Introductie
Analysing everyday social life: starbucks
Karl Marx (18-18-1883): figuur in analyse van moderne kapitalisme met de
focus aan economische ongelijkheid en uitbuiting van arbeiders naar de
beweging van vakbonden.
De drang naar de hoogst mogelijke winst van werkgevers en bedrijven versterkt
de sociaaleconomische ongelijkheid en dit is een onderdeel van kapitalisme.
De competitieve aard van kapitalisme en economie zorgt dat deze sfeer niet veel
verschilt per plek dat je werkt. Door globalisering ontstaat er een verhoging van
competitie in de arbeid door meer werknemers die beschikbaar zijn
(immigranten).
Kritische theoristen: de ideologie van vrijheid, gebruikt om te verwijzen
politieke vrijheid en democratie. Consumptie word in de moderne tijd laten zien
als vrijheid en een luxe lifestyle. Vooral de arbeiders voelen zich aangetrokken tot
consumptie zonder realisatie tot de groeiende ongelijkheid van het kapitalistische
systeem.
Max Weber (1864-1920): moderne kapitalisme, oriënteerde de wijde spectrum
van krachten die sociaal gedrag aansturen en de verschillende subjectieve
motivaties en betekenissen die ervoor zorgen dat sociale actoren zich gedragen
zoals ze doen. Hij benadrukt het belang van strategische kosten-
batenafwegingen of instrumentele belangen. Ongelijkheid ontstaat niet alleen
door economische bronnen maar ook de lifestyle en sociale status.
Moderne theoristen: groepen strijden in democratische samenlevingen voor
grotere erkenning voor hun eigen agenda’s. Alle kleine bindingen die mensen
met elkaar hebben helpen individuen.
Waardes/toewijding aan familie die mensen hebben leiden sociale handelingen.
In de VS heerst er een individualistische cultuur waardoor mensen minder snel
zich bij vakbonden aansluiten, dit vergroot armoede door de onafhankelijkheid
van mensen in de VS.
Verschillende groepen verkrijgen verschillende gewoontes dat laten zien in welke
sociale klasse ze zich bevinden.
Robert merton: samenlevingen creëren deviantie (afwijkend gedrag) door
culturele doelen en het verschil in toegankelijkheid hiervoor (consumptie
lifestyle) en toegang tot hoge scholing.
Durkeim: deviantie is normaal, omdat het in alle samenlevingen bestaat, te zien
door misdaad. Teveel deviantie is slecht voor de sociale orde en cohesie in een
samenleving. Sociale onderlinge afhankelijkheid is belangrijk voor een
goedwerkende sociale orde. Brede maatschappelijke invloeden binden
individuen/groepen/instituten samen om onderlinge afhankelijkheid te creëren
zodat sociale orde vasthoud. Sociale normen bestaan door de samenleving, en
worden gebruikt om de onderlinge afhankelijkheid van sociale relaties te
bevestigen en te versterken.
Rationele keus theoretici: we beoordelen wat we krijgen en geven op de basis
van oplevering voor onszelf.
fenomenologische traditie (Observatie studie): algemene kennis is belangrijk
in het definieren van sociale realiteiten.
,Feministische perspectieve in de ‘man made world’ worden vaak op neergekeken.
Deze perspectieven passen niet bij de historische perspectieve in de sociologie.
Vrouwen moeten vaak meer werk of moeite doen door dubbele standaarden, dit
geld ook voor andere minderheden. De salaris van vrouwen worden vaker
bestraft. Er bestaat ook een sociale orde tussen vrouwen en mannen, wanneer dit
verbroken word ontstaat er vaak negativiteit om ze terug op hun plaats te zetten.
Michel Foucalt: ziet het lichaam als doelgerichte object van discipline en sociale
controle. Sociale instituten hebben aan de hand van ‘regels’ ons seksualiteit als
normaal laten zien.
Immersion in theory
Theoretici besteden hun aandacht aan verschillende aspecten van de
samenleving, vaak ontstaat er wel overlapping zoals sociaal economische
ongelijkheid.
Sociologie focust op hoe macro, grootschalige, sociale structuren (kapitalisme) en
gender/politieke/discriminatie structuren de sociale omgeving vormt en hoe deze
kansen en keuzes van individuen/ groepen bepalen. Hoe dit interacties en acties
van mensen beïnvloed.
Sociologen kijken ook naar ‘micro dynamics’ van persoonlijke ervaringen en hoe
sociale interactie er uit ziet in verschillende contexten van het dagelijks leven.
Sociale instituten hebben een grote invloed op individuen, groepen, organisaties
en gemeenschappelijke gedragingen maar ook op culturen. De invloed die
individuen, zowel persoonlijk als collectief, uitoefenen om sociale structuren en
processen aan te passen, creatief te weerstaan en te transformeren. zijn zich ook
sterk bewust van de spanning die onvermijdelijk bestaat tussen individuele
vrijheid en structurele en culturele beperkingen.
Classical and contemporary theory
Klassieke theorie: Karl Marx, Max Weber, Emile Durkeim de basis van
sociologie.
Hedendaagse theorie (1940-1970): is meer open afgesloten, ze zijn nogsteeds
relevant in de samenleving van nu.
Societal transformation and the origins of sociology
Sociologie sinds de 19e eeuw. Het is niet eerder ontstaan omdat vroeger macht
uit natuurlijke krachten kwam, hierdoor ontstond sociologie rond de tijd van de
verlichting. Door de industriële revolutie kwam er een verandering in bijvoorbeeld
stemrecht etc en sociaal economische indelingen. Voorbeelden hiervan zijn de
Franse revolutie en de Amerikaanse onafhankelijkheid oorlog.
Individu en Maatschappij
Leven is gebaseerd op principes van rede.
- Individuele rechten: Thomas Hobbes (1588-1679) individu is egoïstisch
en producent van sociale chaos. Een sterke monarchie is nodig om
individuen te controleren.
- John Locke (1632-1794) de mens is van nature goed en hun rechten
hoeven niet op te leveren aan de monarchie. Sociaal contract.
Utilitarisme: rationele zelfbepalende individuen handelen vanuit hun
eigen rationele eigenbelang en daarmee tegelijkertijd hun eigen
individuele welzijn en die van de samenleving versterken. Individuen
kunnen beslissingen maken voor het eigenbelang, regering hoeft het
gedrag van burgers niet te reguleren
, - Sociaal contract: Rousseau (1712-1778): principes over het collectieve
politieke leven en de samenleving, prioriteit welzijn van de gehele
gemeenschap.
- Het individu sociaal situeren: gedrag van de mens wordt gevormd door
sociale structuren
Gevestigde orde van sociologie als wetenschap
Augustus Comte (1798-1857): verlichting, visioneerde een positivist sociologie:
wetenschap gebaseerd op natuurwetenschappen, focussend op observeerbare
data objectiviteit. Menselijke patronen doen zich voor onder regelmatigheden
of wetten, waardoor de samenleving zich ook onder regelmatigheden of wetten
ontwikkelt.
Harriet martineau: positieve filosofie (wetenschappelijk de wetten van de
maatschappij ontdekken), krachten van observatie moeten aangeleerd/getraind
worden. Mensen moeten niet oordelend zijn richting gewoontes. Benadrukte
verschil met natuurwetenschappers.
Wilhelm Dilthey(1833-1911): er is verschil tussen de natuur en menselijke
wetenschap vanwege zijn content.
Interpretatieve methode van begrijpen, sociale fenomenen verklaren door
werkelijkheid van individuen, groepen en culturen te begrijpen.
Positivistische methode: focust op de uitleg van sociale realiteit, gebruik van
verschillende metingen om sociale fenomenen te begrijpen en de statistische
relatie hiertussen (economie, onderwijs)
Geëmancipeerde kennis: sociologie gebruiken om gelijkheid te verbeteren
Sociale ongelijkheid en contextuele standpunten
William E. B. Du Bois: (1868-1963) slavernij en radicale ongelijkheid.
Slavernij zorgt voor een dubbelbewustzijn, slaven moeten zich door de ogen
van de meester zien. Legale emancipatie van slaven verzekerde niet
economische en sociale emancipatie, alles is nog in bezit van de meesters. Du
Bois: Racisme van de Amerikaanse arbeidersbeweging haar ervan weerhield de
kapitalistische uitbuiting van arbeid te erkennen, democratie vereist gelijkheid
voor alle gediscrimineerde groepen.
Alex de Tocqueville: cultuur en sociale instituties
Sociale instituties zijn sterk ingebed in het leven en geven individuen autonomie
en vrijheid, ze nemen deel aan maatschappij en realiseren eigen aspiraties.
, Hoofdstuk 1
Vergroting van kapitalisme
Kapitalisme als gestructureerde ongelijkheid.
Het is de manier van produceren dat kenmerkend is voor de organisatie van de
maatschappij, de bourgeoisie is in bezit van de productiemiddelen, om hun eigen
private eigendommen uit te breiden. Die uitbuiting zorgt ervoor dat het gat
tussen kapitalisten en arbeiders blijft bestaan.
Kapitalisme als institutionele ongelijkheid
Karl Marx (communisme) benadrukte de kosten van het kapitalisme: ongelijkheid.
Modes van productie, is kenmerkend voor de organisatie van een samenleving.
Bij kapitalisme speelt een monopolie van de bourgeoisie een rol op de productie
van goederen. Proletariaat zijn de arbeiders.
Deze uitbuiting vergroot het verschil sociaaleconomische statussen, ik
kapitalistische samenlevingen blijft deze kloof groeien.
Marx’s geschiedenis theorie
Historische materialisme, hij focust op de materiele (economische) krachten in
de samenleving en hoe deze sociale structuren en relaties bepalen. Historische
verandering is verandering in materiele condities in de maatschappij en in hoe
economische sociale relaties zijn georganiseerd, komt naar voren in de
waargenomen tegenstellingen in bestaande economische en sociale
arrangementen. Kapitalisme zorgt voor het bewust zijn van klassen in de
samenleving en de uitbuiting van de arbeiders als onderdeel van de structurele
organisatie van het kapitalisme. Marx ziet de proletariaat als de revolutionaire
klasse die een einde zou maken aan kapitalisme. Hij had verwacht dat door
kapitalisme de proletariaat klasse zou groeien en zo ook vakbonden en dat de
proletariaat arm zou blijven en zo weerstand tegen kapitalisten zou ontstaan.
Dialectisch materialisme
Volgens Marx is revolutie de drijfveer van geschiedenis en verandering.
Tijdperken worden gekenmerkt door spanning en tegenstellingen. Deze
historische processen zijn het dialectisch materialisme: historische
verandering is het resultaat van bewuste menselijke activiteit, wat
geconditioneerd is door economische krachten. Menselijke bewuste activiteit
ontstaat door materiele/economische omstandigheden. Gaat menselijk
bewustzijn tegen bestaande condities en tegenstellingen in, dan ontstaat er een
nieuwe vorm van sociale bestaansvorming.
Marx zet de nadruk op het belang van ‘echte geschiedenis’ over de productie van
materieel leven. Bestaande materiele condities (kapitalistische klassen) verzet
status quo nieuw economisch systeem.
Communisme
Analysing everyday social life: starbucks
Karl Marx (18-18-1883): figuur in analyse van moderne kapitalisme met de
focus aan economische ongelijkheid en uitbuiting van arbeiders naar de
beweging van vakbonden.
De drang naar de hoogst mogelijke winst van werkgevers en bedrijven versterkt
de sociaaleconomische ongelijkheid en dit is een onderdeel van kapitalisme.
De competitieve aard van kapitalisme en economie zorgt dat deze sfeer niet veel
verschilt per plek dat je werkt. Door globalisering ontstaat er een verhoging van
competitie in de arbeid door meer werknemers die beschikbaar zijn
(immigranten).
Kritische theoristen: de ideologie van vrijheid, gebruikt om te verwijzen
politieke vrijheid en democratie. Consumptie word in de moderne tijd laten zien
als vrijheid en een luxe lifestyle. Vooral de arbeiders voelen zich aangetrokken tot
consumptie zonder realisatie tot de groeiende ongelijkheid van het kapitalistische
systeem.
Max Weber (1864-1920): moderne kapitalisme, oriënteerde de wijde spectrum
van krachten die sociaal gedrag aansturen en de verschillende subjectieve
motivaties en betekenissen die ervoor zorgen dat sociale actoren zich gedragen
zoals ze doen. Hij benadrukt het belang van strategische kosten-
batenafwegingen of instrumentele belangen. Ongelijkheid ontstaat niet alleen
door economische bronnen maar ook de lifestyle en sociale status.
Moderne theoristen: groepen strijden in democratische samenlevingen voor
grotere erkenning voor hun eigen agenda’s. Alle kleine bindingen die mensen
met elkaar hebben helpen individuen.
Waardes/toewijding aan familie die mensen hebben leiden sociale handelingen.
In de VS heerst er een individualistische cultuur waardoor mensen minder snel
zich bij vakbonden aansluiten, dit vergroot armoede door de onafhankelijkheid
van mensen in de VS.
Verschillende groepen verkrijgen verschillende gewoontes dat laten zien in welke
sociale klasse ze zich bevinden.
Robert merton: samenlevingen creëren deviantie (afwijkend gedrag) door
culturele doelen en het verschil in toegankelijkheid hiervoor (consumptie
lifestyle) en toegang tot hoge scholing.
Durkeim: deviantie is normaal, omdat het in alle samenlevingen bestaat, te zien
door misdaad. Teveel deviantie is slecht voor de sociale orde en cohesie in een
samenleving. Sociale onderlinge afhankelijkheid is belangrijk voor een
goedwerkende sociale orde. Brede maatschappelijke invloeden binden
individuen/groepen/instituten samen om onderlinge afhankelijkheid te creëren
zodat sociale orde vasthoud. Sociale normen bestaan door de samenleving, en
worden gebruikt om de onderlinge afhankelijkheid van sociale relaties te
bevestigen en te versterken.
Rationele keus theoretici: we beoordelen wat we krijgen en geven op de basis
van oplevering voor onszelf.
fenomenologische traditie (Observatie studie): algemene kennis is belangrijk
in het definieren van sociale realiteiten.
,Feministische perspectieve in de ‘man made world’ worden vaak op neergekeken.
Deze perspectieven passen niet bij de historische perspectieve in de sociologie.
Vrouwen moeten vaak meer werk of moeite doen door dubbele standaarden, dit
geld ook voor andere minderheden. De salaris van vrouwen worden vaker
bestraft. Er bestaat ook een sociale orde tussen vrouwen en mannen, wanneer dit
verbroken word ontstaat er vaak negativiteit om ze terug op hun plaats te zetten.
Michel Foucalt: ziet het lichaam als doelgerichte object van discipline en sociale
controle. Sociale instituten hebben aan de hand van ‘regels’ ons seksualiteit als
normaal laten zien.
Immersion in theory
Theoretici besteden hun aandacht aan verschillende aspecten van de
samenleving, vaak ontstaat er wel overlapping zoals sociaal economische
ongelijkheid.
Sociologie focust op hoe macro, grootschalige, sociale structuren (kapitalisme) en
gender/politieke/discriminatie structuren de sociale omgeving vormt en hoe deze
kansen en keuzes van individuen/ groepen bepalen. Hoe dit interacties en acties
van mensen beïnvloed.
Sociologen kijken ook naar ‘micro dynamics’ van persoonlijke ervaringen en hoe
sociale interactie er uit ziet in verschillende contexten van het dagelijks leven.
Sociale instituten hebben een grote invloed op individuen, groepen, organisaties
en gemeenschappelijke gedragingen maar ook op culturen. De invloed die
individuen, zowel persoonlijk als collectief, uitoefenen om sociale structuren en
processen aan te passen, creatief te weerstaan en te transformeren. zijn zich ook
sterk bewust van de spanning die onvermijdelijk bestaat tussen individuele
vrijheid en structurele en culturele beperkingen.
Classical and contemporary theory
Klassieke theorie: Karl Marx, Max Weber, Emile Durkeim de basis van
sociologie.
Hedendaagse theorie (1940-1970): is meer open afgesloten, ze zijn nogsteeds
relevant in de samenleving van nu.
Societal transformation and the origins of sociology
Sociologie sinds de 19e eeuw. Het is niet eerder ontstaan omdat vroeger macht
uit natuurlijke krachten kwam, hierdoor ontstond sociologie rond de tijd van de
verlichting. Door de industriële revolutie kwam er een verandering in bijvoorbeeld
stemrecht etc en sociaal economische indelingen. Voorbeelden hiervan zijn de
Franse revolutie en de Amerikaanse onafhankelijkheid oorlog.
Individu en Maatschappij
Leven is gebaseerd op principes van rede.
- Individuele rechten: Thomas Hobbes (1588-1679) individu is egoïstisch
en producent van sociale chaos. Een sterke monarchie is nodig om
individuen te controleren.
- John Locke (1632-1794) de mens is van nature goed en hun rechten
hoeven niet op te leveren aan de monarchie. Sociaal contract.
Utilitarisme: rationele zelfbepalende individuen handelen vanuit hun
eigen rationele eigenbelang en daarmee tegelijkertijd hun eigen
individuele welzijn en die van de samenleving versterken. Individuen
kunnen beslissingen maken voor het eigenbelang, regering hoeft het
gedrag van burgers niet te reguleren
, - Sociaal contract: Rousseau (1712-1778): principes over het collectieve
politieke leven en de samenleving, prioriteit welzijn van de gehele
gemeenschap.
- Het individu sociaal situeren: gedrag van de mens wordt gevormd door
sociale structuren
Gevestigde orde van sociologie als wetenschap
Augustus Comte (1798-1857): verlichting, visioneerde een positivist sociologie:
wetenschap gebaseerd op natuurwetenschappen, focussend op observeerbare
data objectiviteit. Menselijke patronen doen zich voor onder regelmatigheden
of wetten, waardoor de samenleving zich ook onder regelmatigheden of wetten
ontwikkelt.
Harriet martineau: positieve filosofie (wetenschappelijk de wetten van de
maatschappij ontdekken), krachten van observatie moeten aangeleerd/getraind
worden. Mensen moeten niet oordelend zijn richting gewoontes. Benadrukte
verschil met natuurwetenschappers.
Wilhelm Dilthey(1833-1911): er is verschil tussen de natuur en menselijke
wetenschap vanwege zijn content.
Interpretatieve methode van begrijpen, sociale fenomenen verklaren door
werkelijkheid van individuen, groepen en culturen te begrijpen.
Positivistische methode: focust op de uitleg van sociale realiteit, gebruik van
verschillende metingen om sociale fenomenen te begrijpen en de statistische
relatie hiertussen (economie, onderwijs)
Geëmancipeerde kennis: sociologie gebruiken om gelijkheid te verbeteren
Sociale ongelijkheid en contextuele standpunten
William E. B. Du Bois: (1868-1963) slavernij en radicale ongelijkheid.
Slavernij zorgt voor een dubbelbewustzijn, slaven moeten zich door de ogen
van de meester zien. Legale emancipatie van slaven verzekerde niet
economische en sociale emancipatie, alles is nog in bezit van de meesters. Du
Bois: Racisme van de Amerikaanse arbeidersbeweging haar ervan weerhield de
kapitalistische uitbuiting van arbeid te erkennen, democratie vereist gelijkheid
voor alle gediscrimineerde groepen.
Alex de Tocqueville: cultuur en sociale instituties
Sociale instituties zijn sterk ingebed in het leven en geven individuen autonomie
en vrijheid, ze nemen deel aan maatschappij en realiseren eigen aspiraties.
, Hoofdstuk 1
Vergroting van kapitalisme
Kapitalisme als gestructureerde ongelijkheid.
Het is de manier van produceren dat kenmerkend is voor de organisatie van de
maatschappij, de bourgeoisie is in bezit van de productiemiddelen, om hun eigen
private eigendommen uit te breiden. Die uitbuiting zorgt ervoor dat het gat
tussen kapitalisten en arbeiders blijft bestaan.
Kapitalisme als institutionele ongelijkheid
Karl Marx (communisme) benadrukte de kosten van het kapitalisme: ongelijkheid.
Modes van productie, is kenmerkend voor de organisatie van een samenleving.
Bij kapitalisme speelt een monopolie van de bourgeoisie een rol op de productie
van goederen. Proletariaat zijn de arbeiders.
Deze uitbuiting vergroot het verschil sociaaleconomische statussen, ik
kapitalistische samenlevingen blijft deze kloof groeien.
Marx’s geschiedenis theorie
Historische materialisme, hij focust op de materiele (economische) krachten in
de samenleving en hoe deze sociale structuren en relaties bepalen. Historische
verandering is verandering in materiele condities in de maatschappij en in hoe
economische sociale relaties zijn georganiseerd, komt naar voren in de
waargenomen tegenstellingen in bestaande economische en sociale
arrangementen. Kapitalisme zorgt voor het bewust zijn van klassen in de
samenleving en de uitbuiting van de arbeiders als onderdeel van de structurele
organisatie van het kapitalisme. Marx ziet de proletariaat als de revolutionaire
klasse die een einde zou maken aan kapitalisme. Hij had verwacht dat door
kapitalisme de proletariaat klasse zou groeien en zo ook vakbonden en dat de
proletariaat arm zou blijven en zo weerstand tegen kapitalisten zou ontstaan.
Dialectisch materialisme
Volgens Marx is revolutie de drijfveer van geschiedenis en verandering.
Tijdperken worden gekenmerkt door spanning en tegenstellingen. Deze
historische processen zijn het dialectisch materialisme: historische
verandering is het resultaat van bewuste menselijke activiteit, wat
geconditioneerd is door economische krachten. Menselijke bewuste activiteit
ontstaat door materiele/economische omstandigheden. Gaat menselijk
bewustzijn tegen bestaande condities en tegenstellingen in, dan ontstaat er een
nieuwe vorm van sociale bestaansvorming.
Marx zet de nadruk op het belang van ‘echte geschiedenis’ over de productie van
materieel leven. Bestaande materiele condities (kapitalistische klassen) verzet
status quo nieuw economisch systeem.
Communisme