HET TIJDPERK VAN HET HELDENEPOS – DE GROTE LIJN
Een heldenepos is een lang verhalend gedicht met veel nadruk op het heldhaftige. In de oudheid en de
middeleeuwen was het maatschappelijke leven doortrokken van religie. De Mesopotamiërs waren
polytheïstisch en hun mythen verklaarden natuurverschijnselen en het ontstaan van de wereld. Ook in het
oude Rome stond religie centraal: ze hadden pontifices en augures. Het christendom is een monotheïstische
godsdienst. Het wereldbeeld van de Mesopotamiërs, Grieken, Romeinen en middeleeuwers was theocentrisch:
goden of een god waren een groot deel van hun mensbeeld. Religie bepaalde de kalender, rituelen en
gebruiken en het dagelijks leven. De maatschappijen kenden een duidelijke sociale hiërarchie: elite,
middenklas, lage klasse, onderlaag.
Heldenepen werden voor een publiek van adel / de elite gezongen en voorgedragen. De orale traditie bleef een
belangrijke rol spelen. Chansons de geste waren heldenverhalen over ridders (dus adel). Een heldenepos heeft
een betrouwbare en alwetende auctoriale vertelinstantie. De schrijver gebruikte vaste zinnen, uitdrukkingen,
traditionele formules en inhoudelijke elementen en wisselde deze af. Belangrijke aspecten van de
aristocratische ideologie, zoals standsgevoel, strijdlust, moed en eergevoel, zijn drijfveren voor de helden. In de
epen speelt religie ook een belangrijke rol.
HISTORISCHE CONTEXT
CHRISTELIJK EUROPA
Europa kende in de middeleeuwen slechts één erkende christelijke kerk: de rooms-katholieke kerk. De
christelijke kerk breidde zijn macht uit door kerstening. Karel de Grote verenigde een groot deel van West-
Europa in zijn rijk maar na zijn dood viel dit uit elkaar. De islam kwam op en de christenen hielden kruistochten.
In ieder Nederlands gewest werd een eigen streekgebonden variant van het Middelnederlands gebruikt.
STANDENMAATSCHAPPIJ
1. Geestelijkheid
- Reguliere geestelijkheid: leefden in kloosters volgens de regels van de kloosterorde. Prediken.
- Seculiere geestelijkheid: wereldlijke geestelijkheid (paus, bisschoppen, pastoors)
2. Adel: leenheren, de ridders vormden de kern van het leger, eercultuur
3. Burgerij: verstedelijking, burgerlijke mentaliteit: compromissen, individualiteit, spaarzaamheid.
Nieuwe elite: ridderlijke cultuur werd bewonderd en aangepast naar eigen cultuur.
4. Boeren
SCHRIJFCULTUUR EN BOEKDRUKKUNST
Vorsten en edelen kregen behoefte aan geschoold personeel dat kon lezen en schrijven.
- Wereldlijke, adellijke hoven
- Wereldlijk publiek in de steden
- Geestelijk milieu van kloosterlingen, bisschoppelijke hoven en religieuze groepen.
De boekdrukkunst maakte het mogelijk sneller en goedkoper boeken te produceren.