richten?
Op de basisschool hebben leraren niet alleen te maken met direct zichtbare
leeropbrengsten. Leraren werken impliciet aan een groter doel dan wat als leerdoel
in de methode of werkplan is opgenomen. De achterliggende doelen zijn belangrijk
om te onthouden. De doelen hangen samen met de onderwijsvisie, op wat de leraar
belangrijk vindt en waar de onderwijstijd op wordt gebaseerd. Om grotere doelen te
bepalen, wordt er nagedacht over de integratie van kennisgebieden, de benodigde
vaardigheden voor de toekomstige maatschappij en over de bijdrage aan de
inrichting van die maatschappij en hoe de leraar de kinderen kan voorbereiden op
hun verdere leven.
Kennisgebieden
Op de basisschool is de leraar bezig met concrete leerstof, verdeeld over
verschillende gebieden. Soms komen de gebieden aan bod, klassikaal of
schoolbreed.
Met themaweken wordt opgebouwd aan kennis en vaardigheden die kinderen in de
jaren kinderen gaan vormen. Als kinderen kennis als losse feiten zouden leren, dan
zouden kinderen de informatie niet kunnen toepassen in nieuwe situaties. Het is
belangrijk dat kinderen nieuwe kennis leren te verbinden aan al opgebouwde kennis.
Kinderen moeten de kennis kunnen toepassen en weten welke kennis ze kunnen
toepassen in nieuwe situaties. Kinderen moeten de transfer kunnen maken naar
nieuwe situaties, zo wordt het leren voor kinderen een voortdurend uitbreiden van
basiskennis en handelingsrepertoire en het ontwikkelen van de capaciteit kennis en
vaardigheden zelfstandig toe te passen in nieuwe situaties.
Kinderen leren op school over normen en waarden die in de maatschappij van
belang zijn. In de leergebieden is burgerschap opgenomen. Burgerschap omvat het
onderwijs in normen en waarden en het ontwikkelen van een democratische
houding. In burgerschap komt expliciet aan bod wat de maatschappelijke relevantie
is van kennis, vaardigheden en houding.
In de bovenbouw hebben leraren te maken met kinderen die een grote
hersenontwikkeling hebben doorgemaakt en die daardoor gevoelig zijn voor allerlei
prikkels. Kinderen kunnen impulsief gedrag vertonen, omdat het op een passend
niveau structureren van hun reactie, het beheersen van de executieve vaardigheden,
later tot ontwikkelingen komen. Kinderen zijn meer gericht op de goedkeuring van
leeftijdsgenoten en minder op die van volwassenen. De leerstof heeft grote
concurrentie van andere interessante input. Dat een leraar authentiek is en zich
verbonden voelt met de te behandelen onderwerpen helpt kinderen om zich te
interesseren voor de leerstof.
, 21e-eeuwse vaardigheden
Digitale vaardigheden vormen een onderdeel van de 21e-eeuwse vaardigheden. Met
de intrede van de computer en de grote veranderingen in de maatschappij, werd er
anders gedacht over het onderwijs,
In de huidige wereld zijn traditionele kennis en vaardigheden niet afdoende om later
de maatschappij met elkaar vorm te geven. Er werd een set van vaardigheden
ontwikkeld die kunnen helpen om de toekomst tegemoet te gaan. Voor
toekomstbestendige of toekomstgericht onderwijs is het belangrijk om de
vaardigheden in het vizier te houden. De 21e-eeuwse vaardigheden kunnen door de
verschillende leergebieden ontwikkeld worden.
Computational thinking
Computational thinking is een manier van denken waarbij er gebruik wordt gemaakt
van deductie en inductie, van opdelen en samenvoegen van kennis. Er wordt een
probleem gedeeld opgedeeld in kleine stukjes en kinderen moeten structureren en
patronen herkennen, waardoor het probleem aangepakt en opgelost kan worden.
Het begrip computational thinking wordt verbonden met het programmeren. In de
hoogste klassen van de basisschool gaan kinderen thuis aan de slag met
programmeren, gebruikmakend van alles wat te vinden is op het internet.
Digitale vaardigheden zijn onderdeel van een grotere set van vaardigheden die
nodig zijn voor de toekomst. Probleemoplossend vermogen, creatief denken en
kritisch denken worden gezien als belangrijke vaardigheden die ingezet moeten
worden bij het bouwen aan de samenleving.