Onderwijskunde, hoorcolleges/samenvatting
Hoorcollege 1
Vroeger was onderwijs informeel (mensen leren in vrije tijd), nu is het
formeel.
Het is inmiddels dus formeel en wij willen vaardigheden meegeven
Kenmerken van formeel onderwijs:
- Ervaringskennis (impliciet)= iedereen leert automatisch door
dingen te doen. Maar om het concreet te maken en goed te
begrijpen moet je er literatuur en documenten aan koppelen
doormiddel van school.
- Biesta (formeel, intentioneel)= zegt dat onderwijs 3 doelen heeft
voor persoonsvorming.
o Kwalificatie= kennis en vaardigheden leren
o Socialisatie= leren hoe je met andere omgaat en samenleeft
( niet op je telefoon, netjes stil zitten, atc.
o Subjectificatie= jezelf ontwikkelen, qua mentale stabiliteit en
zingeving.
- Edu- cere= iets in iemand naar buiten halen. Onderwijs moet niet
alleen kennis geven maar ook Talenten/ sociale vaardigheden laten
groeien.
- Lerende houding LLL (levens lang leren), wat voor vaardigheden
vraagt dit van kinderen? Hoe zorgen we dat ze als volwassene ook
leren.
Historische context, onderwijs
Rond 17e/18e eeuw: Eerst was onderwijs heel informeel, het was meer
een nette opvangplek, maar de docent kon zelf vaak niet een lezen of
schrijven. Er was een drukke rommelige ruimte.
Rond 1800: (school werd formeel) er werd meer geschreven en echt
geleerd aan kinderen, er zaten alleen jongens op school want meiden
waren voor het huishouden, ook was school voor alleen rijke mensen.
Docent zijn was meestal een bijbaan en geen fulltimebaan. Er was nog
steeds 1 leerkracht en een formele opstelling met bankjes, de docent
stond op een platform. Er was een pechvogel dit was een knuffel van
katoen, als iemand niet luisterde of oplette werd deze op iemand gegooid,
daarna moest de pechvogel naar de leerkracht gebracht worden door deze
leerling en deze werd dan geslagen met takken (roe).
,19e eeuw, Nederland als natiestaat:
Er kwam Kritiek op onderwijs in staatscholen (de overheid vond juist dat
dit goed was zodat ieder kind hetzelfde onderwijs kreeg)
Rond 1830: protestantse ouders en leerkrachten waren het niet eens
met de staatsscholen. De RE kwam ook kritiek op (religion education,
religieus onderwijs.) omdat er soms thuis heel anders werd geleefd niet
volgends de religie.
Gevolgen van deze kritiek is de oprichting van eigen neutrale scholen,
door leraren en ouders zelf gefinancierd.
De schoolstrijd: het doel was financieel gelijke behandeling tussen
religieuze en neutrale staatsscholen. Dit was het begin van sterke
segregatie (scheiding van groepen/ verzuiling).
21e eeuw:
In de verzuilde periode had elke zuil (protestants, katholiek, socialistisch,
liberaal) zijn eigen scholen. De overheid bleef wél verantwoordelijk voor de
kwaliteit, dus ze stelde richtlijnen en kerndoelen vast: wat elk kind
minimaal moet leren. Die regels gingen bewust niet over geloof of
levensbeschouwing. De staat bemoeide zich dus niet met hoe een school
tegen het leven aankijkt.
Na 1960: de rol van de kerk wordt kleiner (alleen faciliterend) bijzondere
scholen worden open, iedereen is welkom! Religie speelt niet zo’n grote rol
meer. Hierdoor werden bijzondere scholen open en werd iedereen
toegelaten ook als je niet gelooft.
Dan in 2000 komt Paul Scheffer die zegt: het achterblijven van hele
generaties allochtonen en de vorming van de ethische onderklasse omdat
sommige groepen economisch en sociaal achterblijven. Hierdoor komen er
twijfels over RE in scholen, er is angst dat de segregatie versterkt als
kinderen in hun eigen geloofsgemeenschap blijven. Maar aan de andere
kant heeft het ook een bindende rol en is het belangrijk voor identiteit en
waarden overdracht. De minderheid wil RE naar de privésfeer verbannen,
maar de meerderheid staat open voor nieuwe positie van religie binnen
het onderwijs.
,Sinds 2006 ligt focus in onderwijs op burger schapsvorming en daarom is
RE hier belangrijk voor omdat het helpt ontwikkelen met een eigen
identiteit en het leren omgaan met andere overtuigingen.
Interreligieus onderwijs: We leren kinderen niet hoe ze moeten denken
of waarin te geloven, maar meer dat je leert kennen en je eigen identiteit
ontwikkelt.
Traditionele vernieuwingsscholen:
Montessori 1870- 1952
Montessori is ontwikkeld door de eerste vrouwelijke arts in Italië, ze
maakte materialen voor kinderen met leerproblemen en richtte in 1907 de
casa dei bambini op. Dit was het eerste Montessori kinderdagverblijf.
Kernvisie:
- Kinderen ontwikkelen zichzelf en de leerkracht observeert en volgt.
- Materialen laten kinderen fouten zelf ontdekken en verbeteren
- Grote nadruk op autonomie:
o Keuzevrijheid, ze mogen zelf kiezen wat ze doen
o Werktempo
o Bewegingsvrijheid, kinderen mogen bewegen tijdens leren
Kenmerken in praktijk:
- Kinderen kiezen zelf werk, in hun eigen tempo.
- Rustige klas, ordelijk, vaste plekken
- Aandacht voor motoriek en zintuigelijke materialen
- De docent observeert, is begeleider en niet sturend.
Jenaplan
Peter Petersen is hoogleraar pedagogiek in Jena (stad in Duitsland),
persoonlijke ontwikkeling en gemeenschap staat centraal, elk kind is
, uniek en deelnemer aan een gemeenschap. Zij visie is dat elk kind van
nature wil leren.
Kernvisie:
- Elk kind is uniek en lid van de gemeenschap
- Kinderen leren van elkaar in stamgroepen
- Leren gebeurt via basisactiviteiten: gesprek, spel, werk en viering
- Ritmisch weekplan en aandacht voor wereldoriëntatie
Kenmerken in de praktijk:
- Stamgroepen (groep 3,4,5 samen)
- Kringgesprekken, dagopening, plannen, sluitingen
- Vaardigheden worden geïntegreerd, niet in losse vakjes
Dalton (helen park hust)
Kernvisie:
- Vrijheid en gebondenheid, kinderen leren verantwoordelijkheid
nemen.
- Samenwerking, zelfstandigheid en vrijheid staan centraal
- Werken met taken en weektaken, kinderen plannen hun eigen
leerroute
Kenmerken in de praktijk:
- Kinderen krijgen een taakbrief of weektaak
- Ze delen hun tijd zelf in
- Samenwerken mag altijd maar moet functioneel zijn
- De leerkracht is coach en helpt kinderen plannen en reflecteren
Freinet (célestin Freinet)
Kernvisie:
- Leren door ervaring, onderzoek en de echte wereld
- Democratie en samenwerking zijn belangrijk
- De stem van het kind staat centraal, eigen teksten eigen
initiatieven.
Kenmerken in de praktijk:
Hoorcollege 1
Vroeger was onderwijs informeel (mensen leren in vrije tijd), nu is het
formeel.
Het is inmiddels dus formeel en wij willen vaardigheden meegeven
Kenmerken van formeel onderwijs:
- Ervaringskennis (impliciet)= iedereen leert automatisch door
dingen te doen. Maar om het concreet te maken en goed te
begrijpen moet je er literatuur en documenten aan koppelen
doormiddel van school.
- Biesta (formeel, intentioneel)= zegt dat onderwijs 3 doelen heeft
voor persoonsvorming.
o Kwalificatie= kennis en vaardigheden leren
o Socialisatie= leren hoe je met andere omgaat en samenleeft
( niet op je telefoon, netjes stil zitten, atc.
o Subjectificatie= jezelf ontwikkelen, qua mentale stabiliteit en
zingeving.
- Edu- cere= iets in iemand naar buiten halen. Onderwijs moet niet
alleen kennis geven maar ook Talenten/ sociale vaardigheden laten
groeien.
- Lerende houding LLL (levens lang leren), wat voor vaardigheden
vraagt dit van kinderen? Hoe zorgen we dat ze als volwassene ook
leren.
Historische context, onderwijs
Rond 17e/18e eeuw: Eerst was onderwijs heel informeel, het was meer
een nette opvangplek, maar de docent kon zelf vaak niet een lezen of
schrijven. Er was een drukke rommelige ruimte.
Rond 1800: (school werd formeel) er werd meer geschreven en echt
geleerd aan kinderen, er zaten alleen jongens op school want meiden
waren voor het huishouden, ook was school voor alleen rijke mensen.
Docent zijn was meestal een bijbaan en geen fulltimebaan. Er was nog
steeds 1 leerkracht en een formele opstelling met bankjes, de docent
stond op een platform. Er was een pechvogel dit was een knuffel van
katoen, als iemand niet luisterde of oplette werd deze op iemand gegooid,
daarna moest de pechvogel naar de leerkracht gebracht worden door deze
leerling en deze werd dan geslagen met takken (roe).
,19e eeuw, Nederland als natiestaat:
Er kwam Kritiek op onderwijs in staatscholen (de overheid vond juist dat
dit goed was zodat ieder kind hetzelfde onderwijs kreeg)
Rond 1830: protestantse ouders en leerkrachten waren het niet eens
met de staatsscholen. De RE kwam ook kritiek op (religion education,
religieus onderwijs.) omdat er soms thuis heel anders werd geleefd niet
volgends de religie.
Gevolgen van deze kritiek is de oprichting van eigen neutrale scholen,
door leraren en ouders zelf gefinancierd.
De schoolstrijd: het doel was financieel gelijke behandeling tussen
religieuze en neutrale staatsscholen. Dit was het begin van sterke
segregatie (scheiding van groepen/ verzuiling).
21e eeuw:
In de verzuilde periode had elke zuil (protestants, katholiek, socialistisch,
liberaal) zijn eigen scholen. De overheid bleef wél verantwoordelijk voor de
kwaliteit, dus ze stelde richtlijnen en kerndoelen vast: wat elk kind
minimaal moet leren. Die regels gingen bewust niet over geloof of
levensbeschouwing. De staat bemoeide zich dus niet met hoe een school
tegen het leven aankijkt.
Na 1960: de rol van de kerk wordt kleiner (alleen faciliterend) bijzondere
scholen worden open, iedereen is welkom! Religie speelt niet zo’n grote rol
meer. Hierdoor werden bijzondere scholen open en werd iedereen
toegelaten ook als je niet gelooft.
Dan in 2000 komt Paul Scheffer die zegt: het achterblijven van hele
generaties allochtonen en de vorming van de ethische onderklasse omdat
sommige groepen economisch en sociaal achterblijven. Hierdoor komen er
twijfels over RE in scholen, er is angst dat de segregatie versterkt als
kinderen in hun eigen geloofsgemeenschap blijven. Maar aan de andere
kant heeft het ook een bindende rol en is het belangrijk voor identiteit en
waarden overdracht. De minderheid wil RE naar de privésfeer verbannen,
maar de meerderheid staat open voor nieuwe positie van religie binnen
het onderwijs.
,Sinds 2006 ligt focus in onderwijs op burger schapsvorming en daarom is
RE hier belangrijk voor omdat het helpt ontwikkelen met een eigen
identiteit en het leren omgaan met andere overtuigingen.
Interreligieus onderwijs: We leren kinderen niet hoe ze moeten denken
of waarin te geloven, maar meer dat je leert kennen en je eigen identiteit
ontwikkelt.
Traditionele vernieuwingsscholen:
Montessori 1870- 1952
Montessori is ontwikkeld door de eerste vrouwelijke arts in Italië, ze
maakte materialen voor kinderen met leerproblemen en richtte in 1907 de
casa dei bambini op. Dit was het eerste Montessori kinderdagverblijf.
Kernvisie:
- Kinderen ontwikkelen zichzelf en de leerkracht observeert en volgt.
- Materialen laten kinderen fouten zelf ontdekken en verbeteren
- Grote nadruk op autonomie:
o Keuzevrijheid, ze mogen zelf kiezen wat ze doen
o Werktempo
o Bewegingsvrijheid, kinderen mogen bewegen tijdens leren
Kenmerken in praktijk:
- Kinderen kiezen zelf werk, in hun eigen tempo.
- Rustige klas, ordelijk, vaste plekken
- Aandacht voor motoriek en zintuigelijke materialen
- De docent observeert, is begeleider en niet sturend.
Jenaplan
Peter Petersen is hoogleraar pedagogiek in Jena (stad in Duitsland),
persoonlijke ontwikkeling en gemeenschap staat centraal, elk kind is
, uniek en deelnemer aan een gemeenschap. Zij visie is dat elk kind van
nature wil leren.
Kernvisie:
- Elk kind is uniek en lid van de gemeenschap
- Kinderen leren van elkaar in stamgroepen
- Leren gebeurt via basisactiviteiten: gesprek, spel, werk en viering
- Ritmisch weekplan en aandacht voor wereldoriëntatie
Kenmerken in de praktijk:
- Stamgroepen (groep 3,4,5 samen)
- Kringgesprekken, dagopening, plannen, sluitingen
- Vaardigheden worden geïntegreerd, niet in losse vakjes
Dalton (helen park hust)
Kernvisie:
- Vrijheid en gebondenheid, kinderen leren verantwoordelijkheid
nemen.
- Samenwerking, zelfstandigheid en vrijheid staan centraal
- Werken met taken en weektaken, kinderen plannen hun eigen
leerroute
Kenmerken in de praktijk:
- Kinderen krijgen een taakbrief of weektaak
- Ze delen hun tijd zelf in
- Samenwerken mag altijd maar moet functioneel zijn
- De leerkracht is coach en helpt kinderen plannen en reflecteren
Freinet (célestin Freinet)
Kernvisie:
- Leren door ervaring, onderzoek en de echte wereld
- Democratie en samenwerking zijn belangrijk
- De stem van het kind staat centraal, eigen teksten eigen
initiatieven.
Kenmerken in de praktijk: