§2.1 Het bbp
Wat zijn de productiefactoren en de beloning hiervan?
Productiefactoren: arbeid, kapitaal (goederen), natuur en ondernemerschap.
Beloning: loon, rente/huur, pacht en winst.
Hoe bepaal je het bbp met de objectieve methode of subjectieve
methode?
Objectief (goederen): Optellen van toegevoegde waarde (geen winst!) van
bedrijven en de overheid. Er wordt geproduceerd met inzet van
productiefactoren (KANO).
Subjectief (personen): Optellen van beloning voor productiefactoren (primaire
inkomens) en afschrijvingen. Primaire inkomens: loon, rente, huur, pacht en
winst. Afschrijvingen: machines
slijten en moeten worden vervangen (wordt rekening mee gehouden via
afschrijvingskosten).
De toegevoegde waarde van de overheid wordt gelijk gesteld aan de
ambtenarensalarissen.
Waarom is het bbp een slechte/beperkte maatstaf voor de welvaart?
Het bbp houdt geen rekening met: nominaal en reëel bbp, bbp per hoofd t.o.v.
het totale bbp, negatieve en positieve externe effecten en de informele sector.
Hoe bereken je verandering van het reële bbp (per hoofd) m.b.v.
indexcijfers?
Je maakt van de gegeven procenten indexcijfers. Dan pas je de formule ((N – O)
: O) x 100% toe.
Je gebruikt vervolgens de formule RIC = NIC : PIC toe, waarbij RIC = reëel bbp,
NIC = nominaal bbp en PIC = inflatie. Let hierbij goed op of het gaat om bbp
per hoofd of niet!
Wat betekenen de begrippen brede welvaart, maatschappelijke
welvaart en welzijn?
Brede welvaart: materiële én immateriële factoren die bijdragen aan kwaliteit
van leven, zowel nu als in de toekomst, in binnen- en buitenland. Rekening
wordt gehouden met: hier en nu, later en elders.
Maatschappelijke welvaart: de waarde van consumptie van goederen en
diensten.
Welzijn: als er ook rekening wordt gehouden met niet-schaarse middelen, zoals
liefde en gezondheid.
Waarom is maatschappelijke welvaart subjectief zolang welvaart
van huishoudens dat is?
Maatschappelijke welvaart is subjectief zolang welvaart van huishoudens dat is,
bijvoorbeeld als opbrengsten/kosten van infrastructuur, milieu of veiligheid niet
in geld kunnen worden uitgedrukt.
Waarom houdt maatschappelijke welvaart politieke waardeoordelen
in over ongelijkheid?
Omdat het politieke waardeoordelen inhoudt over wiens welvaart het zwaarst
weegt in optelling van welvaart van huishoudens en over de waarde van
collectieve goederen.
Hoe wordt brede welvaart in de praktijk wordt gemeten?
, Human Development Index: samengestelde index van volksgezondheid,
onderwijs en bbp per hoofd van de bevolking.
World Happiness Index: samengestelde index op basis van wereldwijde
vragenlijsten over onderwerpen zoals economie, diversiteit, onderwijs, milieu,
veiligheid en gezondheid.
Groen bbp: bbp – schade aan het mileu + verbetering aan het milieu.
Wat zijn negatieve en positieve externe effecten?
Dat zijn onbedoelde positieve/negatieve gevolgen van productie/consumptie op
welvaart van derden die niet bij de prijs van het product/dienst zitten
inbegrepen, waardoor de maatschappij betaalt.
Waarom wordt volgens Klassieken groei van productiecapaciteit
bepaald door de hoeveelheid productiefactoren en de kwaliteit van
productiefactoren?
De groei van productiecapaciteit kan op twee manieren ontstaan:
Een toename van de hoeveelheid beschikbare productiefactoren (KANO). Als er
meer mensen werken of er meer machines zijn, kan er meer worden
geproduceerd.
Of door toename van kwaliteit van productiefactoren. Het gaat hierbij om
toename van de productiviteit van arbeid en kapitaal. Onderwijs zorgt voor
meer kennis en vaardigheden (human capital) en een toename van gemiddelde
productie van een werknemer (de arbeidsproductiviteit)
Wat zijn de factoren die de productiviteit bepalen?
Innovatie en R&D, onderwijs, infrastructuur, beter milieu, politieke stabiliteit en
geografische ligging.
Waardoor kunnen er volgens Keynesianen op korte termijn grote
schommelingen zijn in het bbp van een land?
Door veranderingen in de bestedingen van consumenten, bedrijven, de
overheid en het buitenland. De bestedingen noemen we ook wel de effectieve
vraag (afgekort met EV). Door een crisis gaan consumenten bijvoorbeeld
minder besteden.
Wat zijn de onderdelen van de effectieve vraag (EV = C + I + O + E –
I)?
C: Consumptie
I: Investeringen. Let op: investeringen hebben een bestedingseffect (de
bestedingen en de productie nemen toe) en een capaciteitseffect (de
productiecapaciteit neemt toe).
O: Overheidsbestedingen = overheidsconsumptie + overheidsinvesteringen.
Let op: een besteding is pas een besteding als er een productiefactor wordt
ingezet. Bij overdrachtsinkomens (uitkeringen en toeslagen) is dat dus niet het
geval.
E – I: Export minus import.
Wanneer is er sprake van onderbesteding, overbesteding en
bestedingsevenwicht?
Onderbesteding (EV < PC): De effectieve vraag is kleiner dan de
productiecapaciteit. De productiecapaciteit wordt niet volledig benut.
Bijvoorbeeld: consumenten hebben weinig vertrouwen, consumeren minder en
sparen meer. Minder consumptie = minder effectieve vraag.
Overbesteding (EV > PC): De effectieve vraag is groter dan de
productiecapaciteit. Hierdoor neemt de voorraad van bedrijven af en wordt er
overgewerkt door het personeel.