Handboek diagnostiek in de leerlingenbegeleiding: kind en
context
Gebaseerd op Verschueren & Koomen (2016 en nieuwer)
Hoofdstuk 2 – Diagnostiek van rekenen
Rekenen is een complex cognitief proces waarin procedures,
conceptueel begrip en automatisering samenkomen. Diagnostiek
van rekenproblemen richt zich daarom niet alleen op uitkomsten
(goed/fout), maar vooral op hoe een leerling tot een antwoord
komt.
Belangrijke uitgangspunten:
Rekenvaardigheid ontwikkelt zich hiërarchisch (van tellen
naar automatiseren).
Rekenproblemen zijn vaak hardnekkig en hebben invloed op
schoolsucces en zelfbeeld.
Diagnostiek bestaat uit:
analyse van basisvaardigheden (getalbegrip, tellen,
splitsen);
inzicht in strategiegebruik;
onderscheid tussen rekenachterstand en ernstige
rekenstoornis (dyscalculie).
Contextfactoren (onderwijsaanbod, instructiekwaliteit, motivatie)
spelen een cruciale rol en moeten altijd worden meegenomen.
Hoofdstuk 3 – Diagnostiek van technisch lezen en spellen
Technisch lezen en spellen vormen de basis van geletterdheid.
Problemen op dit domein zijn vaak vroeg zichtbaar en kunnen
langdurige gevolgen hebben.
Centrale begrippen:
technisch lezen: accuraat en vlot decoderen;
spellen: toepassen van orthografische regels.
Diagnostiek richt zich op:
, leesnauwkeurigheid en leessnelheid;
foutenanalyse (welke typen fouten?);
ontwikkelingsfase van de leerling.
Een belangrijk onderscheid is dat tussen:
lees-/spellingproblemen door onvoldoende instructie;
dyslexie: een specifieke, hardnekkige stoornis.
Een goede diagnostiek vereist herhaalde metingen, intensieve
interventies en evaluatie van respons op instructie.
Hoofdstuk 4 – Diagnostiek van begrijpend lezen
Begrijpend lezen is meer dan technisch lezen. Het vraagt om:
woordenschat;
achtergrondkennis;
inferenties maken;
monitoring van begrip.
Leerlingen kunnen technisch vlot lezen, maar toch moeite hebben
met begrip. Diagnostiek moet daarom onderscheid maken tussen:
decodeerproblemen;
taalbegripsproblemen;
strategieproblemen.
Belangrijk is dat toetsen begrijpend lezen vaak meerdere
processen tegelijk meten. Interpretatie vraagt daarom
voorzichtigheid en aanvullende observaties en gesprekken.
Hoofdstuk 7 – Aandacht
Aandacht is een meerdimensionaal construct en omvat
verschillende processen:
alertheid;
selectieve aandacht;
volgehouden aandacht;
aandachtswisselingen.
,Aandachtsproblemen zijn situationeel en contextafhankelijk.
Diagnostiek vraagt daarom om:
observaties in verschillende settings;
informatie van ouders en leerkrachten;
combinatie van tests en vragenlijsten.
Aandacht staat in nauwe relatie tot motivatie, emotie en
executieve functies.
Hoofdstuk 8 – Studiemotivatie
Studiemotivatie verwijst naar de bereidheid en inzet van
leerlingen om te leren. Verschueren & Koomen benadrukken dat
motivatie:
dynamisch is;
beïnvloed wordt door succeservaringen, feedback en
verwachtingen.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen:
intrinsieke motivatie;
extrinsieke motivatie;
amotivatie.
Diagnostiek van motivatie richt zich op beleving, attributies en
doelen van de leerling. Lage motivatie is vaak een signaal, geen
oorzaak op zichzelf.
Hoofdstuk 9 – Zelfbeleving
Zelfbeleving betreft hoe leerlingen zichzelf zien en waarderen.
Het omvat:
zelfconcept;
zelfwaardering;
academisch zelfbeeld.
Een negatief zelfbeeld kan ontstaan door herhaalde
faalervaringen en beïnvloedt motivatie en leerprestaties.
Diagnostiek vraagt om:
, gesprekken met de leerling;
vragenlijsten;
aandacht voor context (klas, leerkracht, thuissituatie).
Hoofdstuk 11 – Beslissingen over studie en beroep
Keuzes over schoolloopbaan en beroep zijn
ontwikkelingsopgaven. Diagnostiek ondersteunt leerlingen bij het
maken van realistische en passende keuzes.
Belangrijke factoren:
interesses;
capaciteiten;
motivatie;
contextuele kansen en beperkingen.
Diagnostiek is hier begeleidend en adviserend, niet selecterend.
Het doel is zelfinzicht en regie bij de leerling.
Hoofdstuk 13 – Relaties met leeftijdgenoten
Relaties met peers zijn essentieel voor sociaal-emotionele
ontwikkeling. Problemen kunnen zich uiten in:
afwijzing;
eenzaamheid;
pesten;
sociale teruggetrokkenheid.
Diagnostiek richt zich op:
kwaliteit van relaties;
sociale vaardigheden;
positie in de groep.
Ook hier geldt dat problemen altijd in samenhang met context
moeten worden bekeken.
Overkoepelende conclusie: kind én context
context
Gebaseerd op Verschueren & Koomen (2016 en nieuwer)
Hoofdstuk 2 – Diagnostiek van rekenen
Rekenen is een complex cognitief proces waarin procedures,
conceptueel begrip en automatisering samenkomen. Diagnostiek
van rekenproblemen richt zich daarom niet alleen op uitkomsten
(goed/fout), maar vooral op hoe een leerling tot een antwoord
komt.
Belangrijke uitgangspunten:
Rekenvaardigheid ontwikkelt zich hiërarchisch (van tellen
naar automatiseren).
Rekenproblemen zijn vaak hardnekkig en hebben invloed op
schoolsucces en zelfbeeld.
Diagnostiek bestaat uit:
analyse van basisvaardigheden (getalbegrip, tellen,
splitsen);
inzicht in strategiegebruik;
onderscheid tussen rekenachterstand en ernstige
rekenstoornis (dyscalculie).
Contextfactoren (onderwijsaanbod, instructiekwaliteit, motivatie)
spelen een cruciale rol en moeten altijd worden meegenomen.
Hoofdstuk 3 – Diagnostiek van technisch lezen en spellen
Technisch lezen en spellen vormen de basis van geletterdheid.
Problemen op dit domein zijn vaak vroeg zichtbaar en kunnen
langdurige gevolgen hebben.
Centrale begrippen:
technisch lezen: accuraat en vlot decoderen;
spellen: toepassen van orthografische regels.
Diagnostiek richt zich op:
, leesnauwkeurigheid en leessnelheid;
foutenanalyse (welke typen fouten?);
ontwikkelingsfase van de leerling.
Een belangrijk onderscheid is dat tussen:
lees-/spellingproblemen door onvoldoende instructie;
dyslexie: een specifieke, hardnekkige stoornis.
Een goede diagnostiek vereist herhaalde metingen, intensieve
interventies en evaluatie van respons op instructie.
Hoofdstuk 4 – Diagnostiek van begrijpend lezen
Begrijpend lezen is meer dan technisch lezen. Het vraagt om:
woordenschat;
achtergrondkennis;
inferenties maken;
monitoring van begrip.
Leerlingen kunnen technisch vlot lezen, maar toch moeite hebben
met begrip. Diagnostiek moet daarom onderscheid maken tussen:
decodeerproblemen;
taalbegripsproblemen;
strategieproblemen.
Belangrijk is dat toetsen begrijpend lezen vaak meerdere
processen tegelijk meten. Interpretatie vraagt daarom
voorzichtigheid en aanvullende observaties en gesprekken.
Hoofdstuk 7 – Aandacht
Aandacht is een meerdimensionaal construct en omvat
verschillende processen:
alertheid;
selectieve aandacht;
volgehouden aandacht;
aandachtswisselingen.
,Aandachtsproblemen zijn situationeel en contextafhankelijk.
Diagnostiek vraagt daarom om:
observaties in verschillende settings;
informatie van ouders en leerkrachten;
combinatie van tests en vragenlijsten.
Aandacht staat in nauwe relatie tot motivatie, emotie en
executieve functies.
Hoofdstuk 8 – Studiemotivatie
Studiemotivatie verwijst naar de bereidheid en inzet van
leerlingen om te leren. Verschueren & Koomen benadrukken dat
motivatie:
dynamisch is;
beïnvloed wordt door succeservaringen, feedback en
verwachtingen.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen:
intrinsieke motivatie;
extrinsieke motivatie;
amotivatie.
Diagnostiek van motivatie richt zich op beleving, attributies en
doelen van de leerling. Lage motivatie is vaak een signaal, geen
oorzaak op zichzelf.
Hoofdstuk 9 – Zelfbeleving
Zelfbeleving betreft hoe leerlingen zichzelf zien en waarderen.
Het omvat:
zelfconcept;
zelfwaardering;
academisch zelfbeeld.
Een negatief zelfbeeld kan ontstaan door herhaalde
faalervaringen en beïnvloedt motivatie en leerprestaties.
Diagnostiek vraagt om:
, gesprekken met de leerling;
vragenlijsten;
aandacht voor context (klas, leerkracht, thuissituatie).
Hoofdstuk 11 – Beslissingen over studie en beroep
Keuzes over schoolloopbaan en beroep zijn
ontwikkelingsopgaven. Diagnostiek ondersteunt leerlingen bij het
maken van realistische en passende keuzes.
Belangrijke factoren:
interesses;
capaciteiten;
motivatie;
contextuele kansen en beperkingen.
Diagnostiek is hier begeleidend en adviserend, niet selecterend.
Het doel is zelfinzicht en regie bij de leerling.
Hoofdstuk 13 – Relaties met leeftijdgenoten
Relaties met peers zijn essentieel voor sociaal-emotionele
ontwikkeling. Problemen kunnen zich uiten in:
afwijzing;
eenzaamheid;
pesten;
sociale teruggetrokkenheid.
Diagnostiek richt zich op:
kwaliteit van relaties;
sociale vaardigheden;
positie in de groep.
Ook hier geldt dat problemen altijd in samenhang met context
moeten worden bekeken.
Overkoepelende conclusie: kind én context