trainingsprincipes
VOORBEREIDING OP DONDERDAG 5-12-2013
Onderdeel A
- Welke energiebronnen en energievoorraden heeft het lichaam?
o ATP (beperkt intramusculair opgeslagen)
o CP
o Vetten
o Eiwitten
o Suikers (voornamelijk glucose)
- Hoe wordt uit deze bronnen energie gemaakt?
o ATP: afsplitsing van een fosfaatgroep levert direct bruikbare chemische energie
o CP: vult door afsplitsing van een fosfaatgroep continu de ADP aan (naar ATP)
o Vetten: worden uit weefsels afgegeven in de vorm van vetzuren. Deze gaan de
citroenzuurcyclus in (aeroob proces) en doorlopen vervolgens de oxidatieve
fosforylering, waarna er ATP is gevormd.
o Suikers: glucose doorloopt eerst de glycolyse (anaeroob), waarna het dezelfde weg
volgt als de vetzuren.
Bij beweging: In het cytoplasma ligt ATP opgeslagen, hier ligt er ook CP opgeslagen. Van ATP
wordt er een fosfaatgroep afgesplitst (eerste 4 seconden). CP levert een fosfaatmolecuul aan
ADP, zodat er weer ATP ontstaat (5-20 seconden). Door training komt er meer ATP en CP in
de spier, waardoor je het dus langer volhoudt. Dit is het anaerobe a-lactische systeem. Na 20
seconden start het anaerobe lactische systeem. Glucose wordt anaeroob verbrand. Na 2
minuten ga je over op het aerobe systeem, hierbij verbrand je glucose (36 ATP) en vetten
(129 ATP) en dit vindt plaats in het mitochondrium.
- Wat is verzuren?
De splitsing van ATP zorgt voor het vrijkomen van H+. Deze ionen zorgen ervoor dat de pH-
waarde in de spier omlaag gaat, waardoor de spier verzuurt. Lactaat zorgt dus niet voor de
verzuring. Vermoeidheid treedt op bij het opraken van de glycogeenvoorraad in de
spiervezels.
- Wat is training?
Training is te definiëren als het regelmatig en systematisch toedienen van een in omvang en
intensiteit toenemende belasting, met als doel het prestatievermogen te laten toenemen.
,- Welke spiervezeltypen bestaan er?
De laatste indeling op basis van de verschillende myosines zorgt voor een onderscheiding in
de types I, IIa en IIx.
Rode spiervezels Intermediaire vezels Witte spiervezels
Type I Type IIa Type IIx
Tonische vezels Fasische vezels
Langzame vezels Snelle vezels
Aerobe vezels Anaerobe vezels
Slow oxidative Fast oxidative glycolytic Fast glycolytic
Slow twitch Fast twitch a Fast twitch b
Fatique resistant Fast fatiguable
- Wat zijn de verschillen tussen concentrisch trainen, isometrisch trainen en excentrisch
trainen?
o Concentrisch: de spier in een verkorte toestand trainen, de uiteinden van de spier
komen naar elkaar toe tijdens de training.
o Isometrisch trainen: de spier statische trainen, hij wordt niet verlengd of verkort.
o Excentrisch trainen: de spier in een verlengde toestand trainen, de uiteinden van de
spier gaan van elkaar af tijdens de training.
- Wat zijn de vijf motorische grondeigenschappen en hoe train je deze?
o Kracht
o Lenigheid
o Uithoudingsvermogen
o Snelheid
o Coördinatie
Je kan ze trainen door het doel duidelijk voor ogen te hebben en je training specifiek aan te
passen op de wensen van de patiënt.
- Welke fysiologische trainingsprincipes zijn er?
o Overload
o Supercompensatie
o Specificiteit
o Reversibiliteit
o Afnemende meeropbrengst/verminderde meeropbrengst
- Wat zijn de fysiologische effecten van trainen centraal en perifeer?
- Centrale trainingseffecten op het cardiorespiratoire systeem: voor het bereiken van deze
effecten moet er gestreefd worden naar dynamische belastingsvormen, waarbij grote
spiergroepen actief zijn. Hart en circulatie moeten voldoende belast worden. Centrale
effecten op het cardiorespiratoire systeem zijn:
o Verlaagde hartfrequentie (zowel in rust als bij inspanning)
o Toegenomen slagvolume van het hart
o Toename van het hartminuutvolume tijdens maximale inspanning
o Toename van bloedvolume en hemoglobinegehalte
o Toename van het a-vO2-verschil
o Daling van de bloeddruk
o Toename van de VO2max
, o Verhoging van de anaerobe drempel
o Toename van het maximale ademminuutvolume
o Toename van activiteit van de ventilatie
o Vergroting van de diffusiecapaciteit van de longen
o Vergroting van longvolumina en –capaciteiten
- Perifere trainingseffecten op de skeletspieren: voor het bereiken van deze effecten en
voor het aanspreken van het lokale spieruithoudingsvermogen, moeten factoren zoals
afgifte van zuurstof aan actieve spiervezels, de energielevering en verbruik en afvoer van
lactaat naar andere weefsels worden getraind. De volgende perifere trainingseffecten
kunnen optreden door gerichte training:
o Toename van de hoeveelheid en de grootte van de mitochondriën
o Toename van het aantal doorbloede capillairen in spieren
o Toename van de concentratie spierenzymen
o Toename van de hoeveelheid energierijke fosfaten
o Toename van de hoeveelheid spierglycogeen
- Wat zijn de verschillen van zenuwsteltraining en spiervezeltraining, als er op kracht
getraind wordt?
o Zenuwstelseltraining: het transport van signalen door axonen versnelt, wat leidt
tot verbetering van je coördinatie.
o Spiervezeltraining: je spiervezelomvang wordt vergroot (hypertrofie).
- Welke fysiologische effecten treden er specifiek op bij training van mensen met DM en
mensen met metabool syndroom?
Bij lichamelijke activiteit wordt glucose omgezet in energie, er wordt spierweefsel
aangemaakt Hoe meer spierweefsel je aanmaakt, des te meer energie verbrand je tijdens
een training. Belangrijk is de afname van het vetpercentage (buikvet kan door een
ontstekingsreactie de gevoeligheid voor insuline verlagen). GLUT-4 EIWITTEN
OPZOEKEN!
- Welke richtlijnen voor training zijn er bij het trainen van kracht,
duuruithoudingsvermogen en functioneel trainen?
o Kracht:
Bij de start: 1-3 series, 10-15 herhalingen, driemaal per week, 40-50%
van de Fmax.
Na twee weken: 60% van de Fmax.
Bij opbouw vooral qua kracht: intensiteitstoename van 5% per twee
weken. 80% van de Fmax is het maximum, tenzij het functioneel is om op
hogere intensiteit te trainen.
o Duuruithoudingsvermogen:
Een intensiteit tussen de 50-85% van de VO2max van de cliënt
Een duur van 20 à 30 minuten (niet noodzakelijk aansluitend)
Een frequentie van drie keer per week
- Hoe zit het met ATP en CP (fysiologie)?
ATP ADP + P + energie
CP Terugwinning
ADP + CP ATP + Cr