Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Samenvatting

Samenvatting Deeltentamen 1 | Economische en Sociale Geschiedenis | Leiden | 2025/26

Beoordeling
-
Verkocht
1
Pagina's
44
Geüpload op
23-05-2026
Geschreven in
2025/2026

Dit is deeltentamen 1 voor het vak Economische en Sociale Geschiedenis aan Universiteit Leiden, gericht op de thema's Inkomen, macht, risico's en mentale constructies. Het document behandelt groei en de aanloop naar de Great Divergence, met focus op Malthusiaanse, Marxistische, Smithiaanse en institutionele benaderingen. Onderwerpen omvatten bevolkingsgroei, landbouwproductiviteit, Nederlandse economische vooruitgang, arbeidsverhoudingen en de verklaring van de Industriële Revolutie in Groot-Brittannië. Ideaal voor examenvoorbereiding en voor het begrijpen van de kernconcepten van dit tentamen.

Meer zien Lees minder

Voorbeeld van de inhoud

DEELTENTAMEN 1

Inkomen, macht, risico’s en mentale constructies

2 Groei en aanloop naar de Great Divergence: economische ontwikkelingen
Malthusiaans, Marxistisch, Smithiaans en Institutioneel

Het leven van de meeste mensen werd bepaald door een precair evenwicht tussen de omvang van
de bevolking en bestaansmiddelen. Er ontstond een groeiende kloof in welvaart tussen het
‘Westen’ en andere delen van de wereld; de Great Divergence.

1. In hoeverre was economische ontwikkeling voor het midden van de negentiende eeuw
mogelijk? Wat waren de beperkingen?
= de mogelijkheden voor economische ontwikkeling werden in het midden van de 19e
eeuw meestal begrensd door de lage productiviteit in de landbouw; niettemin kon soms
hier en daar enige groei plaatsvinden dankzij commercialisering, arbeidsverdeling en de
ontwikkeling van efficiënte instituties.

2. Hoe is het te verklaren dat Nederland een tijdlang voorliep in de economische
ontwikkeling in Europa? Welke interne of externe factoren lagen daaraan ten grondslag?
= Nederland kon een tijdlang voorop lopen in de economische ontwikkeling in Europa
door een combinatie van geschikte instituties, technische vernieuwingen, een relatief
hoog opleidingsniveau, een gemakkelijke toegang tot kapitaal, grondstoffen en energie en
de aanwezigheid van een ruime ‘pool’ aan arbeidsmigranten.

3. Wat betekenden die veranderingen voor mensen zelf? In welke mate deelden
verschillende groepen in de voordelen en nadelen van economische ontwikkeling,
stagnatie of krimp?
= Verschillen in de mate van vrijheid en de beloning van arbeid werden vanaf de 15e
eeuw aanzienlijk groter; onvrije arbeid breidde zich op vele plaatsen in de wereld uit en
loonarbeiders in Noordwest-Europa gingen er qua levensstandaard meer op vooruit dan
loonarbeiders in Zuid- en Centraal Europa en in de hoogst ontwikkelde gebieden van
India en China.

4. Hoe kan de Great Divergence tussen het ‘Westen’ en andere delen van de wereld worden
verklaard? En meer in het bijzonder: waardoor vond de Industriële Revolutie in het
Westen plaats en hoe komt het dat juist Groot-Brittannië hierbij voorop liep?
= De oorsprong van de Great Divergence ligt voor de 18e eeuw, maar de kloof werd
vanaf ongeveer 1800 snel groter; de verklaring ligt vooral in verschillen in instituties,
mate van commercialisering en vorming van menselijk kapitaal, die uiteindelijk
uitmondden in de Industriële Revolutie. Groot-Brittannië was op deze punten verder
ontwikkeld dan NL, FR of Azië.

,2.1 Economische ontwikkeling in de wereld
Bevolking en bestaansmiddelen – De malthusiaanse benadering (circa 1800) zette uiteen dat er
een verbinding bestaat tussen de neiging van de bevolking om te groeien en de begrensde
capaciteit van de landbouw om het toenemende aantal mensen te voeden. De rem op de
bevolkingsgroei was de positive check. De kloof tussen bevolkingsomvang en capaciteit van de
bestaansmiddelen was de negative check. Zo’n ‘bestaanscrisis’, waarbij de sterfte opeens veel
hoger werd was in Europa tot begin 19e eeuw. Dit had te maken met klimaatveranderingen en de
manier waarop de staat en samenleving functioneerden (voedseldistributie). De prijsontwikkeling
hierdoor was afhankelijk van meerdere factoren, zoals geldhoeveelheid, voedselaanvoer en de
hoogte van sterfte, zoals door epidemische ziekten. De ‘Zwarte Dood’ vanaf 1346-1720 en
invasies van buitenaf speelden ook een rol. Bevolkingsgroei kon worden vertraagd door
emigratie (naar koloniën). Landbouwopbrengsten konden toenemen door uitbreiding van het
cultuurareaal. Woeste gronden ontginnen, meren droogleggen, kwelders bedijken, dorre gronden
bevloeien. Het land werd productiever door een hogere zaaizaadfactor; de verhouding tussen
zaaizaad en oogstopbrengst. Nieuwe gewassen, zoals aardappelen en mais, die zich vanaf de
zestiende eeuw vanuit de Nieuwe Wereld kwamen, droegen op den duur eveneens bij aan
stijging van de productiviteit. Door de toevallige uitslag van oogst moesten er soms
levensmiddelen van elders worden aangevoerd en voorraden worden aangelegd. Zo konden
graanprijzen stabiliseren. Naarmate de macht van de centrale overheid in de loop van de 18e
eeuw in Europa toenam, ging deze steeds meer vrije handel in graan stimuleren.

Klassenconflict en productiewijzen – Een Marxistisch (circa 1810) perspectief gaat ervan uit
dat de productiviteit in de landbouw voor de 19e eeuw in de laag was en de agrarische sector
nauwelijks groei vertoonde. Karl Marx vond dat de stagnatie moest worden gezocht in de manier
waarop de productie en de verdeling van de opbrengst georganiseerd was. Degenen met
productiemiddelen en degenen die arbeidskracht leverden. Deze groepen vormen klassen met
verschillende economische belangen. De productieverhoudingen variëren naar de structuur van
de economische organisatie en het rechtssysteem, de staatsvorm, de cultuur en de religieuze
uitingen. Het was toen vooral ‘feodaal’ met kleine eenheden onder dwang. Deze structuur sloot
groei praktisch uit. Verandering kon alleen tot stand komen met strijd tussen de groepen. De
klassenstrijd verklaart ook het ontstaan van een extreme mate van onvrijheid in Europa. Verzet
van de plattelandsbevolking werd met harde hand onderdrukt. Verandering of stagnatie op het
platteland bleek ook samen te hangen met de rol van steden, de stedelijke burgerij en andere
institutionele factoren dan bezitsverhoudingen.

Commercialisering en arbeidsverdeling – De Smithiaanse benadering (circa 1750) ging vooral
om de toenemende arbeidsverdeling. Naarmate de markt zich uitbreidt, nemen de kansen voor
welvaartsgroei door arbeidsverdeling toe. Hoe verder de arbeidsverdeling voortgaat, hoe meer
productiviteitsstijging kan plaatsvinden door specialisatie en verbetering van vaardigheden.
Binnen de steden bestond er een grotere differentiatie van beroepen. De verspreiding van
markten is een indicator van commercialisering. Daarbij kan het gaan om markten voor

,producten of voor productiefactoren (land, arbeid, kapitaal). Uitgebreide netwerkten voor
langeafstandshandel, zoals jaarmarkten en koopliedenassociaties kwamen op. Commercialisering
en arbeidsverdeling kunnen ook op het platteland plaatsvinden. Jan de Vries: als een bevolking
groeit en mogelijkheden voor handel ontstaan kan een plattelandssamenleving doorgaans twee
trajecten vormen.

1. Peasant model. Boeren focussen op zelfvoorziening en niet op productie voor de markt.
2. Specialisatie model. De boerenhuishoudens maken maximaal gebruik van de kansen die
de markt biedt. Ze voeren arbeidsverdeling in en gaan commerciëler opereren.
3. Proto-industrialisering. Een tussenweg. De huisindustrie, plattelandsnijverheid of
putting-out system. De nijverheidsproducten worden gemaakt die buiten de lokale markt
worden verkocht.

Meestal was het proces in handen van stedelijke kooplui. Daarnaast fungeerde ook het alternatief
voor specialisatie voor peasants die vanwege de slechte kwaliteit grond of kleine omvang weinig
mogelijkheden hadden om de productiviteit van hun bedrijf te verhogen. Er kwam een
toenemend gebruik van geld en krediet die veel sneller toenam dan de bevolking en prijzen. De
totale geldhoeveelheid groeide daarnaast door de verspreiding van krediet in de vorm van
leningen, voorschotten en wissels. In Holland zakte het niveau van de rente. Er zijn dus
verschillende belangrijke ontwikkelingen (groei van steden/markten/geld en specialisatie) die
erop wijzen dat de commercialisering en arbeidsverdeling in Azië en Europa tussen circa 1000
en 1800 toenamen. Handelaars beschikten nog altijd over het meeste kapitaal. China
functioneerden zonder handelskapitalisme, omdat de overheid grote delen van de economie
reguleerde.

Instituties – De institutionele benadering gaat om verschillen in economische prestaties die
kunnen worden verklaard uit verschillen in institutionele context. Met instituties wordt bedoeld:
een stelsel van regels, normen, overtuigingen en organisaties die samen voor regelmaat in gedrag
zorgen. Ze kunnen sterk variëren, van bovenaf of onderaf. Naarmate de instituties doeltreffender
zijn, kunnen transactiekosten dalen en kan economische groei plaatsvinden. Gilden kwamen al in
de 11e eeuw op.. In Europa ontstonden vanaf ongeveer de 11e eeuw steeds meer
gemeenschappelijke, niet op verwantschap gebaseerde instituties, zoals ‘gezworen gemeenten’
(associaties van vrije stadsburgers), handelsgilden en ambachtsgilden. Ook verenigingen van
gebruikers van gemene gronden. De afwezigheid van de notie van ’corporatie’ in het islamitische
recht hinderde de vorming van grote, duurzame ondernemingen. Een stelsel van octrooien op
uitvindingen ontstond. Deze institutie bleek een gunstig kader te vormen voor technische
vernieuwing vanaf de 17e eeuw. Als crediteuren er zeker van konden zijn dat de overheid haar
verplichtingen nakwam, waren ze eerder bereid geld ter beschikking te stellen. Zo konden
overheidsapparaten worden versterkt, wat weer in het voordeel van ondernemers kon uitpakken.
China was minder efficiënt.

, 2.2 De opkomst van de Nederlandse economie
Lange tijd kende Nederland een hogere economische groei en een hoger welvaartspeil dan de
rest in Europa. Onder een ‘moderne economie’ verstaan ze een volkshuishouding met;

1. De aanwezigheid van markten voor goederen of productiefactoren (land, arbeid, kapitaal)
die redelijk open en toegankelijk zijn.
2. Een niveau van agrarische productiviteit dat hoog genoeg is om een sociale
beroepsstructuur in stand te houden die als basis voor een complexe arbeidsverdeling kan
dienen.
3. De aanwezigheid van een overheid die zich in haar beleid bekommert om de bescherming
van eigendomsrechten, contractvrijheid, vrijheid van beweging en oog heeft voor de
materiele omstandigheden waarin ingezetenen leven.
4. Niveaus van technische ontwikkeling en maatschappelijke organisatie die langdurige
economische ontwikkeling mogelijk maken en een materiele cultuur van voldoende
diversiteit kunnen ondersteunen om een markgericht consumentgedrag in stand te
houden.

In Holland vonden er voor 1500 al zulke ingrijpende veranderingen plaats dat de economische
structuur in de 16e eeuw opvallend afweek van het normale patroon in de pre-industriële
samenlevingen. Vanaf het eind van de 16e eeuw raakte de groei in de stroomversnelling. Dit kan
worden verklaard door externe impulsen en interne veranderingen. Vanuit het Oostzeegebied en
de zuidelijke Nederlanden kwam een groeiende vraag naar Hollandse/Zeeuwse producten en
naar diensten van schepen uit deze gewesten in het internationale en regionale vrachtvervoer.
Migranten droegen ook aan deze economische ontwikkelingen bij. Waarom economische
ontwikkeling in NL;

1. De voedselimport, commercialisering en verstedelijking bereikten relatief vroeg een hoog
niveau. Dit kwam voort uit veranderingen in het fysieke milieu. Grote delen van westelijk
Nederland waren ongeschikt om akkerbouw uit te oefenen -> veeteelt en werk buiten
agrarische sector -> meer graaninvoer en toename verstedelijking.
2. Boeren bleven niet gefixeerd op zelfvoorziening, maar begonnen zich op de markt te
oriënteren. -> toenemende specialisatie, kwaliteitsverhoging van het land ->
productiviteit verbetert = specialisatiemodel. Boeren waren eigenaar van het land dat ze
bewerkten.
3. Arbeidsverdeling. Het Noorden was het zwaartepunt voor maritieme activiteit en het
Zuiden voor de industrie. Dit zorgde ervoor dat het noorden een afzonderlijk economisch
geheel werd met extra groot groeipotentieel.
4. Een golf van vernieuwingen vanaf eind 16e eeuw waardoor het welvaartspeil vergrootte.
- Primaire sector, haringvisserij en walvisvaart
- Secundaire sector (industrie) met verloren bestaan- en bedrijfstakken die zorgde voor
een nieuwe reeks ‘trekkers’.

Documentinformatie

Heel boek samengevat?
Ja
Geüpload op
23 mei 2026
Aantal pagina's
44
Geschreven in
2025/2026
Type
SAMENVATTING
€6,96
Krijg toegang tot het volledige document:

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Maak kennis met de verkoper
Seller avatar
evydiris2005

Maak kennis met de verkoper

Seller avatar
evydiris2005 Universiteit Leiden
Bekijk profiel
Volgen Je moet ingelogd zijn om studenten of vakken te kunnen volgen
Verkocht
1
Lid sinds
6 dagen
Aantal volgers
0
Documenten
1
Laatst verkocht
4 dagen geleden

0,0

0 beoordelingen

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Recent door jou bekeken

Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen