Examensamenvatting Feniks en HC
6V
Hoofdstuk 1. Tijd van jagers en boeren
Paragraaf 1.1 Van jager-verzamelaars naar boeren
Jagers en verzamelaars: Boeren
- Paleolithicum. - Neolithicum.
- Jacht. - landbouw.
- Rondtrekken. - sedimentair.
- Geen aardewerk. - aardewerken.
- Lage bevolkingsdichtheid. - hoge bevolkingsdichtheid.
- Egalitair. - verschil tussen rijk
en arm.
Neolithische revolutie: overgang paleolithicum naar neolithicum.
Paragraaf 1.2 Dorpen en stadstaten
Mesopotamië: gebied tussen de rivieren (Eufraat & Tigris).
- Deel van vruchtbare halve maan.
- Stadstaten.
1. Hiërarchische opbouw (driehoek klassensysteem).
2. Godsdienstig centrum.
3. Taakverdeling/specialisatie.
4. Schrift (in dit geval spijkerschrift).
- Waarom in Mesopotamië stadstaten:
o Vruchtbaar door irrigatie landbouw à genoeg voedsel.
Paragraaf 1.3 De eerste staten
Neder- Egypte:
Nijl Egypte
Opper-
- Egypte Polytheïsme: behalve onder farao Achnaton
(Amenotep IV) na zijn dood kwam de Amon – cultus weer terug.
Zijn macht steunde op:
1. Ambtenarij en leger.
2. Belastingsysteem.
3. Goddelijke legitimering.
4. Propaganda.
- Hoe gingen de Egyptenaren om met de dood:
o Het lichaam moet blijven bestaan, omdat anders de ziel
niet kan voortbestaan (mummificeren).
Pagina 1 van 51
,Examen GS VWO 11 Mei 2026
Hoofdstuk 2. Tijd van Grieken en Romeinen
Paragraaf 2.1 Politiek en burgerschap in de Griekse
wereld
Republiek: Senaat + 2 consuls.
Regeringsvormen:
1. Monarchie (erfelijke alleenheerser).
2. Tirannie (niet – erfelijke alleenheerser).
3. Aristocratie (groep edelen).
4. Democratie (volwassen mannen met burgerrecht)
- Ze waren in feite verplicht om mee te besturen.
o Belangrijke functies (m.u.v. legerleider) werden verloot.
o Gevaarlijke bestuurders konden weggewerkt worden via
een ostracisme (=schervengericht).
De macht in Griekenland:
Athene: Sparta:
- Handel. - Landbouw.
- Hoge cultuur. - Lage cultuur.
- Vloot. - Leger.
- Democratie - Mengvorm
monarchie/aristocratie/democratie
Sparta had sterke soldaten (hoplieten). Athene verdedigde zich
met vloot en stadsmuur. Daarna veroverde Philippos van Macedonië
heel Griekenland à later versloegen de Romeinen de Griekse legers
en werden ze de baas in Griekenland.
Paragraaf 2.2 Wetenschappelijk denken
Athene was het centrum van cultuur en wetenschap:
- Filosofen: Socrates, Plato, Aristoteles.
- Denken over natuur en gezondheid:
o Atomen als kleinste ondeelbare eenheid.
o Pythagoras: wereld is uit te drukken in getallen.
o Hippocrates: 4 temperamenten (melancholisch,
cholerisch, flegmatisch, sanguinisch.
- Denken over mensen en samenleving:
o Plato en Socrates: er is een algemene waarheid.
o Sofisten: alles is relatief.
- Hoe probeerde Socrates achter de waarheid te komen:
Vragen te stellen.
- Denken in de praktijk:
o Alexandrië: à Museion (bibliotheek).
Pagina 2 van 51
,Examen GS VWO 11 Mei 2026
à Pharos (vuurtoren).
Paragraaf 2.3 Het imperium Romanum
Rome ontwikkelde zich:
- Monarchie: alleenheerser (koning) had de macht, erfopvolging.
- Republiek: senaat nam de belangrijkste beslissingen, 2 consuls
voor dagelijks bestuur (jaarlijks vervangen).
- Keizerrijk: gesticht door Julius Cesar, zijn adoptiezoon Augustus
(Octavianus) werd de 1e Keizer.
- Regering Augustus: de regering van Augustus was de meest
stabiele periode van het keizerrijk. Toen breidde het rijk zich uit.
Romanisering & conflicten met bijv. de
Germanen.
- De Rijn: de Rijn was de grens (limes) tussen Romeinen en de
rest, aangehouden na een nederlaag tegen de Germanen.
- Ondergang van het Romeinse Rijk (+- 450) kwam door:
1. Invallen van buitenaf; Hunnen, Germanen.
2. Problemen van binnenuit; generaals vochten om de macht.
Uiteindelijk: de laatste Romeinse keizer is afgezet door een
Germaanse generaal (Odoaker, die koning werd van Italië).
Paragraaf 2.4 Grieks-Romeinse cultuur
Beïnvloeding: de Romeinen werden sterk beïnvloed door de
Griekse cultuur.
In hoeverre namen de Romeinen de Griekse cultuur over:
1. Bouwkunst: zelfde tempels, maar alleen trappen aan de
voorkant, ook gebruik van marmer, maar ook van beton & bogen.
2. Beelhouwkunst: zelfde vormentaal, maar Romeinse beelden
waren gekleed.
3. Retorica: dit namen de Romeinen over, evenals bijv. komedie.
Daarnaast hadden de Romeinen een satire.
Paragraaf 2.5 Verspreiding van het Christendom
Tolerantie: de Romeinse godsdienst was tolerant, het was een
Polytheïsme, dus en extra God was geen probleem.
Verschil: Monotheïsme van het Christendom (+ Jodendom)
accepteerde noch de Romeinse goden, noch de Keizercultus:
Reacties in het Romeinse rijk van keizers op het
Christendom:
Pagina 3 van 51
, Examen GS VWO 11 Mei 2026
1. Trajanus: Christendom was verboden, maar geen actieve
vervolging.
2. Nero: vervolgde Christenen, ze kregen de schuld van de brand
van Rome (jaar 64).
3. Diocletianus: vervolgde christenen, ze kregen de schuld van de
neergang van het Romeinse rijk.
4. Constantijn de Grote: hij gaat het christendom
gelijkberechtigen.
5. Theodocius de Grote: maakt van het christendom een
staatsgodsdienst.
Hoofdstuk 3. Tijd van monniken en ridders
Paragraaf 3.1
Vroege middeleeuwen (kenmerken paragraaf 1):
- Economische; Hofstelsel.
- Politiek; Leenstelsel.
Vroege middeleeuwen: het geldstelsel was ingestort door
invallen van buitenaf en chaos van binnenuit. (In de oudheid en
de late middeleeuwen was er wel een geldstelsel).
- Geen geldstelsel à ruilhandel en lokale handel. Regionale en
internationale handel lopen terug.
- Steden: krimpen of verdwijnen à enorme bevolkingskrimp.
Economie vroege middeleeuwen: productie wordt lokaal
georganiseerd;
- Hofstelsel: lokale heer laat mensen voor zich werken.
o Domein opgedeeld in twee delen:
1. Vroonland: gebied van de heer bewerkt via
herendiensten.
2. Hoevenland: horigen betalen pacht voor de
boerderijen, een horige werkt ook voor de heer
(herendienst).
o Pacht: werd betaald in natura.
- Leenstelsel: feodalisme.
o Geld: er was nauwelijks een geldstelsel. De vorst moest
lagere bestuurders op een andere manier betalen; met
grond of (in het begin) met buit à Die grond werd in leen
gegeven, zo’n stuk grond is:
1. Beloning voor bewezen diensten.
2. Wordt bestuurd door de leenman.
3. Wordt verdedigd door de leenman.
4. Er wordt recht gesproken door de leenman.
Pagina 4 van 51