Aantekeningen Interdisciplinair Onderzoek naar Sociale
Problemen
Woensdag 11 februari 2025
Lees voor het tentamen ook de artikelen door (kijk hiervoor in de
cursushandleiding).
Sociaal probleem = een situatie die als problematisch wordt ervaren door
een groep van personen, omdat ze een bedreiging vormt voor hun
centrale waarden en belangen en waarvan wordt verondersteld dat
ingrijpen noodzakelijk is om tot een aanvaardbare oplossing te komen
Sociale problemen zijn ook wicked problems, deze problemen zijn:
- Complex.
- Onvoldoende/ tegenstrijdige informatie.
- Je hebt verschillende perspectieven/ disciplines nodig. Pedagoog,
antropoloog, psycholoog, socioloog. Disciplines combineren
interdisciplinair.
Transdisciplinariteit = dit gaat echt over samenwerken aan een onderzoek.
Sociale problemen begrijpen we vanuit drie factoren:
1. Intrapersoonlijk, het individu.
2. Interpersoonlijk, jouw relaties tussen personen.
3. Omgeving.
Aantekeningen die slaan op de artikelen.
Bronfenbrenner’s ecocologische model. Vijf soorten:
1. Microsysteem Je bent onderdeel van een systeem at bestaat uit
andere mensen om jou heen, jij bent in verbinding met jou
omgeving.
2. Mesosysteem Op het moment dat jouw omgeving met elkaar in
verbinding is, interacties tussen microsystemen, bijv. je ouders
praten samen met je vrienden
, 3. Exosysteem Contexten waar je zelf geen deel uit maakt, bijv. de
media of het werk van je ouders.
4. Macrosysteem Maatschappelijke factoren, dingen in de
samenleving.
5. Chronosysteem Heeft allemaal met tijd te maken. Levensloop,
doorheen je leven zijn verschillende factoren belangrijk. Historische
context, in verschillende tijden zijn verschillende factoren belangrijk.
Extra uitleg: https://sproutsschools.com/bronfenbrenners-ecological-
systems/
Dit is het oude model, maar er zijn nieuwe onderdelen aan toegevoegd:
- Proces, ontwikkeling vindt plaats via proximale processen.
- Persoon (intrapersoonlijk), individuen brengen persoonlijke
eigenschappen mee naar elke sociale situatie. Drie categorieën:
1. Demand = eigenschappen die een ander direct ziet.
2. Resourse = te maken met mentale en emotionele bronnen en
sociale en materiële bronnen.
3. Force = temperament, motivatie, doorzettingsvermogen, etc.
Eigenschappen.
- Context, er zijn verschillende contexten. Micor, Meso, Exo, Macro.
- Tijd, tijd op verschillende niveaus:
1. Micro-tijd = wat er gebeurt tijdens een specifieke activiteit of
interactie (‘real-time’).
2. Meso-tijd = de mate van continuïteit waarin activiteiten over
interacties plaatsvinden (bijv. hoeveel dagen/weken/ jaren, etc.).
3. Macro-tijd = chronosysteem.
Mediatie = als het verband tussen twee variabelen
wordt verklaard door een derde variabele. Bijv. als je
op voetbal zit maak je meer vrienden. Nee, want je
hebt ook te maken met introvert en extrovert en
andere factoren.
Moderatie = als het verband tussen twee variabelen afhankelijk is van de
waarde van een derde variabele. Bijv. er is een
connectie tussen sociale media gebruik en sociale
verbindingen. Maar of dit positief of negatief is
hangt af van je moderatie. In dit geval hangt het af
van het type gebruik (actief/ passief gebruikt).
Anekdotisch bewijs = ook wel te snelle generalisatie. Bijvoorbeeld. Mijn
oma rookte een pakje per dag en die is 95 geworden! Je moet meer data
hebben dan één persoon. Hierdoor merken we dat cijfers heel belangrijk
zijn.
Cijfers moeten voldoen aan de volgende aspecten:
- Reproduceerbaar, een andere onderzoeker moet het onderzoek
nogmaals kunnen uitvoeren. Het onderzoek moet dus transparant en
erg gedetailleerd zijn.
, - Repliceerbaar, op het moment dat een andere onderzoeker het
onderzoek nogmaals uitvoert, alleen dan met een andere
steekproef, moeten ongeveer dezelfde resultaten eruit komen.
- Generaliseerbaar, gelden de onderzoeksresultaten ook voor andere
mensen dan diegenen die meededen aan het onderzoek?
Ecologische validiteit = in hoeverre is de situatie onderzocht dat
echt realistisch is en dus in de werkelijkheid kan gebeuren.
- Theoretisch onderbouwd, je moet er altijd bij vertellen waarom iets
zo is. Verklarend.
Problemen
Woensdag 11 februari 2025
Lees voor het tentamen ook de artikelen door (kijk hiervoor in de
cursushandleiding).
Sociaal probleem = een situatie die als problematisch wordt ervaren door
een groep van personen, omdat ze een bedreiging vormt voor hun
centrale waarden en belangen en waarvan wordt verondersteld dat
ingrijpen noodzakelijk is om tot een aanvaardbare oplossing te komen
Sociale problemen zijn ook wicked problems, deze problemen zijn:
- Complex.
- Onvoldoende/ tegenstrijdige informatie.
- Je hebt verschillende perspectieven/ disciplines nodig. Pedagoog,
antropoloog, psycholoog, socioloog. Disciplines combineren
interdisciplinair.
Transdisciplinariteit = dit gaat echt over samenwerken aan een onderzoek.
Sociale problemen begrijpen we vanuit drie factoren:
1. Intrapersoonlijk, het individu.
2. Interpersoonlijk, jouw relaties tussen personen.
3. Omgeving.
Aantekeningen die slaan op de artikelen.
Bronfenbrenner’s ecocologische model. Vijf soorten:
1. Microsysteem Je bent onderdeel van een systeem at bestaat uit
andere mensen om jou heen, jij bent in verbinding met jou
omgeving.
2. Mesosysteem Op het moment dat jouw omgeving met elkaar in
verbinding is, interacties tussen microsystemen, bijv. je ouders
praten samen met je vrienden
, 3. Exosysteem Contexten waar je zelf geen deel uit maakt, bijv. de
media of het werk van je ouders.
4. Macrosysteem Maatschappelijke factoren, dingen in de
samenleving.
5. Chronosysteem Heeft allemaal met tijd te maken. Levensloop,
doorheen je leven zijn verschillende factoren belangrijk. Historische
context, in verschillende tijden zijn verschillende factoren belangrijk.
Extra uitleg: https://sproutsschools.com/bronfenbrenners-ecological-
systems/
Dit is het oude model, maar er zijn nieuwe onderdelen aan toegevoegd:
- Proces, ontwikkeling vindt plaats via proximale processen.
- Persoon (intrapersoonlijk), individuen brengen persoonlijke
eigenschappen mee naar elke sociale situatie. Drie categorieën:
1. Demand = eigenschappen die een ander direct ziet.
2. Resourse = te maken met mentale en emotionele bronnen en
sociale en materiële bronnen.
3. Force = temperament, motivatie, doorzettingsvermogen, etc.
Eigenschappen.
- Context, er zijn verschillende contexten. Micor, Meso, Exo, Macro.
- Tijd, tijd op verschillende niveaus:
1. Micro-tijd = wat er gebeurt tijdens een specifieke activiteit of
interactie (‘real-time’).
2. Meso-tijd = de mate van continuïteit waarin activiteiten over
interacties plaatsvinden (bijv. hoeveel dagen/weken/ jaren, etc.).
3. Macro-tijd = chronosysteem.
Mediatie = als het verband tussen twee variabelen
wordt verklaard door een derde variabele. Bijv. als je
op voetbal zit maak je meer vrienden. Nee, want je
hebt ook te maken met introvert en extrovert en
andere factoren.
Moderatie = als het verband tussen twee variabelen afhankelijk is van de
waarde van een derde variabele. Bijv. er is een
connectie tussen sociale media gebruik en sociale
verbindingen. Maar of dit positief of negatief is
hangt af van je moderatie. In dit geval hangt het af
van het type gebruik (actief/ passief gebruikt).
Anekdotisch bewijs = ook wel te snelle generalisatie. Bijvoorbeeld. Mijn
oma rookte een pakje per dag en die is 95 geworden! Je moet meer data
hebben dan één persoon. Hierdoor merken we dat cijfers heel belangrijk
zijn.
Cijfers moeten voldoen aan de volgende aspecten:
- Reproduceerbaar, een andere onderzoeker moet het onderzoek
nogmaals kunnen uitvoeren. Het onderzoek moet dus transparant en
erg gedetailleerd zijn.
, - Repliceerbaar, op het moment dat een andere onderzoeker het
onderzoek nogmaals uitvoert, alleen dan met een andere
steekproef, moeten ongeveer dezelfde resultaten eruit komen.
- Generaliseerbaar, gelden de onderzoeksresultaten ook voor andere
mensen dan diegenen die meededen aan het onderzoek?
Ecologische validiteit = in hoeverre is de situatie onderzocht dat
echt realistisch is en dus in de werkelijkheid kan gebeuren.
- Theoretisch onderbouwd, je moet er altijd bij vertellen waarom iets
zo is. Verklarend.