samenvatting
Vorming, verhouding,
binding en verandering
Havo 4-5
1
,HOOFDSTUK 1: SOCIALE ONGELIJKHEID
SOCIALE ONGELIJKHEID
Sociale ongelijkheid (komt erin!!!)
- Al dan niet aangeboren kenmerken hebben consequenties voor je
maatschappelijke positie
- Dit leidt weer tot een ongelijke verdeling van schaarse en hooggewaardeerde
zaken
- En dit heeft weer consequenties voor de waardering en behandeling door anderen
Er zijn vier soorten vormen van sociale ongelijkheid (ongelijke verdeling):
1. Politieke hulpbronnen Komt erin!!!
● Verschil in gebruik kunnen maken van hulpmiddelen om gedrag bij
mensen af te dwingen
⇒ Fysieke of juridische middelen
2. Economische hulpbronnen
● Hooggewaardeerde en schaarse zaken (kennis, inkomen en vermogen)
● Hoe meer geld en bezittingen je hebt, hoe meer invloed je kunt uitoefenen
⇒ Opleiding en beroepservaring
3. Symbolische hulpbronnen
● Jouw maatschappelijke positie en leefstijl bepalen hoe anderen tegen jou
aankijken
● Verschillen in status en aanzien hebben gevolgen voor hoe mensen jou
waarderen en behandelen
⇒ Status en aanzien zijn symbolische hulpbronnen
4. Sociale hulpbronnen
● Je netwerk kan je helpen je doelen makkelijker te bereiken
⇒ Mensen die jij kent, kunnen jou met hun hulpbronnen helpen
SOCIALE STRATIFICATIE
⇒ De indeling van de samenleving in sociale lagen of groepen met een ongelijke positie,
gebaseerd op factoren zoals rijkdom, macht, opleiding en status.
- Sociaal, cultureel en economisch kapitaal
‘Maatschappelijke ladder’
Een metafoor om de sociale lagen voor te stellen. Je kunt omhoog of omlaag
bewegen op de ladder, wat wordt aangeduid als sociale mobiliteit.
Een positie op de maatschappelijke ladder wordt bepaald door twee factoren: ERIN
- Positietoewijzing: mensen krijgen hun maatschappelijke positie toegewezen op
basis van maatschappelijke oorzaken die buiten hun directe invloed liggen
(afkomst, gender of etniciteit)
⇒ Er is weinig tot geen sprake van sociale mobiliteit, wat duidt op een gesloten
samenleving
- Positieverwerving: mensen verkrijgen een maatschappelijke positie door hun
eigen bijdrage en inspanningen (opleiding of werk)
⇒ Er is ruimte om te stijgen en te dalen op de maatschappelijke ladder, wat duidt
op een open samenleving
2
,HOOFDSTUK 2: MACHT EN MACHTSVERDELING
MACHT
Macht
⇒ Vermogen om hulpbronnen in te zetten om bepaalde doelstellingen te bereiken en de
handelingsmogelijkheden van anderen te beperken of te vergroten.
MACHT EN POLITIEKE PARTICIPATIE
Politieke macht ⇒ het vermogen om politieke besluitvorming te beïnvloeden
Machtsevenwicht ⇒ belangrijk dat politieke actoren evenveel macht hebben
Machtongelijkheid op internationaal vlak kan leiden tot oorlog en geweld binnen en
tussen staten.
MACHT EN MACHTSVERDELING
Politieke participatie
Het deelnemen aan de politiek kan op twee manieren:
1. Electorale participatie: deelnemen aan verkiezingen
⇒ Actief & passief kiesrecht
2. Niet-electorale participatie: deelnemen aan een politieke proces buiten
verkiezingen om
⇒ Contacten met autoriteiten, politieke partijen, pressiegroepen
Protestactiviteiten
Los van de verkiezingen is er maar een klein deel van de bevolking dat ook echt
participeert in de politiek. Daarnaast; mensen die lager op de maatschappelijke ladder
staan, participeren ook minder.
Redenen hiervoor?
- Politieke (des)interesse
- Vertrouwen in politiek/democratie (representatie → representativiteit
- Opleidingsniveau
- Sociaal milieu → gebrek aan politieke socialisatie
3
, Visies wenselijkheid politieke participatie KOMT ERIN!!!
Er zijn twee visies over politieke participatie
1. Ontwikkelingsvisie
⇒ Ziet participatie als een doel op zich: burgers willen politiek actief zijn en leren er
veel van. Hun kennis, zelfvertrouwen en bekwaamheid om te participeren neemt
toe wanneer zij echt betrokken zijn bij grote politieke vraagstukken. Hoe meer
burgers politiek actief zijn, hoe beter de democratie volgens deze visie
functioneert.
● Alleen deelname aan verkiezingen is niet voldoende → er moet
betrokkenheid zijn.
2. Instrumentele visie
⇒ Ziet participatie vooral als een middel om tot besluiten te komen. Mensen weten
zelf het beste wat hun belangen zijn en door te stemmen geven ze de gekozen
politici een aanwijzing voor de inrichting van het beleid. Participatie is in deze visie
wenselijk als het leidt tot beter beleid, of tot meer acceptatie van het beleid. Echter
is het niet altijd goed, wanneer vooral specifieke groepen (rijke mensen,
hoogopgeleiden) van zich laten horen, of wanneer politiek actieve burgers het niet
accepteren wanneer zij hun zin niet krijgen.
● Deelname aan verkiezingen (moet de kern zijn) wordt juist als iets goeds
gezien: alle groepen laten zich horen
Gezag KOMT ERIN
⇒ Macht die als legitiem beschouwd wordt.
Grote verschil tussen macht en gezag zit in de acceptatie en erkenning van macht →
hierdoor wordt het gezag. Gezaghebbende mensen/instanties hebben wel macht, maar
niet gebaseerd op dwang. Wil je gezag behouden, dan moet je mensen continu
overtuigen van je prestaties en kwaliteiten.
Gezag wordt door actor ontleend aan:
1. Kwaliteiten die aan de ator worden toegeschreven
2. Positie die in een organisatie wordt ingenomen
3. Prestaties die aan actor wordt toegeschreven
Theorieën over machtsverdeling KOMT ERIN
Er zijn twee verschillende theorieën over de verdeling van macht binnen een land:
1. Pluralismetheorie
⇒ Volgens deze theorie bestaat de samenleving uit veel verschillende groepen
met eigen belangen, zoals bedrijven, vakbonden en milieuorganisaties. Doordat al
deze groepen invloed proberen uit te oefenen op de politiek, is de macht verspreid
en niet in handen van een kleine elite. Er is open toegang tot het politieke
besluitvormingsproces, waardoor iedereen in principe invloed kan hebben.
2. Machtselitetheorie
⇒ Volgens deze theorie heeft een kleine groep mensen, de machtselite, de meeste
macht in de samenleving. Deze groep bestaat uit mensen die belangrijke posities
hebben in bijvoorbeeld grote bedrijven, de politiek of de media. Zij nemen
beslissingen die veel invloed hebben op het land, waardoor gewone burgers en
zelfs de regering minder te zeggen hebben dan het lijkt. De macht is dus vooral
geconcentreerd bij grote organisaties (Shell, ASML). Vroeger dacht men dat de
macht of helemaal bij zo’n elite lag, of eerlijk verdeeld was over verschillende
groepen. Tegenwoordig zien we dat het meestal ergens tussen deze uitersten zit.
4