Basisstof 3 Chemische vertering
Het verteringsproces
Door vertering worden eiwitmoleculen afgebroken tot afzonderlijke
aminozuurmole culen. Moleculen van polysachariden en disachariden worden
gesplitst monosachariden. Vetmoleculen (triglyceriden) worden verteerd tot
afzonderlijke glycerolmoleculen en vetzuurmoleculen. Bij een deel v/d
vetmoleculen wordt het laatste vetzuur niet afgesplitst en ontstaat een
monoglyceride.
De afbraak van voedingsstoffen tot losse bouwstenen gebeurt m.b.v.
verschillende verteringsenzymen voor koolhydraten, eiwitten en vetten. De
werking v. enzymen wordt beïnvloed door de pH en de temperatuur.
Speeksel en maagsap
De vertering begint in je mond. Speeksel bevat het enzym amylase, dat een deel
van het zetmeel in het voedsel afbreekt tot maltose (disacharide). Amylase is
werkzaam bij een pH van ongeveer 6 – 7,5. Het pH-optimum is 6,6.
Als voedsel in de maag komt, dringt het zure maagsap geleidelijk in de
voedselbrij door. Daardoor daalt langzaam de pH v/d voedselbrij. Het gevolg
hiervan is dat de amylase die met de voedselbrij mee in de maag is
terechtgekomen, na enige tijd onwerkzaam wordt.
Als het voedsel in de maag is aangekomen, regelt het hormoon gastrine uit de
maagwand de productie van maagsap. Een type kliercellen produceert H +-ionen
en Cl—ionen, andere cellen produceren slijm en weer andere pepsinogeen (=
inactief pro-enzym). Na afscheiding in de maag vormen H +-ionen en Cl—ionen
zoutzuur. Onder invloed van zoutzuur wordt het inactieve pepsinogeen
geactiveerd tot het enzym pepsine. Pepsine activeert zelf ook pepsinogeen
hierdoor is het activeren van pepsinogeen een proces dat zichzelf versterkt.
Onder invloed van pepsine worden eiwitmoleculen gesplitst. De
verteringsproducten zijn enkele nog lange aminozuurketens: polypeptiden.
Pepsine is alleen werkzaam in een sterk zuur milieu. pH-optimum = 2,5
Alvleessap
Het verteringsproces
Door vertering worden eiwitmoleculen afgebroken tot afzonderlijke
aminozuurmole culen. Moleculen van polysachariden en disachariden worden
gesplitst monosachariden. Vetmoleculen (triglyceriden) worden verteerd tot
afzonderlijke glycerolmoleculen en vetzuurmoleculen. Bij een deel v/d
vetmoleculen wordt het laatste vetzuur niet afgesplitst en ontstaat een
monoglyceride.
De afbraak van voedingsstoffen tot losse bouwstenen gebeurt m.b.v.
verschillende verteringsenzymen voor koolhydraten, eiwitten en vetten. De
werking v. enzymen wordt beïnvloed door de pH en de temperatuur.
Speeksel en maagsap
De vertering begint in je mond. Speeksel bevat het enzym amylase, dat een deel
van het zetmeel in het voedsel afbreekt tot maltose (disacharide). Amylase is
werkzaam bij een pH van ongeveer 6 – 7,5. Het pH-optimum is 6,6.
Als voedsel in de maag komt, dringt het zure maagsap geleidelijk in de
voedselbrij door. Daardoor daalt langzaam de pH v/d voedselbrij. Het gevolg
hiervan is dat de amylase die met de voedselbrij mee in de maag is
terechtgekomen, na enige tijd onwerkzaam wordt.
Als het voedsel in de maag is aangekomen, regelt het hormoon gastrine uit de
maagwand de productie van maagsap. Een type kliercellen produceert H +-ionen
en Cl—ionen, andere cellen produceren slijm en weer andere pepsinogeen (=
inactief pro-enzym). Na afscheiding in de maag vormen H +-ionen en Cl—ionen
zoutzuur. Onder invloed van zoutzuur wordt het inactieve pepsinogeen
geactiveerd tot het enzym pepsine. Pepsine activeert zelf ook pepsinogeen
hierdoor is het activeren van pepsinogeen een proces dat zichzelf versterkt.
Onder invloed van pepsine worden eiwitmoleculen gesplitst. De
verteringsproducten zijn enkele nog lange aminozuurketens: polypeptiden.
Pepsine is alleen werkzaam in een sterk zuur milieu. pH-optimum = 2,5
Alvleessap