1
,Inhoudsopgave
Module 1..........................................................................................................................................................................3
Hoofdstuk 1.....................................................................................................................................................................3
Hoofdstuk 2.....................................................................................................................................................................6
Hoofdstuk 5.....................................................................................................................................................................9
Hoofdstuk 13.................................................................................................................................................................18
Module 2........................................................................................................................................................................25
Hoofdstuk 3...................................................................................................................................................................25
Hoofdstuk 4...................................................................................................................................................................31
Module 3........................................................................................................................................................................38
Hoofdstuk 6...................................................................................................................................................................38
Module 4........................................................................................................................................................................45
Hoofdstuk 8...................................................................................................................................................................45
Module 5........................................................................................................................................................................56
Hoofdstuk 7...................................................................................................................................................................56
Module 6........................................................................................................................................................................65
Hoofdstuk 12.................................................................................................................................................................65
Module 7........................................................................................................................................................................80
Hoofdstuk 10.................................................................................................................................................................80
2
,Module 1
Hoofdstuk 1
Tijdens de kolonisatie ontwikkelden zich beginselen die nu nog bepalend zijn. Een voorbeeld zijn de
regels over gebiedsverkrijging. Gebieden die Europese staten ontdekten (ook al leefden er inheemse
volkeren), kwamen door eenvoudige annexatie toe aan de ontdekkende staat. Een uit die tijd
stammende titel heeft ook nu nog juridische betekenis.
Verovering met geweld leverde vroeger een titel op (het ging toen om gedwongen aansluiting).
Staatsvorming moet in overeenstemming zijn met internationaal recht. Als een staat effectief gezag
verkrijgt over een bevolking en een grondgebied op een wijze die in strijd is met fundamentele regels
van internationaal recht, dan zal het bezette gebied in juridische zin geen deel van die staat worden.
Een staat mag geen geweld gebruiken jegens een andere staat teneinde die staat te laten opgaan in
de eigen staat of om een nieuwe staat te creëren (art. 2 lid 4 VN-Handvest). De basisregel van het
recht inzake vrede en veiligheid is dat geweld tussen staten is verboden. Art. 2 lid 4 VN-Handvest
bepaalt: "In hun internationale betrekking onthouden alle leden zich van bedreigingen met of het
gebruik van geweld tegen de territoriale integriteit of de politieke onafhankelijkheid van een staat, en
van elk andere handelswijze die onverenigbaar is met de doelstellingen van de VN.'
Het verbod op het gebruik van geweld behoort tot gewoonterecht. Het geweldverbod behoort tot het
dwingend volkenrecht.
Beginsel van zelfbeschikking: 1916 gepromoot door president Wilson en werd in 1945 aanvaard als
rechtsbeginsel in het VN-Handvest. Dit gaf alle volkeren het recht om over hun eigen lot te
beschikken.
Internationaal publiekrecht regelt de uitoefening van publiek gezag in de internationale
gemeenschap. Het kent bevoegdheden toe aan entiteiten die publiek gezag uitoefenen (vooral staten
en internationale organisaties) en biedt een juridische kader waarbinnen zij deze bevoegdheden
uitoefenen.
Aard van het moderne publiekrecht: gekozen beginpunt is Vrede van Westfalen (1648)
Volkerenrecht = ius gentium = het recht dat op alle burgers van toepassing was (in Romeinse Rijk).
Internationaal recht omvat internationaal publiekrecht en internationaal privaatrecht.
Internationaal publiekrecht:
- Internationaal
- Publiek
- Recht
De Nederlandse rechtsorde erkent de wet en contracten als rechtscheppend. De internationale
rechtsorde erkent vier rechtsbronnen:
1. Gewoonterecht (= recht dat ontstaat uit de praktijk van staten in combinatie met een
rechtsovertuiging)
2. Verdragen
3. Besluiten van internationale organisaties
4. Algemene rechtsbeginselen
Recht dat uit deze rechtsbronnen voortvloeit = internationaal recht.
3
, Is de internationale rechtsorde werkelijk gescheiden van de nationale rechtsorde? Er zijn twee
opvattingen:
1. Dualistische leer = ontwikkeld door Duitse jurist Triepel en Italiaanse jurist Anzilottie. Zij
stellen dat de internationale en de nationale rechtsordes geheel gescheiden rechtssystemen
zijn. Het dualisme ziet de soevereine staat als het hoogste gezag. Soevereiniteit brengt met
zich mee dat internationaal recht niet boven de staat kan staan. Het dualisme is geïnspireerd
door nationalistische opvattingen. Zij beschermt de nationale rechtsorde tegen de invloed
van internationaal recht.
2. Monistische leer = gaat ervan uit dat er één rechtsorde bestaat, waar zowel internationaal
recht als nationaal recht deel van uitmaakt. De Oostenrijkse jurist Hans Kelsen stelde het
individu centraal en construeerden een systeem waarbij statelijke macht was onderworpen
aan internationaal recht.
Onderscheid tussen internationaal publiekrecht en internationaal privaatrecht. Twee kenmerken:
1. Internationaal publiekrecht legitimeert en reguleert de uitoefening van publiek gezag in de
internationale gemeenschap. Dit geldt voor het gezag van staten en internationale
organisaties. Internationaal recht is van belang voor de rechtspositie van individuen jegens
staten, maar heeft slecht indirect betrekking op rechtsbetrekkingen tussen particulieren.
2. Internationaal publiekrecht beschermt publieke belangen, zoals veiligheid, welzijn,
bescherming van natuur en milieu etc. Internationaal publiekrecht beschermt ook
bovennationale publieke belangen: belangen van staten gezamenlijk en in sommige gevallen
de belangen van de internationale gemeenschap als geheel.
Internationaal privaatrecht beheerst privaatrechtelijke rechtsbetrekkingen met een
grensoverschrijdend karakter, denk aan grensoverschrijdende koop van goederen, levering van
diensten, huwelijken en echtscheidingen. Internationaal privaatrecht beoogt conflicten te voorkomen
en op te lossen. Het bepaalt welk nationaal recht op een grensoverschrijdende rechtsverhouding van
toepassing is (conflictenrecht), welke rechter bevoegd is dat recht toe te passen (bevoegheidsrecht)
en hoe rechterlijke vonnissen moeten worden erkend of ten uitvoer moeten worden gelegd
(erkennigs- en executierecht).
Het juridische element onderscheidt internationaal publiekrechtelijke normen van andere
(internationale) normen. Internationale betrekkingen worden ook beïnvloed door morele en religieuze
normen. Juridische regels moeten binnen de internationale rechtsorde, in geval van conflict voorrang
hebben boven niet-juridische regels. Alleen dan kan een staat met redelijke zekerheid voorzien
volgens welke regels een andere staat zich zal gedragen. Als een morele of een politieke
overweging een juridische regel buitenspel kan zetten, dan zou de juridische regel geen houvast
hebben.
Het onderscheid tussen juridische regels en politieke en morele regels, kan worden bepaald aan de
hand van twee criteria:
1. De bron van een regel. Alleen regels die uit de bronnen, verdragen, gewoonterecht, besluiten
van internationale organisaties en algemene rechtsbeginselen, voortvloeien, behoren tot
internationaal publiekrecht. Het onderscheid tussen rechtsregels en andere regels aan de
hand van de rechtsbron is een kenmerk van het positivisme.
2. Rechtsregels zijn onderdeel van een systeem dat schending van een norm verbindt met een
sanctie. De verbinding tussen een overtreding van een rechtsnorm en een door het recht
geregelde sanctie is een wezenskenmerk van recht.
De organisatie van de internationale rechtsorde verschilt van de nationale rechtsorde.
De nationale rechtsorde is gecentraliseerd. Publiek gezag worden uitgeoefend door de overheid
namens en ten behoeve van de gemeenschap. Alle rechtssubjecten zijn onderworpen aan het
4