Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1: introduction....................................................................................................................................2
Hoofdstuk 2: principles and practices of developmental psychopathology.........................................................2
Hoofdstuk 4: Intellectual Developmental Disorder (Intellectual Disability)......................................................4
Hoofdstuk 5: Autism Spectrum Disorder.............................................................................................................8
Hoofdstuk 6: communication and learning disorders........................................................................................11
Hoofdstuk 7: Attention-Deficit/Hyperactivity Disorder (ADHD)......................................................................16
Hoofdstuk 8: conduct problems.........................................................................................................................20
Hoofdstuk 9: disorders of early childhood.........................................................................................................26
Hoofdstuk 10: anxiety disorders, obsessive-compulsive disorder and somatic symptom disorders..................29
Hoofdstuk 11: depressive and bipolar disorders...............................................................................................32
Hoofdstuk 13: maltreatment and trauma- and stressor-related disorders........................................................39
Hoofdstuk 14: feeding and eating disorders......................................................................................................46
,Hoofdstuk 1: introduction
Perspectieven op normaliteit
1. Statistische deviantie: een kind dat te veel of te weinig van een bepaald
leeftijdsgebonden gedrag vertoont kan een stoornis hebben.
2. Socioculturele normen: kinderen die zich niet conformeren aan leeftijdsgebonden,
genderspecifieke of cultuurrelevante verwachtingen kunnen gezien worden als
uitdagend, worstelend of gestoord.
3. Definities van mentale gezondheid: mentaal gezonde kinderen en adolescenten
genieten van een positieve levenskwaliteit; goed functioneren thuis, op school en in
hun gemeenschap en vrij zijn van invaliderende symptomen van psychopathologie.
Soorten adaptatie
Slechte adaptatie: het gedrag en de vaardigheden van een kind sluiten onvoldoende
aan bij de eisen van de omgeving.
Adequate adaptatie: het functioneren van het kind sluit voldoende aan bij wat de
omgeving vraagt. Er kunnen wel kleine moeilijkheden zijn, maar het kind redt zich
over het algemeen passend bij de leeftijd en de situatie.
Optimale adaptatie: het kind voldoet niet alleen aan de eisen van de omgeving maar
maakt ook goed gebruik van eigen mogelijkheden.
Psychopathologie: intense, frequente en/of persistente maladaptieve patronen van emotie,
cognitie en gedrag.
Ontwikkelingspsychopathologie: de maladaptieve patronen vinden plaats in de context van
typische ontwikkeling en resulteren in de huidige en potentiële beperking van kinderen en
adolescenten.
Ontwikkelingsepidemiologie
Prevalentie: de proportie in de populatie met een stoornis.
Incidentie: het tempo waarin nieuwe gevallen ontstaan.
13%-16% van de naar schoolgaande kinderen voldoen aan de criteria van een
psychische stoornis in de VS.
Hoofdstuk 2: principles and practices of developmental
psychopathology
,Ontwikkelingspaden
Vanuit het perspectief van ontwikkelingspaden wordt er rekening gehouden met de
manieren waarop een aanpassing (of onaangepastheid) op een eerder moment
verbonden is met een aanpassing (of onaangepastheid) op een later moment.
Equifinaliteit: sets van verschillende omstandigheden die leiden tot dezelfde diagnose.
Verschillende beginfases leiden dus tot dezelfde uitkomt.
→ voorbeeld: een kind kan achterlopen op school en herhaaldelijk academische
mislukkingen ervaren, terwijl een ander kind opgroeit in een vijandig gezin. Beide
beginfases kunnen leiden tot dezelfde uitkomst in de adolescentie zoals depressie.
Multifinaliteit: sets van vergelijkbare beginsituaties leiden tot verschillende
uitkomsten.
→ voorbeeld: drie kinderen kunnen met dezelfde beginomstandigheden beginnen
zoals economische achterstand, wat uiteindelijk leidt tot verschillende uitkomsten.
→ bij zowel equifinaliteit als multifinaliteit gaat het om de soorten individuele, familiale en
sociale variabele die in de ontwikkelingspaden van kinderen kunnen beïnvloeden.
Soorten adaptatie
1. Stabiele adaptatie: er zijn een aantal gedragsproblemen maar een goed zelfbeeld met
lage blootstelling aan risico’s.
2. Stabiele maladaptatie: chronische tegenspoed met weinig bescherming.
3. Omkering van maladaptatie: een belangrijke levensverandering creëert nieuwe kansen.
4. Afname van adaptatie: omgevings- of biologische veranderingen brengen tegenspoed
met zich mee.
5. Tijdelijke maladaptatie: een weerspiegeling van tijdelijk experimenteel risicogedrag.
Risk and resilience (veerkracht)
Risico: een verhoogde kwetsbaarheid voor een stoornis.
Risicofactoren: de individuele, familiale en sociale kenmerken die verband houden
met deze verhoogde kwetsbaarheid.
・ Risicofactoren vergroten de kwetsbaarheid op twee manieren; niet-specifiek risico
wat een verhoogde kwetsbaarheid voor één of meerdere soorten aandoeningen
inhoudt en specifiek risico wat een verhoogde kwetsbaarheid voor één specifieke
aandoening inhoudt.
Veerkracht: de mogelijkheid om aan te passen bij tegenspoed.
Soorten risicofactoren
1. Individuele risicofactoren: factoren die gericht zijn op het kind en zaken omvatten als
genetica en fysiologische processen, cognitieve en gedragsmatige aanleg,
temperament en persoonlijkheid.
2. Familiaire risicofactoren: factoren die verband houden met de directe zorgomgeving
van het kind en omvatten ouderkenmerken of opvoedstijlen.
3. Socioculturele risicofactoren: factoren die verband houden met de bredere omgeving
van het kind, waaronder leeftijdsgenoten, scholen, buurt, SES, achtergrond en raciale,
etnische en culturele kenmerken.
Differential impact theory: theorie die gebaseerd is op het idee dat veranderingen in de
omgeving ervoor zorgen dat individuen veranderen en dat deze veranderingen afhangen van
de kwaliteit van de psychologische, sociaal-culturele en economische hulpbronnen die door
, de omgeving worden geboden, in evenwicht met de kwaliteit en kwantiteit van de
blootstelling van het individu aan risico’s.
Kindermishandeling: brede categorie die elk van de volgende omvat: fysiek misbruik,
seksueel misbruik, psychisch misbruik en verwaarlozing.
Drie typen van veerkrachtige kinderen:
1. Kinderen en adolescenten met veel risicofactoren die goede resultaten halen.
2. Kinderen en adolescenten die competentie blijven tonen wanneer ze stress ervaren.
3. Kinderen en adolescenten die goed herstellen na stress of trauma.
Soorten beschermende factoren
Twee typen effecten:
1. Bevorderende effecten: de kenmerken en ervaringen die een positieve
ontwikkeling en aanpassing van kinderen en adolescenten ondersteunen, ongeacht
het risiconiveau.
2. Beschermende effecten: de ondersteuning van een positieve ontwikkeling van
kinderen en adolescenten in aanwezigheid van risico.
Beschermende factoren:
・ Positieve eigenschappen
・ Genetische varianten
・ Gezinsfactoren (beschikbaarheid ouders, opvoedstijl, broer-zus relatie)
・ Sociaal-culturele factoren (religie, SES, onderwijskansen)
Hoofdstuk 4: Intellectual Developmental Disorder
(Intellectual Disability)
Intellectuele ontwikkelingsstoornis
Een intellectuele ontwikkelingsstoornis wordt geclassificeerd als een neuro-
ontwikkelingsstoornis, een groep aandoeningen die zich manifesteren in de
ontwikkelingsperiode (voor de leeftijd van 18 jaar) en die leiden tot beperkingen in het
sociaal, beroepsmatig, persoonlijk of academisch functioneren.
De stoornis wordt gekenmerkt door significante beperkingen in mentale vermogens
(bijv. plannen, redeneren, oordelen) die resulteren in beperkingen in het adaptief
functioneren die nodig zijn om aspecten van het dagelijks leven te vervullen.
De moderne definities van de intellectuele ontwikkelingsstoornis houden rekening met
iemands intellectuele functioneren binnen de context van wat typisch is voor
leeftijdsgenoten en culturele normen.
Intellectueel functioneren: een intelligentiequotiënt (IQ) dat gebaseerd is op beoordeling met
een of meer van de gestandaardiseerde, individueel afgenomen intelligentietests.
IQ-scores
Doorgaans worden IQ-scores afgeleid van een gestandaardiseerde tabel op basis va de
leeftijd van een persoon en de testscore gebaseerd op de intelligentietheorie van de
testontwikkelaar.
Er is sprake van onder gemiddeld intellectueel functioneren bij een IQ van <70.
Adaptief functioneren
Hoofdstuk 1: introduction....................................................................................................................................2
Hoofdstuk 2: principles and practices of developmental psychopathology.........................................................2
Hoofdstuk 4: Intellectual Developmental Disorder (Intellectual Disability)......................................................4
Hoofdstuk 5: Autism Spectrum Disorder.............................................................................................................8
Hoofdstuk 6: communication and learning disorders........................................................................................11
Hoofdstuk 7: Attention-Deficit/Hyperactivity Disorder (ADHD)......................................................................16
Hoofdstuk 8: conduct problems.........................................................................................................................20
Hoofdstuk 9: disorders of early childhood.........................................................................................................26
Hoofdstuk 10: anxiety disorders, obsessive-compulsive disorder and somatic symptom disorders..................29
Hoofdstuk 11: depressive and bipolar disorders...............................................................................................32
Hoofdstuk 13: maltreatment and trauma- and stressor-related disorders........................................................39
Hoofdstuk 14: feeding and eating disorders......................................................................................................46
,Hoofdstuk 1: introduction
Perspectieven op normaliteit
1. Statistische deviantie: een kind dat te veel of te weinig van een bepaald
leeftijdsgebonden gedrag vertoont kan een stoornis hebben.
2. Socioculturele normen: kinderen die zich niet conformeren aan leeftijdsgebonden,
genderspecifieke of cultuurrelevante verwachtingen kunnen gezien worden als
uitdagend, worstelend of gestoord.
3. Definities van mentale gezondheid: mentaal gezonde kinderen en adolescenten
genieten van een positieve levenskwaliteit; goed functioneren thuis, op school en in
hun gemeenschap en vrij zijn van invaliderende symptomen van psychopathologie.
Soorten adaptatie
Slechte adaptatie: het gedrag en de vaardigheden van een kind sluiten onvoldoende
aan bij de eisen van de omgeving.
Adequate adaptatie: het functioneren van het kind sluit voldoende aan bij wat de
omgeving vraagt. Er kunnen wel kleine moeilijkheden zijn, maar het kind redt zich
over het algemeen passend bij de leeftijd en de situatie.
Optimale adaptatie: het kind voldoet niet alleen aan de eisen van de omgeving maar
maakt ook goed gebruik van eigen mogelijkheden.
Psychopathologie: intense, frequente en/of persistente maladaptieve patronen van emotie,
cognitie en gedrag.
Ontwikkelingspsychopathologie: de maladaptieve patronen vinden plaats in de context van
typische ontwikkeling en resulteren in de huidige en potentiële beperking van kinderen en
adolescenten.
Ontwikkelingsepidemiologie
Prevalentie: de proportie in de populatie met een stoornis.
Incidentie: het tempo waarin nieuwe gevallen ontstaan.
13%-16% van de naar schoolgaande kinderen voldoen aan de criteria van een
psychische stoornis in de VS.
Hoofdstuk 2: principles and practices of developmental
psychopathology
,Ontwikkelingspaden
Vanuit het perspectief van ontwikkelingspaden wordt er rekening gehouden met de
manieren waarop een aanpassing (of onaangepastheid) op een eerder moment
verbonden is met een aanpassing (of onaangepastheid) op een later moment.
Equifinaliteit: sets van verschillende omstandigheden die leiden tot dezelfde diagnose.
Verschillende beginfases leiden dus tot dezelfde uitkomt.
→ voorbeeld: een kind kan achterlopen op school en herhaaldelijk academische
mislukkingen ervaren, terwijl een ander kind opgroeit in een vijandig gezin. Beide
beginfases kunnen leiden tot dezelfde uitkomst in de adolescentie zoals depressie.
Multifinaliteit: sets van vergelijkbare beginsituaties leiden tot verschillende
uitkomsten.
→ voorbeeld: drie kinderen kunnen met dezelfde beginomstandigheden beginnen
zoals economische achterstand, wat uiteindelijk leidt tot verschillende uitkomsten.
→ bij zowel equifinaliteit als multifinaliteit gaat het om de soorten individuele, familiale en
sociale variabele die in de ontwikkelingspaden van kinderen kunnen beïnvloeden.
Soorten adaptatie
1. Stabiele adaptatie: er zijn een aantal gedragsproblemen maar een goed zelfbeeld met
lage blootstelling aan risico’s.
2. Stabiele maladaptatie: chronische tegenspoed met weinig bescherming.
3. Omkering van maladaptatie: een belangrijke levensverandering creëert nieuwe kansen.
4. Afname van adaptatie: omgevings- of biologische veranderingen brengen tegenspoed
met zich mee.
5. Tijdelijke maladaptatie: een weerspiegeling van tijdelijk experimenteel risicogedrag.
Risk and resilience (veerkracht)
Risico: een verhoogde kwetsbaarheid voor een stoornis.
Risicofactoren: de individuele, familiale en sociale kenmerken die verband houden
met deze verhoogde kwetsbaarheid.
・ Risicofactoren vergroten de kwetsbaarheid op twee manieren; niet-specifiek risico
wat een verhoogde kwetsbaarheid voor één of meerdere soorten aandoeningen
inhoudt en specifiek risico wat een verhoogde kwetsbaarheid voor één specifieke
aandoening inhoudt.
Veerkracht: de mogelijkheid om aan te passen bij tegenspoed.
Soorten risicofactoren
1. Individuele risicofactoren: factoren die gericht zijn op het kind en zaken omvatten als
genetica en fysiologische processen, cognitieve en gedragsmatige aanleg,
temperament en persoonlijkheid.
2. Familiaire risicofactoren: factoren die verband houden met de directe zorgomgeving
van het kind en omvatten ouderkenmerken of opvoedstijlen.
3. Socioculturele risicofactoren: factoren die verband houden met de bredere omgeving
van het kind, waaronder leeftijdsgenoten, scholen, buurt, SES, achtergrond en raciale,
etnische en culturele kenmerken.
Differential impact theory: theorie die gebaseerd is op het idee dat veranderingen in de
omgeving ervoor zorgen dat individuen veranderen en dat deze veranderingen afhangen van
de kwaliteit van de psychologische, sociaal-culturele en economische hulpbronnen die door
, de omgeving worden geboden, in evenwicht met de kwaliteit en kwantiteit van de
blootstelling van het individu aan risico’s.
Kindermishandeling: brede categorie die elk van de volgende omvat: fysiek misbruik,
seksueel misbruik, psychisch misbruik en verwaarlozing.
Drie typen van veerkrachtige kinderen:
1. Kinderen en adolescenten met veel risicofactoren die goede resultaten halen.
2. Kinderen en adolescenten die competentie blijven tonen wanneer ze stress ervaren.
3. Kinderen en adolescenten die goed herstellen na stress of trauma.
Soorten beschermende factoren
Twee typen effecten:
1. Bevorderende effecten: de kenmerken en ervaringen die een positieve
ontwikkeling en aanpassing van kinderen en adolescenten ondersteunen, ongeacht
het risiconiveau.
2. Beschermende effecten: de ondersteuning van een positieve ontwikkeling van
kinderen en adolescenten in aanwezigheid van risico.
Beschermende factoren:
・ Positieve eigenschappen
・ Genetische varianten
・ Gezinsfactoren (beschikbaarheid ouders, opvoedstijl, broer-zus relatie)
・ Sociaal-culturele factoren (religie, SES, onderwijskansen)
Hoofdstuk 4: Intellectual Developmental Disorder
(Intellectual Disability)
Intellectuele ontwikkelingsstoornis
Een intellectuele ontwikkelingsstoornis wordt geclassificeerd als een neuro-
ontwikkelingsstoornis, een groep aandoeningen die zich manifesteren in de
ontwikkelingsperiode (voor de leeftijd van 18 jaar) en die leiden tot beperkingen in het
sociaal, beroepsmatig, persoonlijk of academisch functioneren.
De stoornis wordt gekenmerkt door significante beperkingen in mentale vermogens
(bijv. plannen, redeneren, oordelen) die resulteren in beperkingen in het adaptief
functioneren die nodig zijn om aspecten van het dagelijks leven te vervullen.
De moderne definities van de intellectuele ontwikkelingsstoornis houden rekening met
iemands intellectuele functioneren binnen de context van wat typisch is voor
leeftijdsgenoten en culturele normen.
Intellectueel functioneren: een intelligentiequotiënt (IQ) dat gebaseerd is op beoordeling met
een of meer van de gestandaardiseerde, individueel afgenomen intelligentietests.
IQ-scores
Doorgaans worden IQ-scores afgeleid van een gestandaardiseerde tabel op basis va de
leeftijd van een persoon en de testscore gebaseerd op de intelligentietheorie van de
testontwikkelaar.
Er is sprake van onder gemiddeld intellectueel functioneren bij een IQ van <70.
Adaptief functioneren