200 meerkeuzevragen
Gebaseerd op Social Psychology (14e editie) van Branscombe & Baron
Aantal vragen 200
Vraagtype Meerkeuze (A/B/C/D)
Hoofdstukken 12 (Sociale Psychologie t/m Tegenslag & Geluk)
Geschatte tijdsduur 180 minuten
Antwoordsleutel Aan het einde van het document
Instructies. Kies bij elke vraag het beste antwoord uit A, B, C of D. Per vraag staat een hyperlink
waarmee je direct naar een uitleg of definitie van de centrale begrippen kunt navigeren. Gebruik deze
links pas na het beantwoorden om je antwoorden te controleren. De volledige antwoordsleutel met
korte toelichting vind je achterin dit document.
,Hoofdstuk 1: Sociale Psychologie: De wetenschap van de sociale
kant van het leven
Vraag 1. Wat is de meest accurate definitie van sociale psychologie?
A. Het is een tak van de filosofie die zich richt op morele oordelen over de gedragingen van mensen in
collectieve verbanden zoals naties.
B. Het is de wetenschappelijke studie van hoe het denken, voelen en gedrag van individuen wordt
beïnvloed door de werkelijke of veronderstelde aanwezigheid van anderen.
C. Het is een sociologische deeldiscipline die uitsluitend grootschalige maatschappelijke structuren en
hun historische ontwikkeling bestudeert.
D. Het is een klinische methode om persoonlijkheidsstoornissen binnen relaties te diagnosticeren door
middel van diepte-interviews en projectieve testen.
➜ Uitleg en definities
Vraag 2. Welke uitspraak vat de wetenschappelijke aard van de sociale psychologie het beste
samen?
A. Sociale psychologie steunt vooral op gezond verstand en geaccumuleerde persoonlijke ervaring
om algemene conclusies over gedrag te trekken.
B. Sociale psychologie hanteert kernwaarden als nauwkeurigheid, objectiviteit, scepsis en openheid
om kennis systematisch te toetsen.
C. Sociale psychologie verwerpt experimenteel onderzoek omdat de complexiteit van menselijk
gedrag zich principieel onttrekt aan laboratoriumstudies.
D. Sociale psychologie valt grotendeels samen met de algemene psychiatrie en richt zich vooral op
behandeling van relationele en interpersoonlijke stoornissen.
➜ Uitleg en definities
Vraag 3. Wat is een belangrijk verschil tussen sociale psychologie en sociologie?
A. Sociologie richt zich primair op het individu in een sociale context, terwijl sociale psychologie
grootschalige maatschappelijke processen bestudeert.
B. Beide disciplines bestuderen exact dezelfde verschijnselen, maar gebruiken een verschillend
vakjargon en een verschillende publicatiecultuur.
C. Sociale psychologie focust op het individu in een sociale context, terwijl sociologie zich richt op
grotere maatschappelijke structuren en groepen.
D. Sociale psychologie bestaat enkel uit kwalitatief veldwerk, terwijl sociologie uitsluitend
gebruikmaakt van kwantitatieve enquêtes en register-data.
➜ Uitleg en definities
Vraag 4. Wat houdt de experimentele methode in de sociale psychologie typisch in?
A. Onderzoekers beschrijven natuurlijk voorkomend gedrag in detail zonder enige variabele te
manipuleren of een controlegroep te hanteren.
B. Onderzoekers vragen aan deelnemers om hun eigen experimentele opzet voor te stellen en
achteraf zelf de uitkomsten te interpreteren.
C. Onderzoekers berekenen alleen correlaties tussen reeds bestaande variabelen die in archieven of
databestanden zijn vastgelegd.
D. Onderzoekers manipuleren één of meer onafhankelijke variabelen en meten het effect op een
afhankelijke variabele om causaliteit vast te stellen.
➜ Uitleg en definities
,Vraag 5. Wat is het belangrijkste nadeel van de correlationele methode?
A. Een correlatie kan alleen positieve verbanden tussen variabelen vaststellen en is structureel
ongeschikt voor het detecteren van negatieve verbanden.
B. Een correlatie wordt door methodologen niet als wetenschappelijk geaccepteerd omdat zij intrinsiek
onbetrouwbaar en niet repliceerbaar zou zijn.
C. Een correlatie kan op zichzelf geen oorzakelijk verband aantonen, omdat een derde variabele beide
gemeten variabelen kan beïnvloeden.
D. Een correlatie vereist altijd een experimentele controlegroep en kan zonder zo'n groep geen
interpretatie van de samenhang opleveren.
➜ Uitleg en definities
Vraag 6. Wat is de functie van een mediërende variabele?
A. Een mediërende variabele is conceptueel identiek aan een moderator-variabele en wordt in
onderzoek door elkaar heen gebruikt.
B. Een mediërende variabele wordt gebruikt om proefpersonen tijdens een experiment doelbewust te
misleiden over de werkelijke onderzoeksvraag.
C. Een mediërende variabele verklaart het mechanisme of pad waardoor een onafhankelijke variabele
invloed uitoefent op een afhankelijke variabele.
D. Een mediërende variabele blokkeert ieder oorzakelijk verband tussen twee variabelen en verbergt
zo de werkelijke effectgrootte.
➜ Uitleg en definities
Vraag 7. Wat is meta-analyse?
A. Het is een filosofisch debat over de basisaannames en methodologische uitgangspunten van een
onderzoeksveld of theoretische stroming.
B. Het is een statistische techniek waarbij resultaten van veel onderzoeken naar hetzelfde onderwerp
worden gecombineerd tot één algemene effectgrootte.
C. Het is een vorm van introspectief zelfonderzoek waarbij de onderzoeker zijn eigen denkprocessen
tijdens de studie systematisch documenteert.
D. Het is een procedure om de ruwe data van één enkel groot experiment opnieuw te analyseren met
geavanceerdere statistische technieken.
➜ Uitleg en definities
Vraag 8. Wat is de rol van een theorie in de sociale psychologie?
A. Theorieën zijn speculatieve verhalen die enkel inspireren maar geen toetsbare voorspellingen
genereren waarmee onderzoek kan vorderen.
B. Theorieën dienen alleen om bestaande resultaten achteraf netjes te beschrijven, niet om nieuwe
hypotheses voor toekomstig onderzoek te formuleren.
C. Theorieën integreren bestaande kennis en genereren toetsbare hypotheses die door onderzoek
bevestigd of verworpen kunnen worden.
D. Theorieën worden zelden bijgesteld omdat zij eenmaal geformuleerd geacht worden onveranderlijk
en universeel geldig te zijn voor het vakgebied.
➜ Uitleg en definities
, Vraag 9. Wat is geïnformeerde toestemming (informed consent) in onderzoek?
A. Het is een formele goedkeuring van de financier voor publicatie van de resultaten en de
bijbehorende mediastrategie rond de uitkomsten.
B. Het is de schriftelijke bevestiging dat de hoofdonderzoeker eerder al peer-reviewed heeft
gepubliceerd over het onderwerp van de studie.
C. Het is een mondelinge belofte van de onderzoeker dat alle deelnemers anoniem in de dataset
zullen verschijnen, zonder verdere uitleg vooraf.
D. Het is de procedure waarbij deelnemers vooraf worden ingelicht over de aard, risico's en doelen
van het onderzoek voordat zij instemmen om mee te doen.
➜ Uitleg en definities
Vraag 10. Wat is debriefing in een sociaal-psychologisch experiment?
A. Het is een gesprek na afloop waarin deelnemers het ware doel en eventuele bedrog of misleiding
van het experiment uitgelegd krijgen door de onderzoeker.
B. Het is de eerste fase waarin deelnemers worden geselecteerd op basis van hun
persoonlijkheidstrekken en hun geschiktheid voor de experimentele condities.
C. Het is een statistische correctieprocedure die gebruikt wordt om de invloed van uitvallers tijdens het
onderzoek op de eindresultaten te neutraliseren.
D. Het is de procedure waarbij ruwe onderzoeksdata vóór publicatie worden geanonimiseerd zodat
individuele deelnemers niet meer herleidbaar zijn.
➜ Uitleg en definities
Hoofdstuk 2: Sociale Cognitie
Vraag 11. Wat zijn heuristieken in sociale cognitie?
A. Het zijn formele logische regels die op basis van expliciete deductie altijd tot het objectief juiste
antwoord leiden in sociale oordelen.
B. Het zijn mentale snelkoppelingen of vuistregels die snelle, maar soms feilbare oordelen mogelijk
maken bij het verwerken van sociale informatie.
C. Het zijn aangeboren neurologische reflexen die volledig buiten cognitieve verwerking om sociale
stimuli categoriseren en evalueren.
D. Het zijn gestandaardiseerde vragenlijsten waarmee onderzoekers de attitudes en cognitieve stijl
van proefpersonen empirisch in kaart brengen.
➜ Uitleg en definities
Vraag 12. Wat beschrijft de representativiteitsheuristiek?
A. Mensen schatten de kans op een gebeurtenis op basis van hoe gemakkelijk overeenkomstige
voorbeelden uit het langetermijngeheugen kunnen worden opgehaald.
B. Mensen oordelen over een persoon of gebeurtenis door deze te vergelijken met een typisch
prototype of stereotype, vaak ten koste van basiskansen.
C. Mensen beoordelen statistische gegevens door uit te gaan van een willekeurig startpunt en hun
schatting daar slechts onvoldoende vanaf bij te stellen.
D. Mensen kiezen consequent voor de bestaande situatie boven verandering om risico's en cognitieve
inspanning bij beslissingen zoveel mogelijk te vermijden.
➜ Uitleg en definities