Inleiding
Drie fasen in het strafproces: opsporing, vervolging en tenuitvoerlegging.
Oppervlakkig ligt het opsporen bij de politie, het vervolgen bij het OM,
advocaat en rechter en het tenuitvoerleggen bij het gevangeniswezen en
CJI.
In de laatste jaren wordt het slachtoffer ook als actor gezien in de keten. Je
hebt drie rollen:
- Als belangstellende kan het slachtoffer het proces bijwonen
- Als procesdeelnemer kan hij gebruik maken van spreekrecht
- Als procespartij kan hij vergoeding van geleden schade Eisen.
Door de jaren heen wisselt het strafrechtklimaat en de context van de
actoren. Vanaf ong. 1800 zien we steeds een wisseling tussen de twee
belangrijkste hoofdfuncties: repressie en resocialisatie. Aan de ene kant
heb je vergelding en beveiliging van de samenleving en aan de andere kan
resocialisatie en de situatie van de dader.
,2 De politie
Politie heeft geweldsmonopolie. Ze hebben in het veld grote discretionaire
ruimte: ruimte voor politiemensen op straat om hun eigen inzicht te
volgen en zelfstandig te beslissen.
Geschiedenis:
In de jaren ’60 trad de politie repressief op en dat werd niet goed opgevat,
vanaf dat moment kwamen er taken voor sociale contact met de
samenleving. Ik de jaren ’70 werden er wijkteams opgezet, deze hadden
alle taken van de politie plus de sociale cohesie onderhouden.
Tegenover deze ontwikkeling staat een continu proces van
schaalvergroting. Er ontstonden steeds meer interlokaal, regionale,
nationale en internationale samenwerkingsverbanden. Dit had 2 redenen:
- Criminelen werden steeds mobieler
- Politieministers zagen voordelen in een minder versnipperde
organisatie.
In de jaren ’90 gingen we van 148 gemeentelijke politiekorpsen en de 17
districten van korps rijkspolitie naar 25 regionale politiekorpsen en het
Korps landelijke politiediensten (KLPD). De basistaak werd in deze tijd te
veel en werd er dus gebied gebonden politiezorg opgericht, deze was
gericht op de sociale contacten.
De belangrijkste ontwikkeling bij de politie is de digitalisering. Dit heeft
invloed op de aard en omvang van criminaliteit. ‘Intelligence’ speelt een
sleutelrol in het huidige politiebeleid. Dit is geanalyseerde informatie op
grond waarvan beslissingen over de uitvoering van de politietaak wordt
genomen.
--------------------------------------------
Het proces van centralisatie leidde tot het besluit van een landelijke politie
die is georganiseerd in tien regionale eenheden en een landelijke eenheid,
het geheel onder leiding van één korpschef. Onder de regionale eenheden
vallen nog diensten, districten en divisies.
De hoofdtaken van politie zijn handhaven, opsporen en hulpverlenen.
Handhaven kunnen we omschrijven als het in stand houden van de
legitieme maatschappelijke verhoudingen en aanspraken. Dit heeft twee
invalshoeken
a) Handhaven van de wet
Deze typeert de politie het meest. Het is handhaven met wettelijke
middelen
, b) Handhaven van de maatschappelijke orde.
Richt zich speciaal op de openbare orde. Het in stand houden van de
normale sociale en fysieke patronen in de publieke ruimte.
De essentie van politie is sociale controle. Informele sociale controle krijgt
vorm en inhoud door de activiteiten van mensen onderling. Mensen doen
dit uit zichzelf, maar soms schieten ze tekort, dan komt formele sociale
controle. Formele sociale controle is indien deze wordt uitgeoefend door
mensen die op grond van regels in de samenleving die controle als
speciale taak hebben.
Politie heeft voor haar werk twee essentiële hulpmiddelen: bijbehorende
informatietechnologie en een bepaalde mate van gezag en wettelijke
middelen om dwingend in te grijpen. De politie werkt samen met de
burgers voor informatie en naleving van regels.
Politie kent, volgens het inrichtingsplan nationale politie, het
basispolitiewerk 4 hoofdprocessen:
- Intake en service
- Noodhulp
- Handhaving
- Opsporing
Deze vier zijn te onderscheiden, maar niet te scheiden. Ze kunnen elkaar
aanvullen en overlappen.
Noodhulp is sterk incidentgericht politiewerk en bestaat overwegen uit
controle van rechtsregels. Noodhulp agenten treden geregeld repressief
op. Ook in wijkagentenstraatwerk speelt controle van rechtsregels de
hoofdrol, gevolg door hulpverlening en netwerken. Straatwerk = controle
op rechtsregels.
De mobiele eenheid (ME) kan doen aan crowd control en crowd
management.
Opsporing vindt plaats op verschillende niveaus in de politieorganisatie.
Het principe van oplossen is dat het delict en dader aan elkaar worden
gekoppeld. Voor het oplossen van delicten zijn 2 hoofdroutes:
A. Van gepleegd delict naar verdachte. Kan dat het slachtoffer de
verdachte bekend heeft gemaakt of op heterdaad is betrapt; klassiek
opsporen aan de hand van incomplete aanwijzingen komt het minst
voor.
B. Politie heeft een verdachte aangehouden voor een delict en zoeken
andere delicten bij de verdachte (case enrichment).
Drie fasen in het strafproces: opsporing, vervolging en tenuitvoerlegging.
Oppervlakkig ligt het opsporen bij de politie, het vervolgen bij het OM,
advocaat en rechter en het tenuitvoerleggen bij het gevangeniswezen en
CJI.
In de laatste jaren wordt het slachtoffer ook als actor gezien in de keten. Je
hebt drie rollen:
- Als belangstellende kan het slachtoffer het proces bijwonen
- Als procesdeelnemer kan hij gebruik maken van spreekrecht
- Als procespartij kan hij vergoeding van geleden schade Eisen.
Door de jaren heen wisselt het strafrechtklimaat en de context van de
actoren. Vanaf ong. 1800 zien we steeds een wisseling tussen de twee
belangrijkste hoofdfuncties: repressie en resocialisatie. Aan de ene kant
heb je vergelding en beveiliging van de samenleving en aan de andere kan
resocialisatie en de situatie van de dader.
,2 De politie
Politie heeft geweldsmonopolie. Ze hebben in het veld grote discretionaire
ruimte: ruimte voor politiemensen op straat om hun eigen inzicht te
volgen en zelfstandig te beslissen.
Geschiedenis:
In de jaren ’60 trad de politie repressief op en dat werd niet goed opgevat,
vanaf dat moment kwamen er taken voor sociale contact met de
samenleving. Ik de jaren ’70 werden er wijkteams opgezet, deze hadden
alle taken van de politie plus de sociale cohesie onderhouden.
Tegenover deze ontwikkeling staat een continu proces van
schaalvergroting. Er ontstonden steeds meer interlokaal, regionale,
nationale en internationale samenwerkingsverbanden. Dit had 2 redenen:
- Criminelen werden steeds mobieler
- Politieministers zagen voordelen in een minder versnipperde
organisatie.
In de jaren ’90 gingen we van 148 gemeentelijke politiekorpsen en de 17
districten van korps rijkspolitie naar 25 regionale politiekorpsen en het
Korps landelijke politiediensten (KLPD). De basistaak werd in deze tijd te
veel en werd er dus gebied gebonden politiezorg opgericht, deze was
gericht op de sociale contacten.
De belangrijkste ontwikkeling bij de politie is de digitalisering. Dit heeft
invloed op de aard en omvang van criminaliteit. ‘Intelligence’ speelt een
sleutelrol in het huidige politiebeleid. Dit is geanalyseerde informatie op
grond waarvan beslissingen over de uitvoering van de politietaak wordt
genomen.
--------------------------------------------
Het proces van centralisatie leidde tot het besluit van een landelijke politie
die is georganiseerd in tien regionale eenheden en een landelijke eenheid,
het geheel onder leiding van één korpschef. Onder de regionale eenheden
vallen nog diensten, districten en divisies.
De hoofdtaken van politie zijn handhaven, opsporen en hulpverlenen.
Handhaven kunnen we omschrijven als het in stand houden van de
legitieme maatschappelijke verhoudingen en aanspraken. Dit heeft twee
invalshoeken
a) Handhaven van de wet
Deze typeert de politie het meest. Het is handhaven met wettelijke
middelen
, b) Handhaven van de maatschappelijke orde.
Richt zich speciaal op de openbare orde. Het in stand houden van de
normale sociale en fysieke patronen in de publieke ruimte.
De essentie van politie is sociale controle. Informele sociale controle krijgt
vorm en inhoud door de activiteiten van mensen onderling. Mensen doen
dit uit zichzelf, maar soms schieten ze tekort, dan komt formele sociale
controle. Formele sociale controle is indien deze wordt uitgeoefend door
mensen die op grond van regels in de samenleving die controle als
speciale taak hebben.
Politie heeft voor haar werk twee essentiële hulpmiddelen: bijbehorende
informatietechnologie en een bepaalde mate van gezag en wettelijke
middelen om dwingend in te grijpen. De politie werkt samen met de
burgers voor informatie en naleving van regels.
Politie kent, volgens het inrichtingsplan nationale politie, het
basispolitiewerk 4 hoofdprocessen:
- Intake en service
- Noodhulp
- Handhaving
- Opsporing
Deze vier zijn te onderscheiden, maar niet te scheiden. Ze kunnen elkaar
aanvullen en overlappen.
Noodhulp is sterk incidentgericht politiewerk en bestaat overwegen uit
controle van rechtsregels. Noodhulp agenten treden geregeld repressief
op. Ook in wijkagentenstraatwerk speelt controle van rechtsregels de
hoofdrol, gevolg door hulpverlening en netwerken. Straatwerk = controle
op rechtsregels.
De mobiele eenheid (ME) kan doen aan crowd control en crowd
management.
Opsporing vindt plaats op verschillende niveaus in de politieorganisatie.
Het principe van oplossen is dat het delict en dader aan elkaar worden
gekoppeld. Voor het oplossen van delicten zijn 2 hoofdroutes:
A. Van gepleegd delict naar verdachte. Kan dat het slachtoffer de
verdachte bekend heeft gemaakt of op heterdaad is betrapt; klassiek
opsporen aan de hand van incomplete aanwijzingen komt het minst
voor.
B. Politie heeft een verdachte aangehouden voor een delict en zoeken
andere delicten bij de verdachte (case enrichment).