ontwikkeling van kinderen.
3. De discipline van de orthopedagogiek: de toegenomen belangstelling
voor de ontwikkeling van kinderen was onderdeel van een bredere
maatschappelijke ontwikkeling: er kwam meer aandacht voor
opvoeding en onderwijs, met name voor kwetsbare kinderen met
kwetsbare gezinnen.
4. De psychodynamische theorie een: de psychodynamische theorie is
door Sigmund Freud. In deze theorie wordt vooronderstelt dat
problemen uit de vroege kinderjaren een belangrijke rol kunnen spelen
in het ontstaan van latere problematiek een psychodynamische
psychodiagnostiek heeft een structurele en een dynamische
component. ID, EGO, SUPEREGO
5. dan gehechtheidstheorie: geef tijd wordt gedefinieerd Als de duurzame
affectieve relatie tussen een kind en zijn of haar opvoeders. Deze
relatie speelt de centrale rollende vegetarische theorie van John
Bowlby. Sensitiviteit komt maar responsiviteit, om veilige hechting.
6. De leertheorie: de leertheorie gaat ervanuit dat probleemgedrag zowel
ontlokt kan worden door bepaalde eraan voorafgaande stimuli als
bekrachtigd kan worden door erop volgende stimuli (consequenties).
Bekrachtiging.
7. De systeemtheorie:
a. De ecologische theorie: promovendo renners ecologische model.
b. Gezinstherapeutische theorieën: structurele gezinstherapie van
Minuchin. Het gezin is in deze theorie een zichzelf organiserend
een steeds veranderend systeem , met een hiërarchie,
subsystemen (ouders en kinderen) en partiële systemen
(bijvoorbeeld vader zo een relatie).
8. Integrerende modellen: In de praktijk maakt iedere hulpverlener vanuit
zijn of haar discipline een persoonlijke keuze uit deze bovenstaande
theorieën. De besproken theorieën zijn niet strikt gebonden aan een
bepaalde discipline maar om dit toch Samen te kunnen werken zijn
overkoepelende integrerende modellen handzaam:
a. het biopsychosociale model: op iedere leeftijd wordt individueel
gaat eraf bepaald door een veelheid aan factoren op lichamelijk ,
psychisch en sociaal gebied. Deze visie wordt aangeduid Als het
psychosociale model. Lichamelijke psychische en sociale factoren
interacteren met elkaar. Allereerst op het niveau van een
individu.
b. Het balansmodel: het balansmodel werd ontwikkeld om op
systematische wijze aandacht te kunnen geven aan de balans
tussen draaglast en draagkracht. Traag glas wordt gevormd door