Drie bronnen van financiering
1. Aandelenuitgifte bij BV en NV (= EV)
2. Opgespaarde winsten (= EV)
3. Kredietverlening: krediet ophalen uit de markt om mee te ondernemen. (rechterzijde van
de balans; welk geld zit in de onderneming) (VV)
Kredietverlening = financiering met vreemd vermogen
• Twee verbintenissen: Kredietgever verbindt zich door het geven van geld, en dat geeft die
aan de kredietnemer (= verplichting door terugbetaling van het krediet + rente + andere
kosten die de kredietgever maakt en afgesproken heeft)
• Kredietverlening:
1. Creatie van financiële bestedingsruimte (koopkracht)
2. VereNening door terugbetaling
3. Veelal vermeerderd met rente en kosten
Waarom kredietverlening?
1. Overtollig geld laten renderen: Wanneer een bedrijf tijdelijk meer geld heeft dan het direct
nodig heeft, kan het dit uitlenen (bijvoorbeeld via banken of investeringen) zodat het rente
oplevert. Zo blijft het geld niet “stil” staan, maar levert het extra inkomsten op.
2. Kasstroomprobleem (cashflow): kosten komen vóór de opbrengsten. In veel
bedrijfsprocessen maken bedrijven eerst kosten en verdienen zij pas later geld à Krediet
overbrugt dus dat tijdsgat.
Soorten kredietverleningen
1. Bancair krediet
2. P2P-lending
3. Obligatielening
4. Asset based finance
,Bancair krediet
1. Geldlening (term loan): vaak bij grote eenmalige aankoop of investering)
a. Geldsom wordt eenmalig of in delen verstrekt
b. Terugbetaling volgens aflossingsschema
c. Aflossing kan niet opnieuw worden opgenomen
d. Term loan → lening met vaste looptijd, terugbetaling in termijnen of aan het eind.
e. Syndicated loan: meerdere banken verlenen één grote lening.
2. Rekening courant krediet (overdraft/revolving credit facility) (werkkapitaal): flexibel
krediet voor dagelijkse uitgaven (cashflow)
a. Afgesproken kredietlimiet voor bepaalde periode: het is een soort betaalrekening
waarop je rood kan staan tot het afgesproken bedrag.
b. Krediet is binnen de limiet vrij op te nemen, af te lossen en opnieuw op te nemen.
c. Vereist rekening-courantverhouding (een bankrekening) tussen kredietgever en -nemer
(Art. 6:140 lid 1 BW)
à economische werkelijkheid van kredietverlening en wat zijn dan de relevante bepalingen in
BW.
Peer-to-peer lending (loan based crowdfunding/crowdlending)
• P2P-lending: kredietverlening waarbij particuliere geldgevers (peers) via een online
platform geld uitlenen aan een kredietvrager (consument of bedrijf). Het platform fungeert
als tussenpersoon/agent, niet als kredietverstrekker.
• Concept: kredietgevers lenen gezamenlijk geld aan kredietvrager.
• Karakteristieken:
o Platform doet (enige) kredietwaardigheidschecks: dit is belangrijk om risico’s voor de
geldgevers te beperken
o Rentevaststelling via ‘veiling’ of door platform vastgestelde marktrente:
kredietgevers bieden aan tegen welke rente ze willen uitlenen
o Kredietgevers hebben vrije keuze aan wie zij lenen (en tegen welke voorwaarden).
o Kredietnemer sluit geldleningsovereenkomst(en) met kredietgevers, platform
bemiddelt.
o Uitvoering via private lastgeving: Inning en evt. verhaalsacties (evt. zekerheidsrechten)
à platform krijgt de exclusieve bevoegdheid om namens kredietgevers op te treden.
o Als platform moet je betrouwbaarheid uitstralen
• Conduit platform: geldgevers hebben meer controle. Het platform is een tussenportaal dan
bij bancaire kredietverschaNing à vermogensrechtelijk verschil.
Obligatielening (debt securities)
• Uitgifte van obligatie: verhandelbaar schuldbewijs à een bewijs dat de uitgever (=
debiteur) geld schuldig is aan de obligatiehouder (= crediteur).
o Kredietnemer (debiteur) = degene die geld wil lenen en obligatie uitgeeft
o Kredietgever (crediteur) = degene die een obligatie koopt en dus geld uitleent en deze
krijgt rente (van de debiteur) over zijn uitlening
• Obligatiehouder is gerechtigd tot uitbetaling op vordering aan toonder
o Verschil tussen bancair/obligatie krediet: een banklening is niet vrij verhandelbaar en
een obligatie is wel een vrij verhandelbaar schuldpapier
o Je kan de vordering aan toonder verkopen door bezitsverschaUing à makkelijke
verhandelbare manier van krediet verstrekken.
• Twee goederen bij obligatielening:
1. Vordering zelf: het juridische recht op rente & terugbetaling van de hoofdsom
2. Obligatie zelf (toonderpapier) = het fysieke bewijs dat jij die vordering hebt
,Soorten obligaties
1. Kortlopend: ze worden vaak gebruikt voor het financieren van tijdelijke
liquiditeitsbehoeften
a. Commercial paper: tot 1 jaar
b. Certificate of deposit: Tot 5 jaar
2. Langlopend: Ze worden gebruikt voor langere investeringen of structurele financiering.
a. Notes
b. Bonds:
i. Plain vanilla: rentebetaling gebeurt aan het einde van afrekening
ii. Zero cupon: geen rentebetalingen plaatsvinden, maar rente is verdisconteerd in de
koopprijs.
Voordelen van obligaties t.o.v. bancair krediet
1. Lagere rente
2. Risicospreiding: obligaties worden gehouden door een grote groep beleggers.
3. Minder monitoringkosten: banken doen bijv. uitgebreidere due dilligence-checks.
4. Marktprijsmechanisme: de rente wordt bepaald door marktrente.
5. Toegang tot brede investeerdersbasis: onderneming kan een kapitaal aantrekken van
pensioenfondsen, verzekeraars, beleggingsfondsen.
Nadelen van obligaties t.o.v. bancair krediet
1) Obligaties zijn voor de markt pas interessant bij een hoge credit rating: soms mag je pas
lenen bij een bepaalde credit-rating.
2) Hogere uitgiftekosten, mede omdat eNectenmarkt (streng) gereguleerd is door:
a. Strenge informatieplichten (Prospectusverordening).
b. Informatie-asymmetrie: als kredietgever weet je weinig over het risico waarom je niet
wordt terugbetaald.
c. Daarom niet geschikt voor MKB-ondernemingen, omdat vaste kosten zijn te hoog,
gebrek aan markttoegang en informatieasymmetrie.
3) Minder flexibel
4) Complexe documentatie
Asset based financing: kredietverlening primair op basis van verstrekt onderpand.
(1) Debiteurenfinanciering (receivables financing)
• Kredietfinanciering aan kredietnemer door bevoorschotting van openstaande vorderingen
(op debiteuren van de kredietnemer)
• Kredietgever betaalt ± 90% van de vordering direct uit (= voorschot/krediet)
• Betaalt de debiteur aan de kredietnemer, dan moet de kredietnemer het reeds ontvangen
voorschot + kostenopslag terugbetalen aan kredietgever en is het restant voor kredietnemer.
, • Betaalt debiteur niet: wie draagt risico?
o Recourse: risico voor zekerheidsnemer
o Non-recourse: risico voor kredietgever
• Invoice discounting = stille verpanding
o Kredietnemer int vorderingen zelf (= is rechthebbende gebleven)
o Vorderingen veelal stil verpand aan kredietgever
• Factoring = openbare cessie
o Vb. Tandarts en infomedics
o Inning door kredietgever (factor) (extra service) = kredietgever is ook rechthebbende
geworden en zal ook in kostenopslag worden doorgerekend.
o Vorderingen overgedragen aan kredietgever (openbare cessie)
(2) Supply chain financing (reverse factoring)
• Kredietgever koopt alle vorderingen op. Koop & levering van de door Grootbedrijf
goedgekeurde vorderingen (cessie) tegen kleine korting (< 2%).
• Je kijkt naar het creditrisico: hoe groot is het risico dat niet zal worden betaald?
o Kostenopslag
o Risico is voor kredietgever kleiner
o 98% van de vordering wordt aan MKB-leveranciers betaald door kredietgever
• Onderneming betaalt het bedrag + extra aan de kredietgever.
• Belang bij Grootbedrijg is zo laat mogelijk betalen en MKB; wil zo snel mogelijk betaald
worden.
• MKB – asset based finance:
o banken zijn terughoudender geworden met
ongedekte leningen;
o mkb’s hebben vaak tastbare activa of
vorderingen, maar beperkte cashflow;
asset-based financiers kijken primair naar zekerheden,
niet naar winstgevendheid