Opgaven werkcollege 7 – jaar 2025/2026 fictie art. 10 SW; ik-opa-testament, Paragraaf 5.5.0
Opgave 1
Vader (72 jaar) verkoopt zijn woning (WOZ-waarde € 500.000) aan zijn enig kind. Afgesproken wordt
dat vader voor onbepaalde tijd in de woning mag blijven wonen zonder dat hij daarvoor enige
vergoeding verschuldigd is.
Beantwoord de volgende vragen:
a. Wat is de waarde van het door vader voorbehouden genot?
Art. 10 SW is alleen van toepassing als de erflater tijdens zijn leven het genot heeft gehad van een
vruchtgebruik of een periodieke uitkering; er is sprake van een genot ogv art. 10 lid 3 SW als de
erflater niet jaarlijks ten minste 6% heeft vergoed. De begrippen vruchtgebruik en periodieke
uitkering moeten ook voor de toepassing van art. 10 SW worden uitgelegd overeenkomstig art. 18
SW. Onder vruchtgebruik wordt verstaan; vruchtgebruik, gebruik en bewoning, vruchten en
inkomsten, jaarlijkse opbrengsten en soortgelijke uitkeringen uit daartoe aangewezen goederen.
500k * 6% * factor die hoort bij de leeftijd van vader (art. 5 Uitvoeringsbesluit) = 7 = 500k * 6% * 7 =
210k.
(waarde van de koopprijs is dan dus 500-210 = 290k).
Voorbehouden genot is dus 210k waard.
Wg;
Wat is de waarde van het voorbehouden genot? De woning is 500k waard; dat doe je dan keer 6%, en
dat dan weer keer de levensafhankelijke factor van de vader (art. 5 Uitvoeringsbesluit), in dit geval 7;
dus; 500k * 6% * factor die hoort bij de leeftijd van vader (art. 5 Uitvoeringsbesluit) = 7 = 500k * 6% *
7 = 210k.
Die 210k is dus de waarde van het vruchtgebruik.
b. Maakt het uit of het genot bestaat uit:
• een vruchtgebruik; is een genotsrecht in de zin van art.
• het recht van gebruik en bewoning welk recht eindigt bij het om welke reden dan ook
metterwoon verlaten van de woning; of
• een persoonlijk genotsrecht zolang hij feitelijk in de woning woont?
Zijn allemaal genotsrechten in de zin van art. 10 SW; het artikel moet ruim worden uitgelegd/heeft
een ruim toepassingsbereik. De begrippen vruchtgebruik en periodieke uitkering moeten ook voor
de toepassing van art. 10 SW worden uitgelegd overeenkomstig art. 18 SW. Onder vruchtgebruik
wordt verstaan; vruchtgebruik, gebruik en bewoning, vruchten en inkomsten, jaarlijkse opbrengsten
en soortgelijke uitkeringen uit daartoe aangewezen goederen.
, Wg; art. 18 staat wat onder de successiewet onder vruchtgebruik wordt verstaan;
Persoonlijk genotsrecht is eigenlijk een afspraak met iemand, maar ook dat wordt in de successiewet
aangemerkt als een vruchtgebruik, en ook dat is al voldoende om voor art. 10 in aanmerking te
komen.
Er wordt in art. 18 gesproken over wat onder de SW onder vruchtgebruik wordt verstaan; afwijkende
definitie van het civiele recht (daar staat in art. 3;201, zakelijk recht dat gevestigd kan worden op een
onroerende zaak). Voor de SW wordt het uitgebreid; onder vruchtgebruik moet worden verstaan;
‘onder vruchtgebruik worden, voor de toepassing van deze wet, mede verstaan vruchtgenot, gebruik
en bewoning, vruchten en inkomsten, jaarlijkse opbrengsten en soortgelijke uitkeringen uit daartoe
aangewezen goederen’. Allerlei soorten varianten waarbij je het genot hebt feitelijk hebt van een
onroerende zaak moet daar dus onder worden begrepen.
Die laatste; een persoonlijk genotsrecht zolang hij feitelijk in de woning woont?, hiermee creëer je
een persoonlijk recht, maar uit de rechtspraak blijkt dat ook dat onder het begrip vruchtgebruik moet
worden begrepen voor de SW
- ondergrens is dus het feitelijk genot van een vermogensbestanddeel (in dit geval een
woning), dat wordt voor de SW aangemerkt als een vruchtgebruik, en dat is dus al voldoende
om in de sfeer van art. 10 SW te komen.
c. Zes jaar na de overdracht van de woning als hiervoor bedoeld, wordt vader opgenomen in een
verzorgingstehuis. Wat is het gevolg voor de heffing van erfbelasting als hij negen maanden na
de opname in het verzorgingstehuis overlijdt? Betrek in uw antwoord de hiervoor onder b.
beschreven varianten.
Variant 1; vruchtgebruik:
Vader wordt opgenomen in een verzorgingstehuis en sterft 9 maanden na opname.
Uit de parlementaire behandeling blijkt dat het opgeofferd bedrag dat ogv art. 7 lid 1 SW in
mindering op de fictieve verkrijging kan worden gebracht, de waarde is van de blote eigendom ten
tijd van de rechtshandeling.
Naar de letter van art. 7 lid 1 SW komt in mindering hetgeen ‘de verkrijger voor zijn verkrijging heeft
opgeofferd’. Indien het vruchtgebruik eindigt bij het overlijden van de vader, had de vader dus nog 9
maanden het vruchtgebruik van de woning. Het verschil tussen de waarde van de woning en het door
het kind opgeofferde bedrag (opgerent ogv art. 7 lid 1 en lid 3 SW) wordt in de heffing van de
erfbelasting betrokken. Ogv art. 10 is 500k – 290k (+ oprenting) = 210k is de fictieve verkrijging van de
ouder.
Wg;
Vruchtgebruik blijft tot het einde van zijn leven, dan is art. 10 wel van toepassing; dus als er een
zakelijk recht van vruchtgebruik dat is blijven bestaan tot het einde van het leven is het wel van
toepassing
Situatie 2; recht van gebruik en bewoning;
Het recht van gebruik en bewoning is geëindigd toen de vader de woning (metterwoon) heeft
verlaten, hetgeen 9 maanden voor zijn overlijden geschiedde. De vader heeft dus niet tot zijn dood
het genot van de woning gehad(art. 10 lid 1 sub a SW) en na 180 dagen (art. 10 lid 4 sub b SW), wat
maakt dat art. 10 SW geen toepassing vindt.
Opgave 1
Vader (72 jaar) verkoopt zijn woning (WOZ-waarde € 500.000) aan zijn enig kind. Afgesproken wordt
dat vader voor onbepaalde tijd in de woning mag blijven wonen zonder dat hij daarvoor enige
vergoeding verschuldigd is.
Beantwoord de volgende vragen:
a. Wat is de waarde van het door vader voorbehouden genot?
Art. 10 SW is alleen van toepassing als de erflater tijdens zijn leven het genot heeft gehad van een
vruchtgebruik of een periodieke uitkering; er is sprake van een genot ogv art. 10 lid 3 SW als de
erflater niet jaarlijks ten minste 6% heeft vergoed. De begrippen vruchtgebruik en periodieke
uitkering moeten ook voor de toepassing van art. 10 SW worden uitgelegd overeenkomstig art. 18
SW. Onder vruchtgebruik wordt verstaan; vruchtgebruik, gebruik en bewoning, vruchten en
inkomsten, jaarlijkse opbrengsten en soortgelijke uitkeringen uit daartoe aangewezen goederen.
500k * 6% * factor die hoort bij de leeftijd van vader (art. 5 Uitvoeringsbesluit) = 7 = 500k * 6% * 7 =
210k.
(waarde van de koopprijs is dan dus 500-210 = 290k).
Voorbehouden genot is dus 210k waard.
Wg;
Wat is de waarde van het voorbehouden genot? De woning is 500k waard; dat doe je dan keer 6%, en
dat dan weer keer de levensafhankelijke factor van de vader (art. 5 Uitvoeringsbesluit), in dit geval 7;
dus; 500k * 6% * factor die hoort bij de leeftijd van vader (art. 5 Uitvoeringsbesluit) = 7 = 500k * 6% *
7 = 210k.
Die 210k is dus de waarde van het vruchtgebruik.
b. Maakt het uit of het genot bestaat uit:
• een vruchtgebruik; is een genotsrecht in de zin van art.
• het recht van gebruik en bewoning welk recht eindigt bij het om welke reden dan ook
metterwoon verlaten van de woning; of
• een persoonlijk genotsrecht zolang hij feitelijk in de woning woont?
Zijn allemaal genotsrechten in de zin van art. 10 SW; het artikel moet ruim worden uitgelegd/heeft
een ruim toepassingsbereik. De begrippen vruchtgebruik en periodieke uitkering moeten ook voor
de toepassing van art. 10 SW worden uitgelegd overeenkomstig art. 18 SW. Onder vruchtgebruik
wordt verstaan; vruchtgebruik, gebruik en bewoning, vruchten en inkomsten, jaarlijkse opbrengsten
en soortgelijke uitkeringen uit daartoe aangewezen goederen.
, Wg; art. 18 staat wat onder de successiewet onder vruchtgebruik wordt verstaan;
Persoonlijk genotsrecht is eigenlijk een afspraak met iemand, maar ook dat wordt in de successiewet
aangemerkt als een vruchtgebruik, en ook dat is al voldoende om voor art. 10 in aanmerking te
komen.
Er wordt in art. 18 gesproken over wat onder de SW onder vruchtgebruik wordt verstaan; afwijkende
definitie van het civiele recht (daar staat in art. 3;201, zakelijk recht dat gevestigd kan worden op een
onroerende zaak). Voor de SW wordt het uitgebreid; onder vruchtgebruik moet worden verstaan;
‘onder vruchtgebruik worden, voor de toepassing van deze wet, mede verstaan vruchtgenot, gebruik
en bewoning, vruchten en inkomsten, jaarlijkse opbrengsten en soortgelijke uitkeringen uit daartoe
aangewezen goederen’. Allerlei soorten varianten waarbij je het genot hebt feitelijk hebt van een
onroerende zaak moet daar dus onder worden begrepen.
Die laatste; een persoonlijk genotsrecht zolang hij feitelijk in de woning woont?, hiermee creëer je
een persoonlijk recht, maar uit de rechtspraak blijkt dat ook dat onder het begrip vruchtgebruik moet
worden begrepen voor de SW
- ondergrens is dus het feitelijk genot van een vermogensbestanddeel (in dit geval een
woning), dat wordt voor de SW aangemerkt als een vruchtgebruik, en dat is dus al voldoende
om in de sfeer van art. 10 SW te komen.
c. Zes jaar na de overdracht van de woning als hiervoor bedoeld, wordt vader opgenomen in een
verzorgingstehuis. Wat is het gevolg voor de heffing van erfbelasting als hij negen maanden na
de opname in het verzorgingstehuis overlijdt? Betrek in uw antwoord de hiervoor onder b.
beschreven varianten.
Variant 1; vruchtgebruik:
Vader wordt opgenomen in een verzorgingstehuis en sterft 9 maanden na opname.
Uit de parlementaire behandeling blijkt dat het opgeofferd bedrag dat ogv art. 7 lid 1 SW in
mindering op de fictieve verkrijging kan worden gebracht, de waarde is van de blote eigendom ten
tijd van de rechtshandeling.
Naar de letter van art. 7 lid 1 SW komt in mindering hetgeen ‘de verkrijger voor zijn verkrijging heeft
opgeofferd’. Indien het vruchtgebruik eindigt bij het overlijden van de vader, had de vader dus nog 9
maanden het vruchtgebruik van de woning. Het verschil tussen de waarde van de woning en het door
het kind opgeofferde bedrag (opgerent ogv art. 7 lid 1 en lid 3 SW) wordt in de heffing van de
erfbelasting betrokken. Ogv art. 10 is 500k – 290k (+ oprenting) = 210k is de fictieve verkrijging van de
ouder.
Wg;
Vruchtgebruik blijft tot het einde van zijn leven, dan is art. 10 wel van toepassing; dus als er een
zakelijk recht van vruchtgebruik dat is blijven bestaan tot het einde van het leven is het wel van
toepassing
Situatie 2; recht van gebruik en bewoning;
Het recht van gebruik en bewoning is geëindigd toen de vader de woning (metterwoon) heeft
verlaten, hetgeen 9 maanden voor zijn overlijden geschiedde. De vader heeft dus niet tot zijn dood
het genot van de woning gehad(art. 10 lid 1 sub a SW) en na 180 dagen (art. 10 lid 4 sub b SW), wat
maakt dat art. 10 SW geen toepassing vindt.