van de Leerdoelen inleiding in
arbeids-en
organisatiepsychologie
,Studietaak 1
1) Onderscheid maken tussen verschillende vaardigheden/attributen en
hun relevantie voor prestatie
Cognitieve vermogens
“g” (algemene mentale capaciteit) voorspelt werkprestatie, vooral bij
complexe functies; daarnaast kunnen specifieke cognitieve vermogens
(bv. werkgeheugen, verwerkingssnelheid, visuele/auditieve verwerking)
extra voorspellen afhankelijk van de taakeisen.
Fysieke vermogens
Kracht, stamina (uithoudingsvermogen) en flexibiliteit zijn cruciaal in
fysiek veeleisende banen; realistische werksimulaties (bv. ladder op met
last) voorspellen prestatie goed en zijn het eerlijkst te verdedigen.
Sensorische & psychomotorische vermogens
Zicht/gehoor (sensorisch) en coördinatie, behendigheid, reactietijd
(psychomotorisch) zijn bepalend in o.a. rijden, bedienen van machines,
chirurgie. Vaak hangen ze samen met perceptie/cognitieve snelheid.
Persoonlijkheid
Big Five/HEXACO-trekken voorspellen uiteenlopende werkuitkomsten
(prestatie, CWB, OCB, verzuim). Consciëntieusheid is breed relevant;
combinaties van trekken (functionele werkpersoonlijkheid) kunnen extra
sterk voorspellen. Autonomie in het werk versterkt de voorspellende
kracht van persoonlijkheid.
Interesses (RIASEC)
Beroepsinteresses hangen samen met tevredenheid, prestatie en
loopbaanduur; passen van persoon–omgeving is dus relevant voor
uitkomsten.
Vaardigheden, kennis & competenties
Vaardigheden zijn geoefende handelingen; kennis (incl. tacit “weten-
hoe”) ondersteunt prestaties; competenties bundelen KSAO’s in
contextspecifiek gedrag dat direct aan organisatiedoelen is gekoppeld.
2) RIASEC-model: verschillende beroepsinteresses onderscheiden
Realistic – doeners/techniek, praktisch, fysiek;
Investigative – analyseren/onderzoeken;
Artistic – creatief, origineel;
Social – helpen/samenwerken;
Enterprising – beïnvloeden/ondernemen;
Conventional – ordenen/structuur.
Types liggen hexagonaal: tegenoverliggende types zijn het minst
compatibel (bv. Social ↔ Realistic). Interesses correleren deels met
persoonlijkheid (bv. Enterprising ↔ extraversie; Artistic ↔ openheid) en
voorspellen prestatie/tevredenheid.
3) ‘g’ definiëren en kritisch bespreken
Definitie: Algemene mentale capaciteit om te leren, redeneren,
plannen, problemen op te lossen en snel van ervaring te leren.
, Belang: Sterke voorspeller van prestatie, sterker naarmate de job
complexer is.
Kritiek/nuance:
– Niet voldoende alleen; andere KSAO’s (persoonlijkheid, kennis, sociale
vaardigheden) blijven nodig.
– Specifieke cognitieve vermogens kunnen additionele validiteit
toevoegen (bv. werkgeheugen voor multitasken).
– Context/cultuur doet ertoe; bewijs is sterk in EU/VK, maar belang kan
variëren per economische/taakeiscontext.
– Gestructureerde interviews kunnen qua validiteit minstens even sterk
zijn als g, dus combineren is meestal het best.
4) Big Five en HEXACO: beschrijving en relatie met werkuitkomsten
Big Five (OCEAN): Openheid, Consciëntieusheid, Extraversie,
Agreeableness/Altruïsme, Emotionele stabiliteit (↔ lage
Neuroticisme). Consciëntieusheid is breed positief met prestatie; overige
factoren voorspellen specifieke uitkomsten (bv. extraversie in
sales/leiding). Combinaties (bv. hoog C + A + stabiliteit → integriteit)
versterken voorspellingen; autonomie modereert de relatie met prestatie.
HEXACO: voegt Honesty–Humility toe (sinceriteit/bescheidenheid ↔
laag: hebzucht/bedrog); levert extra voorspellende waarde voor bepaalde
werkuitkomsten (bv. integriteitsgerelateerd gedrag).
5) Selectie-instrumenten en -procedures en toepassing op
praktijkvoorbeelden
Instrumenten/procedures (met kern):
Cognitieve tests (enkelscore/batterijen): sterke, kostenefficiënte
voorspellers; vooral bij complexe rollen.
Kennistests/licenties: taak- of domeinspecifieke kennis.
Fysieke & psychomotorische tests: liefst werksimulaties; voorspellen
goed bij fysiek kritieke taken.
Persoonlijkheidstests: screen-in (NEO-PI-R, HPI); screen-out (MMPI-II)
pas na aanbod (medische tests).
Integriteitstests: overt (attitude) of persoonlijkheidsgebaseerd;
voorspellen CWB/afwezigheid/algemene prestatie.
SJT’s (schrift/video): meten procedurele/tacit kennis, leveren extra
validiteit en minder adverse impact.
Werkproeven: hoge face-validiteit en acceptatie.
Interviews: gestructureerd (situational/behavioral) het meest valide;
ongestructureerd lager maar acceptabel indien meervoudig.
Assessmentcenter: rijk en realistisch, maar duur; vaak vergelijkbare
informatiewaarde als combinatie test + persoonlijkheid.
Biodata, GPA/aanbevelingen, MQ’s: kunnen additionele waarde
hebben als ze goed worden ontworpen/gevalideerd.
Toepassing – praktijkvoorbeelden
Brandweerman: cognitieve redeneer- en leertests (g), fysieke
werksimulaties (trap/ladders, dragen), SJT voor
teamwork/incidentbesluiten, persoonlijkheid (C, emotionele stabiliteit),
en werkproef (apparatuurhandelingen).
, Customer care/callcenter: SJT (klantconflict), werkproef (navigeren
systemen + gesprekskwaliteitscriteria), cognitieve
(verwerkingssnelheid/taal), persoonlijkheid (vriendelijkheid/A, C),
eventueel integriteitstest.
6) Verschil tussen gestructureerd en ongestructureerd interview
Gestructureerd: vaste, functie-gebaseerde vragen (op
functiebeschrijving), beoordelingsrubrics en vaak situational (“Wat
zou u doen…?”) of behavioral (“Wat deed u toen…?”); hoogste
validiteit (vaak ~+.60), eerlijker, minder bias (bv. gender).
Gedragsgericht scoort vaak het best, zeker op hogere niveaus.
Ongestructureerd: vrije gesprekstroom; lagere en variabelere validiteit
(rond ~+.30), maar meerdere onafhankelijke gesprekken kunnen de
validiteit verhogen. Managers/kandidaten vinden dit vaak prettiger, maar
het is methodisch zwakker dan strak gestructureerd.
Studietaak 2
Leerdoelen:
Je kunt belangrijke concepten, theoretische modellen en onderzoeksresultaten
over werkprestatie en functieanalyse uitleggen, vergelijken en toepassen.
1. Verschil tussen effectiviteit en productiviteit
Effectiviteit = de mate waarin het gedrag of de prestatie het gewenste
resultaat oplevert.
→ Bijvoorbeeld: een verkoper haalt de verkoopdoelen.
Productiviteit = de verhouding tussen effectiviteit (output) en de
inspanning of kosten (input) die daarvoor nodig zijn.
→ Bijvoorbeeld: twee verkopers behalen hetzelfde resultaat, maar de
eerste doet dat in de helft van de tijd → die is productiever.
Kort samengevat:
Effectiviteit gaat over resultaten — productiviteit over efficiëntie.
2. Prestatiecomponenten (volgens Campbell)
Campbell onderscheidt acht prestatiecomponenten die samen werkprestatie
vormen:
Component Uitleg
1. Taakspecifieke
Kernactiviteiten van de functie uitvoeren.
bekwaamheid
2. Niet-taakspecifieke Taken uitvoeren buiten de standaard
bekwaamheid functiebeschrijving.
Effectief mondeling en schriftelijk
3. Communicatievaardigheid
communiceren.
4. Inzet tonen Extra inspanning leveren, doorzetten bij