Cognitie
Belangrijk persoon: Jean Pignet
Fase 1: 0 – 2 jaar > sensori-mototrische fase
Denken: gebaseerd op handelen > een innerlijke voorstelling ontwikkelen van een handeling (=
representatie)
Sociaal-emotioneel
Samenhangend met cognitie
Erik Erikson: onderscheid 8 fasen. Elka fase is een crisis waaruit zich een basishouding ontwikkelt ten
opzichte van zichzelf, anderen en de wereld (bouwstenen)
Fase 1 (0 – 1 jaar): Basis van vertrouwen – wantrouwen
Ik ben de moeite waard om voor gezorgd te worden. Anderen zijn goed voor me, je kunt op ze
vertrouwen. De wereld is een goede plek om in te verkeren.
Niet alleen passief ontvangen, maar ook zelf uitlokken (mastery/controle)
Wederkerigheid: het gaat niet alleen om de orale behoefte om gevoed te worden (Freud); relatie >
lichamelijk contact boven voeding
Hoop > erop vertrouwen dat iets wat er nu niet is, toch komt (bijvoorbeeld de moeder die
weg is, dat zij later terugkomt)
Fase 2 (1 – 3 jaar): autonomie-schaamte
Ontdekking een eigen persoon te zijn, die zelf iets kan en mag willen
Vergelijkbaar anale fase Freud
Trots over eigen kunnen;
Kwetsbaar evenwicht
Schaamte ligt op de loer
Later: flexibel compromissen sluiten, evenwicht in eigenbelang-aanpassing
Bowlby/Ainsworth
Bowlby: gehechtheid
Functies van gehechtheidssysteem:
- Veilige basis (secure base): durven exploreren
- Veilige haven (save haven): systeem van nabijheid-zoekend gedrag dat geactiveerd wordt bij
angst/gevaar
Verinnerlijkte verwachtingen over beschikbaarheid anderen (interne werkmodellen)
,Verwachtingen over wel/niet de angst kunnen hanteren/overwinnen (emotie-regulatie)
Strategieën/stijlen om met onveiligheid om te gaan: gehechtheids-stijlen
Mary Ainsworth: De vreemde situatie (Strange Situation)
3 typen van gehechtheid:
- Veilig: 60 – 70 %
- Angstig: 10 – 15% > overactivering
- Vermijdend: 20% > downplaying
Later nog een stijl:
- Gedesorganiseerd: 5 – 10% > frozen watchfulness
Deze kinderen hebben geen strategie meer om op hun angst te reageren, bevriezen als het ware ->
wel zeer alert op omgeving
Opvoedsituaite bijzonder onveilig, kan te maken hebben met ouders die
mishandelend/verwaarlozend zijn > reageren niet op het kind, kan het kind heel angstig maken
Responsiviteit van de ouder
- Signaleren
- Interpreteren
- Adequaat reageren
Relationele basispatronen die in verdere ontwikkeling steeds een rol spelen; tot in volwassenheid
Metingen in volwassenheid:
- Zelfrapportage vragenlijst; ECR
- Gecodeerd interview; Gehechtheidsbiografisch interview
Meet de toegang tot emotionele gehechtheidsherinneringen; manier van vertellen i.p.v. inhoud
Op basis van narratieve kenmerken van vertelde herinneringen;
- Autonoom (veilig): gezonde afstand tot emotie
- Afwerend (vermijdend): weinig concrete details, idealisering
- Gepreoccupeerd (angstig): zich weer verliezen in emoties, geen samenhang in verhaal, ook
deels idealisering (fijne relatie met ouders)
Religieus/spiritueel
Erikson:
- Basishouding van vertrouwen/hoop
- Psychologische functies die later ook nodig zijn voor 'geloven'
Kirkpatrick, Granqvist:
God is te beschouwen als ultieme gehechtheidsfiguur
, - Correspondentiehypothese – veel gehechtheid bij ouders, dus ook in relatie met God.
- Compensatiehypothese - relatie met god compenseert voor tekort aan gehechtheid bij
ouders
De manier waarop mensen in relaties staan en wel/niet vertrouwen + mate van gehechtheid komt
terug in relatie met God.
Taal
Tot 2 maanden:
- passief; al voorkeur voor klank/lettercombinaties actief: klanken maken
2/3 maanden:
- Tateren; oefenen met alle medeklinkers die te maken zijn (niet via imitatie)
6 maanden:
- Brabbelen (imitatie)
12 maanden:
- Eerste woorden; eenwoordzinnen
18-20 maanden:
- Tweewoordzinnen
24 maanden:
- Drie of meerwoordzinnen
- Woordenschat van 200/300 woorden
Zintuigen en motoriek
Horen:
- Zuiver gehoor (alle klanken)
- Herkenning stem moeder
Zien:
- Eerst: auditief aangestuurd (kijkt naar wat het hoort in omgeving)
- Voorkeur voor vorm gezichten
- Pas na 4 maanden verschil mens/voorwerp
- Eerst alleen zwart/wit zien
Ruiken:
- Belangrijk: moederborst
- Primair met emoties verbonden
Voelen en proeven:
, - Meisjes gevoeliger voor aanraken
- Tast: belangrijkste bron van contact, mond heel belangrijk -> visuele herkenning
- Smaak: voorkeur voor zoet
Ontwikkelingsrichting groei:
- Cafalocaudaal: van hoofd tot staart
- Proximodistaal: van centraal naar extremiteiten (centraal zenuwstelsel naar armen en
benen)
Grove motoriek:
Fijne motoriek:
Vaste reactiepatronen, volgens regels:
- Oriëntatieregel
- Onderzoeksregel
- Scannen
- Preferentie
- Habituatie
- Omkering (voelen-zien)
- (primaire) circulaire reacties (Funktionlust)
Ontwikkeling 2 – 12 jaar
Cognietief
Piaget: pre-operationele fase
Oorzaak gevolg <-> magisch denken
Peuters:
Belangrijk persoon: Jean Pignet
Fase 1: 0 – 2 jaar > sensori-mototrische fase
Denken: gebaseerd op handelen > een innerlijke voorstelling ontwikkelen van een handeling (=
representatie)
Sociaal-emotioneel
Samenhangend met cognitie
Erik Erikson: onderscheid 8 fasen. Elka fase is een crisis waaruit zich een basishouding ontwikkelt ten
opzichte van zichzelf, anderen en de wereld (bouwstenen)
Fase 1 (0 – 1 jaar): Basis van vertrouwen – wantrouwen
Ik ben de moeite waard om voor gezorgd te worden. Anderen zijn goed voor me, je kunt op ze
vertrouwen. De wereld is een goede plek om in te verkeren.
Niet alleen passief ontvangen, maar ook zelf uitlokken (mastery/controle)
Wederkerigheid: het gaat niet alleen om de orale behoefte om gevoed te worden (Freud); relatie >
lichamelijk contact boven voeding
Hoop > erop vertrouwen dat iets wat er nu niet is, toch komt (bijvoorbeeld de moeder die
weg is, dat zij later terugkomt)
Fase 2 (1 – 3 jaar): autonomie-schaamte
Ontdekking een eigen persoon te zijn, die zelf iets kan en mag willen
Vergelijkbaar anale fase Freud
Trots over eigen kunnen;
Kwetsbaar evenwicht
Schaamte ligt op de loer
Later: flexibel compromissen sluiten, evenwicht in eigenbelang-aanpassing
Bowlby/Ainsworth
Bowlby: gehechtheid
Functies van gehechtheidssysteem:
- Veilige basis (secure base): durven exploreren
- Veilige haven (save haven): systeem van nabijheid-zoekend gedrag dat geactiveerd wordt bij
angst/gevaar
Verinnerlijkte verwachtingen over beschikbaarheid anderen (interne werkmodellen)
,Verwachtingen over wel/niet de angst kunnen hanteren/overwinnen (emotie-regulatie)
Strategieën/stijlen om met onveiligheid om te gaan: gehechtheids-stijlen
Mary Ainsworth: De vreemde situatie (Strange Situation)
3 typen van gehechtheid:
- Veilig: 60 – 70 %
- Angstig: 10 – 15% > overactivering
- Vermijdend: 20% > downplaying
Later nog een stijl:
- Gedesorganiseerd: 5 – 10% > frozen watchfulness
Deze kinderen hebben geen strategie meer om op hun angst te reageren, bevriezen als het ware ->
wel zeer alert op omgeving
Opvoedsituaite bijzonder onveilig, kan te maken hebben met ouders die
mishandelend/verwaarlozend zijn > reageren niet op het kind, kan het kind heel angstig maken
Responsiviteit van de ouder
- Signaleren
- Interpreteren
- Adequaat reageren
Relationele basispatronen die in verdere ontwikkeling steeds een rol spelen; tot in volwassenheid
Metingen in volwassenheid:
- Zelfrapportage vragenlijst; ECR
- Gecodeerd interview; Gehechtheidsbiografisch interview
Meet de toegang tot emotionele gehechtheidsherinneringen; manier van vertellen i.p.v. inhoud
Op basis van narratieve kenmerken van vertelde herinneringen;
- Autonoom (veilig): gezonde afstand tot emotie
- Afwerend (vermijdend): weinig concrete details, idealisering
- Gepreoccupeerd (angstig): zich weer verliezen in emoties, geen samenhang in verhaal, ook
deels idealisering (fijne relatie met ouders)
Religieus/spiritueel
Erikson:
- Basishouding van vertrouwen/hoop
- Psychologische functies die later ook nodig zijn voor 'geloven'
Kirkpatrick, Granqvist:
God is te beschouwen als ultieme gehechtheidsfiguur
, - Correspondentiehypothese – veel gehechtheid bij ouders, dus ook in relatie met God.
- Compensatiehypothese - relatie met god compenseert voor tekort aan gehechtheid bij
ouders
De manier waarop mensen in relaties staan en wel/niet vertrouwen + mate van gehechtheid komt
terug in relatie met God.
Taal
Tot 2 maanden:
- passief; al voorkeur voor klank/lettercombinaties actief: klanken maken
2/3 maanden:
- Tateren; oefenen met alle medeklinkers die te maken zijn (niet via imitatie)
6 maanden:
- Brabbelen (imitatie)
12 maanden:
- Eerste woorden; eenwoordzinnen
18-20 maanden:
- Tweewoordzinnen
24 maanden:
- Drie of meerwoordzinnen
- Woordenschat van 200/300 woorden
Zintuigen en motoriek
Horen:
- Zuiver gehoor (alle klanken)
- Herkenning stem moeder
Zien:
- Eerst: auditief aangestuurd (kijkt naar wat het hoort in omgeving)
- Voorkeur voor vorm gezichten
- Pas na 4 maanden verschil mens/voorwerp
- Eerst alleen zwart/wit zien
Ruiken:
- Belangrijk: moederborst
- Primair met emoties verbonden
Voelen en proeven:
, - Meisjes gevoeliger voor aanraken
- Tast: belangrijkste bron van contact, mond heel belangrijk -> visuele herkenning
- Smaak: voorkeur voor zoet
Ontwikkelingsrichting groei:
- Cafalocaudaal: van hoofd tot staart
- Proximodistaal: van centraal naar extremiteiten (centraal zenuwstelsel naar armen en
benen)
Grove motoriek:
Fijne motoriek:
Vaste reactiepatronen, volgens regels:
- Oriëntatieregel
- Onderzoeksregel
- Scannen
- Preferentie
- Habituatie
- Omkering (voelen-zien)
- (primaire) circulaire reacties (Funktionlust)
Ontwikkeling 2 – 12 jaar
Cognietief
Piaget: pre-operationele fase
Oorzaak gevolg <-> magisch denken
Peuters: