Neurologie, zintuigen & Anesthesiologie
hoorcolleges
Table of Contents
HC 1: Neuroanatomie & neurofysiologie ............................................................... 2
HC 2: Reflexen .................................................................................................... 7
HC 3: Pathologie ................................................................................................. 9
HC 4: Gehoor .................................................................................................... 15
HC 5: Het oog en visuele waarneming................................................................. 18
HC 6: Klinische diagnostiek oog ......................................................................... 23
HC 7: Aandoeningen van de ogen ....................................................................... 27
HC 8: Het neurologisch onderzoek ..................................................................... 30
HC 9: Neurale regulatie en motoriek en locomotie .............................................. 34
HC 10: Het vestibulair systeem (stabilisatie blik en lichaamshouding) ................. 37
HC 11: Ataxie/incoördinatie ............................................................................... 41
HC 12: Verschillende aspecten van pijn .............................................................. 45
HC 13: E-module introductie veterinaire anesthesiologie .................................... 48
HC 14 + 15: Klinische anesthesiologie en farmacologie ....................................... 50
HC 16: Klinische pijnstilling en farmacologie ...................................................... 55
,HC 1: Neuroanatomie & neurofysiologie
Functionele indeling zenuwstelsel
De aard van de verschijnselen wordt voor een groot deel bepaald door de anatomische
lokalisatie van de laesie.
1. Cerebrum (grote hersenen)
2. Diencephalon (o.a. thalamus en hypothalamus)
3. Hersenstam met kopzenuwen
4. Cerebellum (kleine hersenen)
5. Vestibulair systeem
6. Ruggenmerg
7. Perifere zenuwen (bevatten lowermotorneuronen (alfa-motor
neuronen naar de skeletspieren)) en neuromusculaire overgang
Perifere zenuwen
• Plexus brachialis = een vlechtwerk van zenuwen dat hoog in de
oksel van het dier ligt. Het voorziet de voorpoot van sensorische
somatomotorische (aansturing skeletspieren) en postganglionaire
sympathische zenuwvezels (vasoconstrictie, vasodilatatie, ect.).
, • Perifere motorneuronen = Lower Motor Neurons (LMNs)
o Somatomotorisch → komen uit het ruggenmerg, zijn
alfa-neuronen die skeletspieren innerveren met
acetylcholine op nicotine-receptor.
o Parasympatisch → lang preganglionair, kort
postganglionair, innerveren gladspierweefsel,
hartspierweefsel en klieren met acetylcholine op
muscarine-receptor.
▪ Ontspringen uit hersenstam of helemaal
sacraal (bij staart in de buurt)
o Sympathisch → kort preganglionair, lang
postganglionair, innerveren gladspierweefsel,
hartspierweefsel en klieren met noradrenaline op (- en
-) adrenerge-receptoren.
▪ Ontspringt thoroca-lumbaal en heeft een
grensstreng
• Botulisme
o Neurotoxine voorkomt de afgifte van acetylcholine door LMN. Heeft effect op het
somatomotorisch en parasympatisch zenuwstelsel.
o Somatomotorisch gevolg is verlamming van de spieren (ook de hartspier)
o Parasympatisch gevolg is tachycardie, verhoogde bloeddruk, wijde pupillen,
problemen met peristaltiek darm, moeite met ledigen blaas, ect.
• Myasthenia gravis
o Het lichaam maakt antilichamen (autoantilichamen) aan tegen nicotinerge
receptoren → blokkeren van somatomotorische zenuwstelsel.
o Zorgt voor spierzwakte (parese) of spierverlamming en verlamming van de
slokdarmspieren.
o Therapie: acetylcholine-esterase remmers (zorgt voor overmaat aan
acetylcholine, waardoor het genoeg is om de overgebleven receptoren te
activeren).
Centraal zenuwstelsel
• Binnen de wervelkolom = ruggenmerg
o Spinale zenuwen
▪ Elk dier heeft 7 cervicale wervels, maar hebben 8 cervicale spinale
segmenten, 13 thoracale spinale segmenten,
7 lumbale spinale segmenten, 3 sacrale
spinale segmenten en 4 tot 7 caudale spinale
segmenten.
▪ Verdikking C6 tot en met T2 → bevat veel
motorneuronen, omdat je alle spieren van
voorpoot moet innerveren via plexus
brachialis.
▪ Verdikking L4 tot en met S3 → bevat veel
motorneuronen, omdat je alle spieren van
achterpoot moet innerveren via plexus
lumbosacralis.
▪ Paardenstaart (epidurale ruimte) bevat geen
ruggenmerg meer, maar wel allemaal zenuwen
in kanaal van de wervelkolom.
, o De drie hersenvliezen liggen om het centrale zenuwstelsel heen: dura mater,
arachnoid en pia mater
o Witte stof bevat zenuwbanen (myeline is wit)
▪ Descenderende motorische banen (Upper Motor Neurons)
• Meer lateraal voor aansturing van distale spieren (fijne
bewegingen) en meer ventraal en
mediaal voor aansturing van
proximale spieren (anti-zwaartekracht
spieren).
▪ Ascenderende sensorische banen
• Dorsale kolom banen → normale
sensorische prikkels en bewuste
proprioceptie
• Tractus spinocerebellaris dorsalis en
ventralis → naar cerebellum en
onbewuste propioceptie.
• Tractus spinothalamicus → temperatuur
en pijn informatieverwerking.
o Grijze stof bevat cellichamen
▪ Somatisch sensorisch
▪ Visceraal sensorisch
▪ Visceraal motorisch
▪ Somatisch motorisch
• Binnen de schedel
o Cerebrum (grote hersenen)
▪ Gyri = bultjes, sulci = groeven
▪ Corpus collosum → verbindt linker- en rechterhelft van hersenen
▪ Grijs – wit – grijs (cortex)
▪ Basale kernen
▪ Ventrikels
▪ Bulbus olfactorius = ontvangst van reuksensoren
o Diencephalon (oa. thalamus en hypothalamus)
▪ Epithalamus (epifyse) → productie melatonine
▪ Thalamus = belangrijkste schakelkern voor sensoriek
▪ Hypothalamus
▪ Neurohypofyse
▪ Retina en n. opticus
o Hersenstam met kopzenuwen
▪ Structuren uit mesencephalon,
metencephalon en myelencephalon
▪ Colliculi (mes) → knobbels tussen grote en
kleine hersenen in.
▪ Periaquaductale grijs (mes) → endogene
pijnbestrijding
▪ Pons (met) → onder cerebellum, belangrijk
voor motoriek
▪ Formatio reticularis → houden grote hersenen wakker
▪ Centra bloeddruk/ademhaling
▪ Kernen kopzenuwen III t/m XII
▪ Hersenstam bevat tientallen nuclei waar afferente zenuwen van
kopzenuwen eindigen of LMNs van kopzenuwen beginnen.
hoorcolleges
Table of Contents
HC 1: Neuroanatomie & neurofysiologie ............................................................... 2
HC 2: Reflexen .................................................................................................... 7
HC 3: Pathologie ................................................................................................. 9
HC 4: Gehoor .................................................................................................... 15
HC 5: Het oog en visuele waarneming................................................................. 18
HC 6: Klinische diagnostiek oog ......................................................................... 23
HC 7: Aandoeningen van de ogen ....................................................................... 27
HC 8: Het neurologisch onderzoek ..................................................................... 30
HC 9: Neurale regulatie en motoriek en locomotie .............................................. 34
HC 10: Het vestibulair systeem (stabilisatie blik en lichaamshouding) ................. 37
HC 11: Ataxie/incoördinatie ............................................................................... 41
HC 12: Verschillende aspecten van pijn .............................................................. 45
HC 13: E-module introductie veterinaire anesthesiologie .................................... 48
HC 14 + 15: Klinische anesthesiologie en farmacologie ....................................... 50
HC 16: Klinische pijnstilling en farmacologie ...................................................... 55
,HC 1: Neuroanatomie & neurofysiologie
Functionele indeling zenuwstelsel
De aard van de verschijnselen wordt voor een groot deel bepaald door de anatomische
lokalisatie van de laesie.
1. Cerebrum (grote hersenen)
2. Diencephalon (o.a. thalamus en hypothalamus)
3. Hersenstam met kopzenuwen
4. Cerebellum (kleine hersenen)
5. Vestibulair systeem
6. Ruggenmerg
7. Perifere zenuwen (bevatten lowermotorneuronen (alfa-motor
neuronen naar de skeletspieren)) en neuromusculaire overgang
Perifere zenuwen
• Plexus brachialis = een vlechtwerk van zenuwen dat hoog in de
oksel van het dier ligt. Het voorziet de voorpoot van sensorische
somatomotorische (aansturing skeletspieren) en postganglionaire
sympathische zenuwvezels (vasoconstrictie, vasodilatatie, ect.).
, • Perifere motorneuronen = Lower Motor Neurons (LMNs)
o Somatomotorisch → komen uit het ruggenmerg, zijn
alfa-neuronen die skeletspieren innerveren met
acetylcholine op nicotine-receptor.
o Parasympatisch → lang preganglionair, kort
postganglionair, innerveren gladspierweefsel,
hartspierweefsel en klieren met acetylcholine op
muscarine-receptor.
▪ Ontspringen uit hersenstam of helemaal
sacraal (bij staart in de buurt)
o Sympathisch → kort preganglionair, lang
postganglionair, innerveren gladspierweefsel,
hartspierweefsel en klieren met noradrenaline op (- en
-) adrenerge-receptoren.
▪ Ontspringt thoroca-lumbaal en heeft een
grensstreng
• Botulisme
o Neurotoxine voorkomt de afgifte van acetylcholine door LMN. Heeft effect op het
somatomotorisch en parasympatisch zenuwstelsel.
o Somatomotorisch gevolg is verlamming van de spieren (ook de hartspier)
o Parasympatisch gevolg is tachycardie, verhoogde bloeddruk, wijde pupillen,
problemen met peristaltiek darm, moeite met ledigen blaas, ect.
• Myasthenia gravis
o Het lichaam maakt antilichamen (autoantilichamen) aan tegen nicotinerge
receptoren → blokkeren van somatomotorische zenuwstelsel.
o Zorgt voor spierzwakte (parese) of spierverlamming en verlamming van de
slokdarmspieren.
o Therapie: acetylcholine-esterase remmers (zorgt voor overmaat aan
acetylcholine, waardoor het genoeg is om de overgebleven receptoren te
activeren).
Centraal zenuwstelsel
• Binnen de wervelkolom = ruggenmerg
o Spinale zenuwen
▪ Elk dier heeft 7 cervicale wervels, maar hebben 8 cervicale spinale
segmenten, 13 thoracale spinale segmenten,
7 lumbale spinale segmenten, 3 sacrale
spinale segmenten en 4 tot 7 caudale spinale
segmenten.
▪ Verdikking C6 tot en met T2 → bevat veel
motorneuronen, omdat je alle spieren van
voorpoot moet innerveren via plexus
brachialis.
▪ Verdikking L4 tot en met S3 → bevat veel
motorneuronen, omdat je alle spieren van
achterpoot moet innerveren via plexus
lumbosacralis.
▪ Paardenstaart (epidurale ruimte) bevat geen
ruggenmerg meer, maar wel allemaal zenuwen
in kanaal van de wervelkolom.
, o De drie hersenvliezen liggen om het centrale zenuwstelsel heen: dura mater,
arachnoid en pia mater
o Witte stof bevat zenuwbanen (myeline is wit)
▪ Descenderende motorische banen (Upper Motor Neurons)
• Meer lateraal voor aansturing van distale spieren (fijne
bewegingen) en meer ventraal en
mediaal voor aansturing van
proximale spieren (anti-zwaartekracht
spieren).
▪ Ascenderende sensorische banen
• Dorsale kolom banen → normale
sensorische prikkels en bewuste
proprioceptie
• Tractus spinocerebellaris dorsalis en
ventralis → naar cerebellum en
onbewuste propioceptie.
• Tractus spinothalamicus → temperatuur
en pijn informatieverwerking.
o Grijze stof bevat cellichamen
▪ Somatisch sensorisch
▪ Visceraal sensorisch
▪ Visceraal motorisch
▪ Somatisch motorisch
• Binnen de schedel
o Cerebrum (grote hersenen)
▪ Gyri = bultjes, sulci = groeven
▪ Corpus collosum → verbindt linker- en rechterhelft van hersenen
▪ Grijs – wit – grijs (cortex)
▪ Basale kernen
▪ Ventrikels
▪ Bulbus olfactorius = ontvangst van reuksensoren
o Diencephalon (oa. thalamus en hypothalamus)
▪ Epithalamus (epifyse) → productie melatonine
▪ Thalamus = belangrijkste schakelkern voor sensoriek
▪ Hypothalamus
▪ Neurohypofyse
▪ Retina en n. opticus
o Hersenstam met kopzenuwen
▪ Structuren uit mesencephalon,
metencephalon en myelencephalon
▪ Colliculi (mes) → knobbels tussen grote en
kleine hersenen in.
▪ Periaquaductale grijs (mes) → endogene
pijnbestrijding
▪ Pons (met) → onder cerebellum, belangrijk
voor motoriek
▪ Formatio reticularis → houden grote hersenen wakker
▪ Centra bloeddruk/ademhaling
▪ Kernen kopzenuwen III t/m XII
▪ Hersenstam bevat tientallen nuclei waar afferente zenuwen van
kopzenuwen eindigen of LMNs van kopzenuwen beginnen.