Cognitieve Psychologie
Week 1 – Introductie & Cognitieve Neurowetenschappen
Ulric Neisser
● Eerste echte cognitieve psycholoog
● Cognitie = alle processen waarbij sensorische input wordt getransformeerd, gereduceerd, ge-
elaboreert, opgeslagen, opgehaald en gebruikt wordt
Eigenlijk dus alles wat je doet in het dagelijks leven
Alle processen interacteren met elkaar
Cognitie is op invloed op alle cognitieve processen ◊
� emotie interacteert met cognitie
Time Line
1. Wilhelm Wundt 1879
a. Experimenteel lab 🡪 gecontroleerde waarnemingen houden over perceptie
b. Structuralisme: uit welke elementen bestaat een bewuste waarneming
c. Ook introspectie
2. William James 1890
a. Principles of Psychology
b. Introspectie: proberen te analyseren wanneer je ergens je aandacht op richt, je een
emotie voelt
i. Subjectief
3. Watson 1913
a. Klassiek Conditioneren
b. Behaviourisme: alleen onderzoeken wat je kan zien
4. Skinner 1938
a. Operant Conditioneren
b. Behaviourisme
5. Tolman 1948
a. Mental Map: een van de eerste experimenten binnen cognitieve psychologie
i. Ratten hadden mentale representatie van doolhof in hun hoofd
6. Ontwikkeling PC’s: werking van black box werd gezien als werking van PC’s
7. Neisser 1967 (officiële start)
a. Eerste tekstboek CP
, 2
Behaviourisme:
- Model: Stimulus 🡪 Black box 🡪 Gedrag
o Black box kan niet onderzocht worden
- Geboren als blank slate
Cognitief
- Model: Input 🡪 Mediational proces 🡪 output
o Obv output conclusies trekken wat er in de black box gebeurt
Cognitieve experimenten: systematisch manipuleren van de input (onafhankelijke var) en de output
meten (afhankelijke var. Bv:
- Reactietijd
- Accuraatheid
- Sensitiviteit (d’): signaal detectie 🡪 meten hoe goed je een signaal kan herkennen terwijl er ruis is
Methoden:
- Substractie: reactietijd van ene conditie – reactietijd andere conditie
o Aannames:
▪ Informatieverwerking bestaat uit vaste stadia
▪ Ieder stadium kost tijd
▪ Tijdsverschil tussen taak met stadium en taak zonder dat stadium = verwerkingstijd
van stadium
o Voordelen:
▪ Causale relatie aantonen (als alle andere variabelen gelijk blijven)
▪ Objectief
▪ Breed toepasbaar
o Nadelen:
▪ Aanname dat stadia onafhankelijk van elkaar zijn
● Sommige stimuli kunnen een specifieke automatisch respons uitlokken
Cognitieve wetenschap = relatie onderzoeken tussen stimulus en respons + de onderliggende mentale
processen
- Proces en resource modellen: representeren operatie (sequentie) en/of interactie van een bepaald
cognitief proces
o Proces:
o Resource: geeft altijd aan dat er een gelimiteerde capaciteit is
, 3
▪ Waarbij dingen met de hoogst emotionele waarde geprioriteerd wordt
Bij cognitieve neurowetenschappen wordt de relatie tussen stimulus en respons gekoppeld aan
breinprocessen
- En je kan in de blackbox kijken
Neuronen communiceren dmv chemische (neurotransmitters) en elektrische signalen (actiepotentialen)
Neurale code: patroon van neurale code representeert onze wereld
� Bepaalde manier waarop neuronen gevuurd worden
Representaties:
- Fysieke kenmerken
- Ruimte: waar dingen zijn
- Tijd: wanneer dingen (gaan) gebeuren
- Semantiek: wat dingen betekenen
- Actie: wat we (gaan) doen
In de occipitale kwab hebben wij feature detectors: bepaalde neuronen worden actief bij bepaalde
representaties
- Dit gaat door in andere breingebieden
- We hebben voor het herkennen van mensen ieder een eigen cel (is false)
o Grandmother cell 🡪 toenemende complexiteit en specialisatie
▪ 1 hoofdcel die afsplitst
o Nog opzoeken
specificity coding = 1 neuron voor 1 persoon; problemen:
- Je hebt te veel cellen nodig
, 4
- Grandmother cel kan dood gaan
- Codering voor dingen die we nooit hebben gezien
Population coding = groot aantal neuronen codeert dmv een patroon/combinatie van activatie voor een
persoon of object
- activiteit is verdeeld over het brein
- Dus niet: 1 cel representeert 1 iemand
- Voordelen
o Grotere capaciteit
o Nieuwe objecten worden gevormd door nieuwe combinaties
o Vergelijkbare objecten hebben vergelijkbare combinaties
o Relatief robuust tegen schade (geen grandmother cell)
Sparse coding = klein aantal neuronen codeert dmv een patroon/combinatie van activatie voor een
persoon of object
- zelfde idee als population coding, maar minder spreiding voor specifieke taken
fMRI: meten breinactiviteit
- Meet magnetische lading van transportatie van zuurstof in bloed naar hersengebieden
o = blood oxygen level dependent (BOLD)
o Kan goed meten waar, kan niet goed weten wanneer
▪ Laag temporeel
▪ Hoog spatieel
PPA: parahippocampal place area
- Gebied dat wordt geactiveerd wanneer je naar een huis kijkt
o Maar eigenlijk bij alles met een soortgelijk spatiele/ruimtelijke uiterlijk
FFA: Fusiform Face Area
- Actief wanneer je naar een gezicht kijkt
o Maar ook bij alles waarin je expertise hebt
▪ Daarom ook bij gezichten
EBA: Extrastriate Body Area
- Actief bij zien van lichaamsdelen
Nooit denken: gebied x is alleen maar betrokken bij proces x, het is altijd onderdeel van een bepaald
netwerk
- Kan wel denken dat gebied x essentieel is
Distributed processing = verwerking van dingen is verspreid over heel het brein