Vennootschapsbelasting Verdiept
Hoorcollege 1: Subjectieve belastingplicht: beperkt belastingplichtigen, buitenlandse
rechtsvormen en de omgekeerd-hybride maatregel
1. Inleiding en context
Dit eerste hoorcollege van Vennootschapsbelasting Verdiept bouwt direct voort op de kennis van
het inleidende vak. De focus ligt op de subjectieve belastingplicht in de diepte: wie zijn beperkt
belastingplichtig, hoe werkt het ondernemingsbegrip voor stichtingen en overheidslichamen, en
— als nieuw verdiepend thema — hoe kwalificeert Nederland buitenlandse rechtsvormen na de
ingrijpende wijziging per 1 januari 2025?
Opbouw van het vak
• 12 hoorcolleges (verdieping bestaande stof + nieuwe ontwikkelingen)
• 6 werkcolleges (casusoefening)
• Presentaties op 25 maart 2026: keuze uit een belangrijk arrest (2021–2025), een
wetswijziging per/na 1 januari 2022, of een aanhangig wijzigingsvoorstel
• Beoordeling presentatie: voldoende = 0,5 punt bonus; ruim voldoende = 1,0 punt
bonus op het tentamen
2. Drie categorieën belastingplichtigen — systematisch
overzicht
De Wet Vpb 1969 kent drie categorieën belastingplichtigen. De belangrijkste onderscheidende
factor is de reikwijdte van de belastingplicht: onbeperkt (gehele vermogen) versus beperkt
(uitsluitend ondernemingswinst).
Categorie Grondslag
Onbeperkt Geacht gehele vermogen in onderneming te drijven (art. 2
belastingplichtigen lid 6)
Beperkt Alleen indien en voor zover zij een onderneming drijven
belastingplichtigen
Buitenlandse Bepaalde Nederlandse bronnen (VI, AB, etc.)
belastingplichtigen
Kernonderscheid: ondernemingsfictie vs. vermogensetikettering
Onbeperkt belastingplichtigen (NV, BV e.d.) worden op grond van art. 2 lid 6 Vpb geacht
hun onderneming te drijven met behulp van hun gehele vermogen. Er vindt géén
vermogensetikettering plaats: elk voordeel is een ondernemingsvoordeel.
Beperkt belastingplichtigen (stichtingen, verenigingen) kennen deze fictie níet. Per
vermogensbestanddeel moet worden vastgesteld of het tot het ondernemingsvermogen
behoort. De etiketteringsregels uit de IB-jurisprudentie zijn het uitgangspunt. Praktisch
gevolg: beleggingsvermogen bij een stichting valt buiten de Vpb-heffing; overtollige
, liquide middelen zijn een grensgebied.
3. Beperkt belastingplichtigen: stichtingen, verenigingen en
overige rechtspersonen
3.1 Wettelijke grondslag
Artikel 2, lid 1, onderdeel e Vpb maakt de volgende lichamen beperkt belastingplichtig, indien en
voor zover zij een onderneming drijven:
• Stichtingen
• Verenigingen
• Kerkgenootschappen
• Andere dan publiekrechtelijke rechtspersonen
Artikel 2, lid 1, onderdeel g Vpb: publiekrechtelijke rechtspersonen, niet zijnde de Staat —
eveneens beperkt belastingplichtig voor zover zij een onderneming drijven.
Artikel 2, lid 2 Vpb: ondernemingen gedreven door de Staat zelf.
3.2 Het ondernemingsbegrip
Van een onderneming is sprake wanneer door middel van een duurzame organisatie van kapitaal
en arbeid wordt deelgenomen aan het economische verkeer met het oogmerk winst te behalen.
Dit is hetzelfde ondernemingsbegrip als in de Wet IB 2001 en geldt zowel voor private
rechtspersonen als voor publiekrechtelijke lichamen.
Vier essentiële elementen van het ondernemingsbegrip
• Duurzame organisatie: niet eenmalig of incidenteel; de activiteit moet structureel
van aard zijn.
• Kapitaal én arbeid: beide zijn vereist; louter kapitaalverstrekking zonder arbeid is
veelal vermogensbeheer.
• Deelname aan economisch verkeer: optreden in de markt; gesloten kring of
intern verkeer volstaat niet.
• Oogmerk winst te behalen: een objectief winstoogmerk; subjectief verliesoogmerk
sluit niet uit dat er feitelijk winsten worden behaald.
Aandachtspunt: onderneming vs. vermogensbeheer
Het onderscheid tussen ondernemen en vermogensbeheer is niet alleen relevant voor de
Vpb, maar heeft ook betekenis voor de lucratieve-bedrijfsopvolgingsregeling in de
Successiewet (BOF). Bij verhuur van vastgoed is de grens diffuus: meer dan normaal
vermogensbeheer door kwaliteit en omvang van arbeid kan leiden tot kwalificatie als
onderneming.
3.3 Vermogensetikettering bij beperkt belastingplichtigen
,Omdat art. 2 lid 6 Vpb niet van toepassing is op beperkt belastingplichtigen, moet per
vermogensbestanddeel worden getoetst of het in het kader van de onderneming wordt
aangewend. De IB-etiketteringsregels zijn leidend:
• Verplicht ondernemingsvermogen: vermogensbestanddelen die uitsluitend zakelijk worden
aangewend.
• Verplicht privévermogen (hier: niet-ondernemingsvermogen): bestanddelen die geen enkele
zakelijke functie hebben.
• Keuzevermogen: bestanddelen die zowel zakelijk als niet-zakelijk kunnen worden
aangemerkt — de belastingplichtige kiest, mits de keuze niet onredelijk is.
Op de Vpb-balans van een stichting staat dus uitsluitend het ondernemingsvermogen. Een
stichting die een museum exploiteert én beleggingen aanhoudt, moet die beleggingen etiketteren
als niet-ondernemingsvermogen, tenzij de beleggingen een functie vervullen binnen de
onderneming (bijv. als werkkapitaalreserve).
3.4 Art. 4 onderdeel a: in concurrentie treden
Artikel 4 onderdeel a Vpb breidt de belastingplicht van beperkt belastingplichtigen uit naar
gevallen waar sprake is van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid die deelneemt aan
het economische verkeer, maar waarbij het winstoogmerk ontbreekt of ondergeschikt is — mits
de activiteiten ten koste gaan van het debiet van andere (belastingplichtige) bedrijven.
Verschil onderneming (art. 2) vs. in concurrentie treden (art. 4 sub a)
Criterium Art. 2 — Onderneming
Winstoogmerk Vereist (objectief)
Duurzame organisatie Vereist
Concurrentiefactor Niet relevant
Oogmerk concurrentie N.v.t.
3.5 Art. 4 onderdeel c: commanditaire medegerechtigdheid
Een commanditair belang in een CV (na 1-1-2025: alle CV's transparant, tenzij reverse hybrid)
vormt op zichzelf géén onderneming. Toch wil de wetgever voorkomen dat stichtingen en
verenigingen belastingvrij profiteren van ondernemingswinsten via een commanditair belang.
Artikel 4 onderdeel c Vpb schept dan ook belastingplicht voor:
'het zijn van medegerechtigde tot het vermogen van een onderneming, voor zover dit niet opkomt
uit effectenbezit, waarbij de medegerechtigdheid zich niet behoeft uit te strekken tot een
eventueel liquidatiesaldo.'
4. Subjectieve vrijstellingen (art. 5 en 6 Vpb)
4.1 Artikel 5 Vpb — specifieke lichamen
Artikel 5 Vpb verleent een subjectieve vrijstelling aan met name genoemde lichamen, nader
uitgewerkt in het Uitvoeringsbesluit Vpb 1971. Het gaat onder meer om:
• Landgoederen (Natuurschoonwet)
, • Pensioenfondsen
• Zorginstellingen
• Bepaalde onderwijsinstellingen
4.2 Artikel 6 Vpb — drempelvrijstelling voor stichtingen en verenigingen
Stichtingen en verenigingen die slechts geringe winsten behalen, zijn vrijgesteld. De drempels
zijn cumulatief:
• Op jaarbasis maximaal € 15.000 winst, óf
• Over vijf jaar samen maximaal € 75.000 winst.
Keuzerecht en optie afzien van vrijstelling
Een stichting of vereniging kan opteren om de vrijstelling van art. 6 Vpb niet toe te
passen. Dit kan voordelig zijn als de belastingplichtige verliezen heeft die anders verloren
gaan (bij vrijstelling worden verliezen op nihil gesteld en zijn ze niet verrekenbaar). De
keuze geldt voor een minimumperiode van vijf jaar en heeft dus langetermijngevolgen.
4.3 Specifieke vrijstellingen: VBI en FBI
• Vrijgestelde beleggingsinstelling (VBI, art. 6a Vpb): Subjectief vrijgesteld; is slechts een
doorgangsstation tussen aandeelhouders en beleggingen. Kan géén bronbelasting
verrekenen of teruggave vragen. Per 1 januari 2024 zijn de voorwaarden zo aangescherpt
dat VBI's nauwelijks meer voorkomen. Er is géén overgangsregeling.
• Fiscale beleggingsinstelling (FBI, art. 28 Vpb): Nihiltarief (0%), mits doorstootverplichting
binnen 8 maanden. Komt later in het vak aan de orde.
4.4 Artikel 6b Vpb — academische ziekenhuizen en bekostigd onderwijs
• Academische ziekenhuizen: vrijgesteld op grond van art. 6b Vpb.
• Bekostigd onderwijs en onderzoek: vrijgesteld mits het onderwijs of onderzoek voor 70% of
meer wordt bekostigd uit publieke middelen. Let op de harde grens: wordt minder dan 70%
publiek bekostigd, dan vervalt de vrijstelling volledig.
• Zeehavenbeheerders (art. 6c Vpb): vrijstelling per 1 januari 2017 vervallen wegens EU-
staatssteunbezwaren (EC-mededeling augustus 2014).
5. Overheidsbedrijven
5.1 Historische achtergrond: de situatie vóór 1 januari 2016
Tot 2016 gold een gesloten stelsel voor overheidsbedrijven: belastingplicht bestond alleen voor
de in de wet met naam genoemde activiteiten (art. 2 lid 3 oud Vpb). Het ontbreken van de
activiteit 'dienstverlening' was de grootste lacune. Na jarenlange discussie concludeerde de
Europese Commissie dat de vrijstelling voor overheidsbedrijven kwalificeerde als ongeoorloofde
staatssteun (Mededeling EG-C 22 augustus 2014, C-280/68, NTFR 2014/2142), waarop
Nederland de wet moest aanpassen.
5.2 Het stelsel vanaf 1 januari 2016
Hoorcollege 1: Subjectieve belastingplicht: beperkt belastingplichtigen, buitenlandse
rechtsvormen en de omgekeerd-hybride maatregel
1. Inleiding en context
Dit eerste hoorcollege van Vennootschapsbelasting Verdiept bouwt direct voort op de kennis van
het inleidende vak. De focus ligt op de subjectieve belastingplicht in de diepte: wie zijn beperkt
belastingplichtig, hoe werkt het ondernemingsbegrip voor stichtingen en overheidslichamen, en
— als nieuw verdiepend thema — hoe kwalificeert Nederland buitenlandse rechtsvormen na de
ingrijpende wijziging per 1 januari 2025?
Opbouw van het vak
• 12 hoorcolleges (verdieping bestaande stof + nieuwe ontwikkelingen)
• 6 werkcolleges (casusoefening)
• Presentaties op 25 maart 2026: keuze uit een belangrijk arrest (2021–2025), een
wetswijziging per/na 1 januari 2022, of een aanhangig wijzigingsvoorstel
• Beoordeling presentatie: voldoende = 0,5 punt bonus; ruim voldoende = 1,0 punt
bonus op het tentamen
2. Drie categorieën belastingplichtigen — systematisch
overzicht
De Wet Vpb 1969 kent drie categorieën belastingplichtigen. De belangrijkste onderscheidende
factor is de reikwijdte van de belastingplicht: onbeperkt (gehele vermogen) versus beperkt
(uitsluitend ondernemingswinst).
Categorie Grondslag
Onbeperkt Geacht gehele vermogen in onderneming te drijven (art. 2
belastingplichtigen lid 6)
Beperkt Alleen indien en voor zover zij een onderneming drijven
belastingplichtigen
Buitenlandse Bepaalde Nederlandse bronnen (VI, AB, etc.)
belastingplichtigen
Kernonderscheid: ondernemingsfictie vs. vermogensetikettering
Onbeperkt belastingplichtigen (NV, BV e.d.) worden op grond van art. 2 lid 6 Vpb geacht
hun onderneming te drijven met behulp van hun gehele vermogen. Er vindt géén
vermogensetikettering plaats: elk voordeel is een ondernemingsvoordeel.
Beperkt belastingplichtigen (stichtingen, verenigingen) kennen deze fictie níet. Per
vermogensbestanddeel moet worden vastgesteld of het tot het ondernemingsvermogen
behoort. De etiketteringsregels uit de IB-jurisprudentie zijn het uitgangspunt. Praktisch
gevolg: beleggingsvermogen bij een stichting valt buiten de Vpb-heffing; overtollige
, liquide middelen zijn een grensgebied.
3. Beperkt belastingplichtigen: stichtingen, verenigingen en
overige rechtspersonen
3.1 Wettelijke grondslag
Artikel 2, lid 1, onderdeel e Vpb maakt de volgende lichamen beperkt belastingplichtig, indien en
voor zover zij een onderneming drijven:
• Stichtingen
• Verenigingen
• Kerkgenootschappen
• Andere dan publiekrechtelijke rechtspersonen
Artikel 2, lid 1, onderdeel g Vpb: publiekrechtelijke rechtspersonen, niet zijnde de Staat —
eveneens beperkt belastingplichtig voor zover zij een onderneming drijven.
Artikel 2, lid 2 Vpb: ondernemingen gedreven door de Staat zelf.
3.2 Het ondernemingsbegrip
Van een onderneming is sprake wanneer door middel van een duurzame organisatie van kapitaal
en arbeid wordt deelgenomen aan het economische verkeer met het oogmerk winst te behalen.
Dit is hetzelfde ondernemingsbegrip als in de Wet IB 2001 en geldt zowel voor private
rechtspersonen als voor publiekrechtelijke lichamen.
Vier essentiële elementen van het ondernemingsbegrip
• Duurzame organisatie: niet eenmalig of incidenteel; de activiteit moet structureel
van aard zijn.
• Kapitaal én arbeid: beide zijn vereist; louter kapitaalverstrekking zonder arbeid is
veelal vermogensbeheer.
• Deelname aan economisch verkeer: optreden in de markt; gesloten kring of
intern verkeer volstaat niet.
• Oogmerk winst te behalen: een objectief winstoogmerk; subjectief verliesoogmerk
sluit niet uit dat er feitelijk winsten worden behaald.
Aandachtspunt: onderneming vs. vermogensbeheer
Het onderscheid tussen ondernemen en vermogensbeheer is niet alleen relevant voor de
Vpb, maar heeft ook betekenis voor de lucratieve-bedrijfsopvolgingsregeling in de
Successiewet (BOF). Bij verhuur van vastgoed is de grens diffuus: meer dan normaal
vermogensbeheer door kwaliteit en omvang van arbeid kan leiden tot kwalificatie als
onderneming.
3.3 Vermogensetikettering bij beperkt belastingplichtigen
,Omdat art. 2 lid 6 Vpb niet van toepassing is op beperkt belastingplichtigen, moet per
vermogensbestanddeel worden getoetst of het in het kader van de onderneming wordt
aangewend. De IB-etiketteringsregels zijn leidend:
• Verplicht ondernemingsvermogen: vermogensbestanddelen die uitsluitend zakelijk worden
aangewend.
• Verplicht privévermogen (hier: niet-ondernemingsvermogen): bestanddelen die geen enkele
zakelijke functie hebben.
• Keuzevermogen: bestanddelen die zowel zakelijk als niet-zakelijk kunnen worden
aangemerkt — de belastingplichtige kiest, mits de keuze niet onredelijk is.
Op de Vpb-balans van een stichting staat dus uitsluitend het ondernemingsvermogen. Een
stichting die een museum exploiteert én beleggingen aanhoudt, moet die beleggingen etiketteren
als niet-ondernemingsvermogen, tenzij de beleggingen een functie vervullen binnen de
onderneming (bijv. als werkkapitaalreserve).
3.4 Art. 4 onderdeel a: in concurrentie treden
Artikel 4 onderdeel a Vpb breidt de belastingplicht van beperkt belastingplichtigen uit naar
gevallen waar sprake is van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid die deelneemt aan
het economische verkeer, maar waarbij het winstoogmerk ontbreekt of ondergeschikt is — mits
de activiteiten ten koste gaan van het debiet van andere (belastingplichtige) bedrijven.
Verschil onderneming (art. 2) vs. in concurrentie treden (art. 4 sub a)
Criterium Art. 2 — Onderneming
Winstoogmerk Vereist (objectief)
Duurzame organisatie Vereist
Concurrentiefactor Niet relevant
Oogmerk concurrentie N.v.t.
3.5 Art. 4 onderdeel c: commanditaire medegerechtigdheid
Een commanditair belang in een CV (na 1-1-2025: alle CV's transparant, tenzij reverse hybrid)
vormt op zichzelf géén onderneming. Toch wil de wetgever voorkomen dat stichtingen en
verenigingen belastingvrij profiteren van ondernemingswinsten via een commanditair belang.
Artikel 4 onderdeel c Vpb schept dan ook belastingplicht voor:
'het zijn van medegerechtigde tot het vermogen van een onderneming, voor zover dit niet opkomt
uit effectenbezit, waarbij de medegerechtigdheid zich niet behoeft uit te strekken tot een
eventueel liquidatiesaldo.'
4. Subjectieve vrijstellingen (art. 5 en 6 Vpb)
4.1 Artikel 5 Vpb — specifieke lichamen
Artikel 5 Vpb verleent een subjectieve vrijstelling aan met name genoemde lichamen, nader
uitgewerkt in het Uitvoeringsbesluit Vpb 1971. Het gaat onder meer om:
• Landgoederen (Natuurschoonwet)
, • Pensioenfondsen
• Zorginstellingen
• Bepaalde onderwijsinstellingen
4.2 Artikel 6 Vpb — drempelvrijstelling voor stichtingen en verenigingen
Stichtingen en verenigingen die slechts geringe winsten behalen, zijn vrijgesteld. De drempels
zijn cumulatief:
• Op jaarbasis maximaal € 15.000 winst, óf
• Over vijf jaar samen maximaal € 75.000 winst.
Keuzerecht en optie afzien van vrijstelling
Een stichting of vereniging kan opteren om de vrijstelling van art. 6 Vpb niet toe te
passen. Dit kan voordelig zijn als de belastingplichtige verliezen heeft die anders verloren
gaan (bij vrijstelling worden verliezen op nihil gesteld en zijn ze niet verrekenbaar). De
keuze geldt voor een minimumperiode van vijf jaar en heeft dus langetermijngevolgen.
4.3 Specifieke vrijstellingen: VBI en FBI
• Vrijgestelde beleggingsinstelling (VBI, art. 6a Vpb): Subjectief vrijgesteld; is slechts een
doorgangsstation tussen aandeelhouders en beleggingen. Kan géén bronbelasting
verrekenen of teruggave vragen. Per 1 januari 2024 zijn de voorwaarden zo aangescherpt
dat VBI's nauwelijks meer voorkomen. Er is géén overgangsregeling.
• Fiscale beleggingsinstelling (FBI, art. 28 Vpb): Nihiltarief (0%), mits doorstootverplichting
binnen 8 maanden. Komt later in het vak aan de orde.
4.4 Artikel 6b Vpb — academische ziekenhuizen en bekostigd onderwijs
• Academische ziekenhuizen: vrijgesteld op grond van art. 6b Vpb.
• Bekostigd onderwijs en onderzoek: vrijgesteld mits het onderwijs of onderzoek voor 70% of
meer wordt bekostigd uit publieke middelen. Let op de harde grens: wordt minder dan 70%
publiek bekostigd, dan vervalt de vrijstelling volledig.
• Zeehavenbeheerders (art. 6c Vpb): vrijstelling per 1 januari 2017 vervallen wegens EU-
staatssteunbezwaren (EC-mededeling augustus 2014).
5. Overheidsbedrijven
5.1 Historische achtergrond: de situatie vóór 1 januari 2016
Tot 2016 gold een gesloten stelsel voor overheidsbedrijven: belastingplicht bestond alleen voor
de in de wet met naam genoemde activiteiten (art. 2 lid 3 oud Vpb). Het ontbreken van de
activiteit 'dienstverlening' was de grootste lacune. Na jarenlange discussie concludeerde de
Europese Commissie dat de vrijstelling voor overheidsbedrijven kwalificeerde als ongeoorloofde
staatssteun (Mededeling EG-C 22 augustus 2014, C-280/68, NTFR 2014/2142), waarop
Nederland de wet moest aanpassen.
5.2 Het stelsel vanaf 1 januari 2016