wat zijn de veronderstellingen van houder en de bezitter?
⇒ 3:109 (houder wordt vermoed bezitter te zijn)
⇒ 3:119 (bezitter wordt vermoed rechthebbende te zijn)
hoe kun je van houder naar bezitter gaan (+ artikel)
⇒ hierbij ga je van het houden voor een ander, naar het houden voor jezelf
⇒ alleen via 3:111 mogelijk (brevi manu)
⇒ brevi manu: door tegenspraak door degene die feitelijke macht over de zaak heeft en
deze tegenspraak uit richting de bezitter (eenzijdig kan niet dus)
hoe ga je van bezitter naar houder (+ artikel)
⇒ 3:115 sub a (CP-levering)
⇒ hierbij spreek je af dat je het voortaan onder je zal houden, totdat de bezitter het ophaalt
verschil tussen middellijk en onmiddellijk houder?
⇒ middellijk: hij heeft de fiets tijdelijk gekregen van de bezitter, en hij geeft hem ook weer
tijdelijk aan een derde
⇒ onmiddellijk: het is niet zijn fiets, hij houdt het voor iemand anders
verschil tussen middellijk en onmiddellijk bezitter?
⇒ middellijk: bezitter heeft zijn fiets tijdelijk aan iemand anders gegeven
⇒ onmidellijk: bezitter heeft zijn fiets zelf
welke artikelen haal je aan bij cp/brevi en longa manu?
⇒ cp: 3:115 sub a jo. 3:90
⇒ brevi: 3:115 sub b jo. 3:90
⇒ longa: 3:115 sub c jo. 3:90
is revindicatie mogelijk (in beginsel) + tenzij-bepaling
⇒ ja in beginsel mogelijik door de rechthebbende
⇒ tenzij-bepaling (3:86 lid 3) een consument het verkregen heeft in een daartoe bestemde
ruimte van een vervreemder
⇒ let op! de wegwijsplicht (3:87)
verschil in derdenbeschermingsbepalingen?
⇒ 3:86 = bij roerende zaken
⇒ 3:88 = bij overige zaken (bijvoorbeeld registergoderen of vorderingsrechten)
let op! bij 3:88 alleen reparatie bij beschikkingsonbevoegdheid die ontbreekt/mist
kom je bij faillissement nog toe aan derdenbescherming?
⇒ nee, zie 35 fw
vereisten 3:86 BW (derdenbescherming)
1. anders dan om niet (er moet een tegenprestatie bedongen zijn)
2. te goeder trouw (3:118 lid 3 of 3:11)
3. roerende zaak
,vereisten 3:88 BW (derdenbescherming)
a. de vervreemder moet beschikkingsonbevoegd zijn
b. overdragen van een goed waar 3:86 niet op van toepassing is
c. verkrijger moet te goeder trouw zijn (3:11)
d. onbevoegdheid van de huidige vervreemder, moet voortvloeien uit een ongeldigheid van
een eerder overdracht
e. die onbevoegdheid (onder d) moet niet het gevolg zijn van de
beschikkingsonbevoegdheid van die toenmalige vervreemder
WEEK 2
HOORCOLLEGE
verschil tussen natrekking, vermenging, zaaksvorming en oneigenlijke vermenging?
natrekking: voorheen individuele zaken worden een zaak (voorbeeld: ketting aanbrengen
op een fiets)
vermenging: alleen bij roerende zaken (voorbeeld: vloeistoffen, gassen of zand met elkaar
vermengen)
zaaksvorming: uit bepaalde roerende zaken, maak je een compleet nieuwe zaak met eigen
identiteit (door scheppende arbeid komt er een nieuwe zaak met nieuwe identiteit)
oneigenlijke vermenging: niet in de wet, alleen in jurisprudentie (de zaken blijven
afzonderlijk, maar wie precies eigenaar is geworden van de zaak - dat kan niet meer worden
bewezen)
kenmerken toe-eigening (5:4)
⇒ alleen bij roerende zaken, die geen eigenaar hebben (res nullius, 5:18 BW)
⇒ een onroerende zaak heeft altijd een eigenaar (5:24 BW) - nederlandse staat
⇒ inbezitneming (3:113 lid 1) de feitelijke macht verschaffen
kenmerken vinderschap (5:5)
⇒ voor vinderschap moet je te goeder trouw zijn
⇒ let op! hierbij gaat het om roerende zaken vinden, die geen schat zijn (schatvinding is
5:13 BW)
vereisten vinderschap
a. roerende zaak (niet zijnde een schat)
b. onbeheerd (dus niet in de macht van een ander)
c. roerende zaak moet onder zich worden genomen + aangifte bij gemeenteambtenaar
⇒ 5:10 (eventueel vindersloon)
d. eigendomsverkrijging na 1 jaar na aangifte (5:6 lid 1)
⇒ na 1 jaar houden, ben je geen houder meer (maar bezitter)
, ⇒ de beperkte rechten op de zaak, gaan weg (het goed is dus onbezwaard
geworden)
⇒ bijzondere vorm van eigendomsverkrijging (indien voldaan aan de voorwaarden)
waar vinden we natrekking in de wet + wat zijn de criteria?
⇒ 5:14 (roerende zaken), verkeersopvatting (1) of waarde aanmerkelijk hoger (2)
let op! van de optie verkeersopvatting kun je geen gebruik maken bij vermenging van
gelijksoorige roerende zaken (HR Glencore/NBM)
⇒ 3:4 (onroerend en roerend), schadecriterium (1) of verkeersopvatting (2)
stappenplan: HR Depex/bergel (om te kijken of een roerende/onroerende zaak naar
verkeersopvatting een hoofdzaak of bestanddeel is)
stap 1) afstemmingscriterium: is alles in constructief opzicht op elkaar afgestemd?
stap 2) onvoltooidheidscriterium: is X (het gebouw, niet het bedrijf) nog steeds geschikt, als
Y weg zou zijn?
let op! functie van X is niet van belang hierbij (het bedrijf dus)
Wat zegt UTB/Glencore over wat wel/niet relevant is voor het schadecriterium?
⇒ schadecriterium is 3:4 lid 2
⇒ (1) fysieke gevolgen van afscheiding of (2) ontzettend duur/tijdrovend
⇒ niet relevant: vermogensrechtelijke gevolgen of dat er wel/geen herstel mogelijk is na
afscheiden
wat zegt HR Prorail/stichting rijswijk?
⇒ aard- of nagelvaste verbinding is niet vereist (voor het zijn van bestanddeel van de grond)
⇒ tijdelijke functie/hulpconstructie: geen aanwijzing dat het een bestanddeel van de grond is
(het is namelijk een tijdelijke constructie)
wat als er geen hoofdzaak is aan te wijzen bij natrekking (roerende zaken)?
stap 1) 5:14 lid 2: dan ontstaat er een nieuwe zaak
stap 2) mede-eigendom onstaat (naar evenredigheid van aandeel in de oorspronkelijke
zaak, 3:166 lid 2)
stappenplan: vermenging (roerende zaken)
stap 1) 5:15 jo. 5:14 (indien je te maken hebt met vermenging, is 5:14 van overeenkomstige
toepassing)
stap 2) HR Glencore/Nationale Borg-Maatschappij (r.o. 3.7.4.)
⇒ er is een hoofdzaak aan te merken: ene zaak wordt hoofdzaak, anders wordt bestanddeel
⇒ er is geen hoofdzaak aan te merken: nieuwe zaak in mede-eigendom ontstaat (5:15 jo.
5:14 lid 2)
let op! je kunt de optie verkeersopvatting niet gebruiken bij vermenging van gelijksoortige
zaken (r.o. 3.7.5.)
, wat zegt HR kuikenbroederij en bij welk leerstuk is dit arrest te plaatsen?
⇒ leerstuk: zaaksvorming (5:16)
⇒ rechtsregel: naar verkeersopvatting onstaat er een nieuwe zaak (wanneer kuiken het ei
verlaat), met een nieuwe identiteit (het is dus niet als natuurlijke vrucht aan te merken)
kenmerken zaaksvorming + artikel?
⇒ 5:16 lid 1: iemand vormt (menselijk handelen/scheppende arbeid is nodig)
⇒ er onstaat een nieuwe roerende zaak (oorspronkelijke roerende zaken bestaan niet meer)
⇒ afhankelijk van de verkeersopvattingen of er sprake is van een nieuwe roerende zaak (dit
vul je in ahv HR Love/Love en HR kuikenbroederij)
kenmerken HR love/love
hoofdregel: eigenaar(s) van de oorspronkelijke zaak/zaken (5:16 lid 1)
⇒ oorspronkelijke zaken allemaal eigendom van 1 eigenaar: nieuwe zaak ook
⇒ oorspronkelijke zaken allemaal eigendom van meerdere eigenaars: 5:14 lid 1 en 2
uitzondering: zaaksvorming voor zichzelf (5:16 lid 2)
⇒ iemand die voor zichzelf de zaak vormt of doet vormen (via een opdrachtnemer) wordt
eigenaar
let op! ook als hij de zaak vormt met andermans zaak
let op! deze uitzondering gaat niet op wanneer de kosten van vorming te gering zijn
wanneer is er sprake van vormen of doen vormen (HR breda/st antonius)
⇒ bij industriele fabricage:
a. wat is het risico van de bruikbaarheid/verhandelbaarheid/winstgevendheid
b. bij wie ligt de schade bij fabricageproces?
c. wie heeft beslissende invloed op de wijze van productie en vorm van het eindproduct
is de verhouding tussen productiekosten en kosten van materiaal van belang?
⇒ nee
⇒ niet van belang bij de verhouding om te kijken of iemand voor zichzelf doet vormen
⇒ wel van belang voor: oorspronleijke eigenaar en vormen voor zichzelf (5:16 lid 2, laatste
zin)
stappenplan: 5:20 lid 1 sub e
stap 1) hoofdregel: gebouwen en werken die duurzaam zijn verenigd worden meegetrokken
(verticale natrekking) met de eigendom van de grond
HR Portacabin: gezichtspunten om te kijken of iets duurzaam met de grond is verenigd
a. naar aard/inrichting bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven
b. duurzame bestemming moet naar buiten toe blijken (soort permanentie)