Hoorcollege (2) | Glomerulaire filtratie, tubulaire reabsorptie en secretie
1. Hoeveel procent van de cardiac output is onderdeel van de renal blood flow?
a. 5%
b. 20%
c. 40%
d. 70%
2. Hoeveel nefronen heeft een nier?
a. 1000
b. 50.000
c. 1.000.000
d. 5.000.000
3. Hoeveel filtraat wordt er iedere dag geproduceerd door de nieren?
a. 50 L
b. 170 L
c. 200 L
d. 230 L
4. Hoe kun je natriumopname in de proximale tubulus remmen?
5. Welk deel van het nefron zorgt voor de osmotische gradiënt die leidt tot reabsorptie van
water?
a. Distale tubulus
b. Glomerulus
c. Lis van Henle
d. Proximale tubulus
6. In het glomerulaire capillair stijgt de hydrostatische druk.
a. Juist
b. Onjuist
Circ I | week 4 | 1
, Reabsorptie
A | proximale tubulus | passief
1 Na-H-exchanger (NHE3)
2 Na-cotransporters (glucose, aminozuren)
Basolateraal gedreven door:
Na-K ATPase basolateraal
NaHCO3 cotransporter
B | lis van Henle | passief | transcellulair
1 Na-H-exchanger (NHE3)
Basolateraal gedreven door:
Na-K ATPase basolateraal
2 Na/K/2Cl Cotransporter (NKCC2)
Basolateraal gedreven door:
Na-K ATPase basolateraal
(Cl-gradiënt)
B | lis van Henle | passief | paracellulair
3 Positief geladen lumen
C | distale tubulus | passief | transcellulair
1 Na/Cl Cotransporter (NCC)
Basolateraal gedreven door:
Na-K ATPase basolateraal
D | corticale verzamelbuis | passief | transcellulair
1 ENaC
Basolateraal gedreven door:
Na-K ATPase basolateraal
Circ I | week 4 | 2
, Zelfstudie voor werkgroep 7 (6+2) | Glomerulaire filtratie, tubulaire reabsorptie en
Nierfunctie metingen: het “Clearance” concept
7. Hoe kan de hydrostatische druk in de glomerulaire capillairen constant blijven?
Glomerulaire filtratie barrière
1 glycocalyx
2 gefenestreerd endotheel capillairen
3 glomerulaire basaalmembraan
4 podocyten (voorkomt grote moleculen in filtraat)
8. Welke stelling(en) over fysisch-chemische eigenschappen bij filtratie is of zijn juist?
Grotere deeltjes passeren moeilijker
Proteoglycanen in het basaalmembraan zijn negatief geladen
Negatief geladen deeltjes passeren makkelijker
Oplosbaarheid speelt hierbij geen rol
9. Hoeveel is de voorurine afgenomen aan het einde van de proximale tubulus?
a. 30%
b. 60%
c. 75%
d. 90%
10. Hoe wordt de klaring berekend?
11. Positief geladen deeltjes worden makkelijker geklaard.
a. Juist
b. Onjuist
Circ I | week 4 | 3