Oefentoets – ontwikkelingspsychologie
Test 1 – Meerkeuzevragen
1. Wat betekent nativisme?
A. Ontwikkeling wordt vooral bepaald door opvoeding
B. Ontwikkeling wordt bepaald door genetische factoren
C. Ontwikkeling verloopt in duidelijke stadia
D. Ontwikkeling wordt gestuurd door cultuur
2. Wat is een sensitive period?
A. Een periode waarin ontwikkeling stopt
B. Een periode waarin ervaringen belangrijk zijn maar niet absoluut noodzakelijk
C. Een periode waarin gedrag volledig genetisch bepaald is
D. Een periode waarin kinderen geen nieuwe vaardigheden leren
3. Volgens Bronfenbrenner behoort het gezin tot welk systeem?
A. Macrosystem
B. Exosystem
C. Microsystem
D. Chronosystem
4. In Freud’s theorie werkt het id volgens:
A. Het realiteitsprincipe
B. Het moraalprincipe
C. Het plezierprincipe
D. Het sociale principe
5. Welke theorie benadrukt dat kinderen leren door observatie en imitatie?
A. Psychodynamische theorie
B. Sociaal leertheorie
C. Piagetiaanse theorie
D. Ethologische theorie
6. Wat is een voorbeeld van een primaire emotie?
A. Schaamte
B. Schuld
C. Blijdschap
D. Trots
7. Stranger distress ontstaat meestal rond:
A. 3 maanden
B. 6 maanden
C. 9 maanden
D. 18 maanden
8. Volgens Bowlby is een attachment een:
A. Cognitieve vaardigheid
B. Sterke emotionele band tussen baby en verzorger
, C. Sociale rol
D. Vorm van imitatie
9. Welke vorm van attachment vertonen kinderen die hun moeder vermijden bij
terugkomst?
A. Secure attachment
B. Insecure-avoidant attachment
C. Insecure-resistant attachment
D. Disorganized attachment
10. Wat betekent cephalocaudal ontwikkeling?
A. Ontwikkeling van binnen naar buiten
B. Ontwikkeling van hoofd naar voeten
C. Ontwikkeling van voeten naar hoofd
D. Ontwikkeling van spieren naar botten
11. Wat beschrijft synaptic pruning?
A. De vorming van nieuwe neuronen
B. Het versterken van alle synapsen
C. Het verwijderen van weinig gebruikte verbindingen
D. Het ontstaan van hersenhelften
12. Wat betekent plasticity van het brein?
A. Het brein verandert niet na geboorte
B. Het brein kan zich aanpassen aan ervaringen
C. Het brein groeit alleen genetisch
D. Het brein werkt alleen tijdens jeugd
13. Wat meet de visual cliff test?
A. Geheugen
B. Taalontwikkeling
C. Diepteperceptie
D. Emotionele ontwikkeling
14. Volgens Piaget is object permanence:
A. Begrip dat objecten blijven bestaan ook als je ze niet ziet
B. Het vermogen om objecten te benoemen
C. Het herkennen van kleuren
D. Het manipuleren van objecten
15. In welke fase begint symbolisch denken volgens Piaget?
A. Sensorimotorische fase
B. Preoperationele fase
C. Concrete operationele fase
D. Formele operationele fase
Test 1 – Meerkeuzevragen
1. Wat betekent nativisme?
A. Ontwikkeling wordt vooral bepaald door opvoeding
B. Ontwikkeling wordt bepaald door genetische factoren
C. Ontwikkeling verloopt in duidelijke stadia
D. Ontwikkeling wordt gestuurd door cultuur
2. Wat is een sensitive period?
A. Een periode waarin ontwikkeling stopt
B. Een periode waarin ervaringen belangrijk zijn maar niet absoluut noodzakelijk
C. Een periode waarin gedrag volledig genetisch bepaald is
D. Een periode waarin kinderen geen nieuwe vaardigheden leren
3. Volgens Bronfenbrenner behoort het gezin tot welk systeem?
A. Macrosystem
B. Exosystem
C. Microsystem
D. Chronosystem
4. In Freud’s theorie werkt het id volgens:
A. Het realiteitsprincipe
B. Het moraalprincipe
C. Het plezierprincipe
D. Het sociale principe
5. Welke theorie benadrukt dat kinderen leren door observatie en imitatie?
A. Psychodynamische theorie
B. Sociaal leertheorie
C. Piagetiaanse theorie
D. Ethologische theorie
6. Wat is een voorbeeld van een primaire emotie?
A. Schaamte
B. Schuld
C. Blijdschap
D. Trots
7. Stranger distress ontstaat meestal rond:
A. 3 maanden
B. 6 maanden
C. 9 maanden
D. 18 maanden
8. Volgens Bowlby is een attachment een:
A. Cognitieve vaardigheid
B. Sterke emotionele band tussen baby en verzorger
, C. Sociale rol
D. Vorm van imitatie
9. Welke vorm van attachment vertonen kinderen die hun moeder vermijden bij
terugkomst?
A. Secure attachment
B. Insecure-avoidant attachment
C. Insecure-resistant attachment
D. Disorganized attachment
10. Wat betekent cephalocaudal ontwikkeling?
A. Ontwikkeling van binnen naar buiten
B. Ontwikkeling van hoofd naar voeten
C. Ontwikkeling van voeten naar hoofd
D. Ontwikkeling van spieren naar botten
11. Wat beschrijft synaptic pruning?
A. De vorming van nieuwe neuronen
B. Het versterken van alle synapsen
C. Het verwijderen van weinig gebruikte verbindingen
D. Het ontstaan van hersenhelften
12. Wat betekent plasticity van het brein?
A. Het brein verandert niet na geboorte
B. Het brein kan zich aanpassen aan ervaringen
C. Het brein groeit alleen genetisch
D. Het brein werkt alleen tijdens jeugd
13. Wat meet de visual cliff test?
A. Geheugen
B. Taalontwikkeling
C. Diepteperceptie
D. Emotionele ontwikkeling
14. Volgens Piaget is object permanence:
A. Begrip dat objecten blijven bestaan ook als je ze niet ziet
B. Het vermogen om objecten te benoemen
C. Het herkennen van kleuren
D. Het manipuleren van objecten
15. In welke fase begint symbolisch denken volgens Piaget?
A. Sensorimotorische fase
B. Preoperationele fase
C. Concrete operationele fase
D. Formele operationele fase