ONGELIJKHEID
H1
Nivellering: Het kleiner worden van de relatieve inkomensverschillen.
Denivellering: Het groter worden van de relatieve inkomensverschillen.
Vermogen: Het geld dat in een onderneming is gestoken om de bezittingen te betalen. Bezit – schuld
> voorraadgrootheid > vermogen kun je op een bepaald moment meten.
Inkomen is een stroomgrootheid.
Primair inkomen: Het inkomen dat verdiend wordt in het productieproces. Voorbeelden: loon,
rente, huur, pacht en winst. Is gelijk aan productie(waarde) en toegevoegde waarde.
Secundair inkomen: Het inkomen na herverdeling van het primaire inkomen door de collectieve
sector. Te berekenen met: primair inkomen – ingehouden belastingen en sociale premies +
uitkeringen en subsidies/toeslagen.
Bruto inkomen: Het inkomen voor aftrek van belastingen en premies.
Besteedbaar inkomen: Inkomen na aftrek van belastingen en premies, maar inclusief de
overdrachtsinkomens (bijvoorbeeld kinderbijslag).
Reëel inkomen (= koopkracht): De hoeveelheid goederen die je met je inkomen kunt kopen.
indexcijfer nominaal
indexcijfer reëel inkomen= inkomen x 100
CPI
Gestandaardiseerd inkomen: Inkomen gecorrigeerd voor de omvang en samenstelling van het
huishouden.
Lorenzcurve: Een grafiek die de (on)gelijkmatigheid van een verdeling weergeeft.
Gini-coëfficiënt: Getal tussen de 0 en 1 dat inkomensverschillen of vermogensverschillen
weergeeft. Het wordt berekend door oppervlakte tussen de lorenzcurve en de diagonaal van
(0,0) tot (100,100) te delen door de oppervlakte tussen deze diagonaal en de assen.
H2
Mensen met een hoog inkomen hebben vaak veel vermogen en mensen met veel vermogen hebben
vaak een hoog inkomen. Maar dat hoeft niet.
Vermogen kan inkomen opleveren en andersom > inkomen door rente en inkomen sparen
H3
Verschillen in inkomen door:
Verschillen in productiviteit, talenten en scholing > hoe hoger, hoe hoger inkomen
Vraag en aanbod op de arbeidsmarkt > veel vraag, hoog loon > veel aanbod, laag loon
Verantwoordelijkheid > directeur verdient meer dan ondergeschikte
Risico en zwaar werk
Macht > sommige beroepsgroepen hebben meer te zeggen bij loononderhandelingen
Technologische ontwikkeling > arbeiders vervangen door machines gaan naar laag betaalde
bannen
Globalisering en open grenzen > Oost-Europese arbeiders bieden zich voor een lage prijs aan >
neerwaartse druk op de beloningen
Vermogensverschillen > meer/ minder rente
De invloed van de overheid > minimumloon en progressieve belastingen
Flexibilisering van de arbeidsmarkt > hoe flexibeler, grotere beloningsverschillen
Verschillen tussen landen
Verschillen in vermogen door:
H1
Nivellering: Het kleiner worden van de relatieve inkomensverschillen.
Denivellering: Het groter worden van de relatieve inkomensverschillen.
Vermogen: Het geld dat in een onderneming is gestoken om de bezittingen te betalen. Bezit – schuld
> voorraadgrootheid > vermogen kun je op een bepaald moment meten.
Inkomen is een stroomgrootheid.
Primair inkomen: Het inkomen dat verdiend wordt in het productieproces. Voorbeelden: loon,
rente, huur, pacht en winst. Is gelijk aan productie(waarde) en toegevoegde waarde.
Secundair inkomen: Het inkomen na herverdeling van het primaire inkomen door de collectieve
sector. Te berekenen met: primair inkomen – ingehouden belastingen en sociale premies +
uitkeringen en subsidies/toeslagen.
Bruto inkomen: Het inkomen voor aftrek van belastingen en premies.
Besteedbaar inkomen: Inkomen na aftrek van belastingen en premies, maar inclusief de
overdrachtsinkomens (bijvoorbeeld kinderbijslag).
Reëel inkomen (= koopkracht): De hoeveelheid goederen die je met je inkomen kunt kopen.
indexcijfer nominaal
indexcijfer reëel inkomen= inkomen x 100
CPI
Gestandaardiseerd inkomen: Inkomen gecorrigeerd voor de omvang en samenstelling van het
huishouden.
Lorenzcurve: Een grafiek die de (on)gelijkmatigheid van een verdeling weergeeft.
Gini-coëfficiënt: Getal tussen de 0 en 1 dat inkomensverschillen of vermogensverschillen
weergeeft. Het wordt berekend door oppervlakte tussen de lorenzcurve en de diagonaal van
(0,0) tot (100,100) te delen door de oppervlakte tussen deze diagonaal en de assen.
H2
Mensen met een hoog inkomen hebben vaak veel vermogen en mensen met veel vermogen hebben
vaak een hoog inkomen. Maar dat hoeft niet.
Vermogen kan inkomen opleveren en andersom > inkomen door rente en inkomen sparen
H3
Verschillen in inkomen door:
Verschillen in productiviteit, talenten en scholing > hoe hoger, hoe hoger inkomen
Vraag en aanbod op de arbeidsmarkt > veel vraag, hoog loon > veel aanbod, laag loon
Verantwoordelijkheid > directeur verdient meer dan ondergeschikte
Risico en zwaar werk
Macht > sommige beroepsgroepen hebben meer te zeggen bij loononderhandelingen
Technologische ontwikkeling > arbeiders vervangen door machines gaan naar laag betaalde
bannen
Globalisering en open grenzen > Oost-Europese arbeiders bieden zich voor een lage prijs aan >
neerwaartse druk op de beloningen
Vermogensverschillen > meer/ minder rente
De invloed van de overheid > minimumloon en progressieve belastingen
Flexibilisering van de arbeidsmarkt > hoe flexibeler, grotere beloningsverschillen
Verschillen tussen landen
Verschillen in vermogen door: