1. Wat is een belangrijk aandachtspunt bij het interviewen van iemand met een
chronische of complexe aandoening?
A. Meteen veel gesloten vragen stellen
B. De ander zich op zijn gemak laten voelen
C. Zo kort mogelijk interviewen
D. Alleen medische informatie bespreken
2. Wat is de beste opbouw van een interview volgens jouw aantekeningen?
A. Controlevraag → open vraag → verdiepingsvraag
B. Verdiepingsvraag → controlevraag → open vraag
C. Open vraag → verdiepingsvragen → controlevraag
D. Open vraag → controlevraag → afsluiting
3. Welke handeling hoort bij een goede afsluiting van een interview?
A. Meteen vertrekken na de laatste vraag
B. Geen samenvatting geven
C. Het einde aankondigen en samenvatten
D. Nieuwe vragen beginnen
4. Welke van onderstaande is een psychologische factor?
A. Woonomstandigheden
B. Relaties met mensen
C. Zelfvertrouwen
D. Opleiding
5. Welke structuur behoort tot de “unhappy triad”?
1+1=2 A. Achterste kruisband
B. Mediale collaterale band
C. Laterale collaterale band
D. Posterolaterale hoek
6. Wat is een kenmerk van revalidatie na een hamstringgraft (VKB-operatie) in de eerste
6 weken?
A. Intensieve hamstringtraining
B. Geen hamstringactivatie
C. Alleen sport-specifieke training
D. Diepe squats oefenen
7. Wat is een indicatie voor een meniscushechting?
A. Oudere patiënt met artrose
B. Scheur in het perifere rode deel van de meniscus
C. Chronische knie-instabiliteit
D. Gescheurde patellapees
8. Welke functie heeft de posterolaterale hoek (PLH)?
A. Beperkt interne rotatie van de tibia
B. Voorkomt externe rotatie van de tibia
C. Zorgt voor flexie van de knie
D. Stabiliseert de patella
9. Welk hormoon verhoogt de elasticiteit van ligamenten en kan zo het risico op VKB-
letsel vergroten?
A. Insuline
B. Cortisol
C. Oestrogeen
D. Testosteron
, 10. Wat betekent “return to play”?
A. Start van algemene training
B. Terugkeer naar sportspecifieke oefeningen
C. Volledige terugkeer naar wedstrijdsport op oorspronkelijk niveau
D. Alleen krachttraining hervatten
Antwoordenblad
1. B
2. C
3. C
4. C
5. B
6. B
7. B
8. B
9. C
10. C
Meerkeuze vragen over pijn, cognities en VKB-revalidatie
1. Wat is allodynie?
A. Een pijnlijke prikkel die minder pijnlijk wordt
B. Een niet-pijnlijke prikkel die als pijnlijk wordt ervaren
C. Alleen pijn in spieren
D. Een tijdelijke ontstekingsreactie
2. Wat is hyperalgesie?
A. Geen pijn voelen bij schade
B. Een niet-pijnlijke prikkel voelen als tinteling
C. Een pijnlijke prikkel wordt extra pijnlijk ervaren
D. Verminderde gevoeligheid van zenuwen
3. Welke zenuwvezels geleiden vooral de langzame, doffe pijn?
A. A-delta vezels
B. C-vezels
C. Motorische zenuwen
D. Mechanosensoren
4. Wat betekent wind-up bij pijn?
A. Het volledig verdwijnen van pijn
B. Het afnemen van gevoeligheid in de hersenen
C. Het steeds gevoeliger worden van het ruggenmerg voor herhaalde pijnprikkels
D. Een beschadiging van spieren door overbelasting
5. Welke term beschrijft een blijvende versterking van pijngeleiding door langdurige
verhoogde activatie?
A. Reflexboog
B. LTP
C. Analgesie
D. Adaptatie
6. Wat is een voorbeeld van een luxerende factor voor persisterende pijn?
A. Genetische aanleg
B. Persoonlijkheidskenmerken
, C. Trauma of letsel
D. Chronische aandoening
7. Wat betekent pain related fear?
A. Angst dat medicatie niet werkt
B. Angst dat bewegen pijn veroorzaakt of verergert
C. Angst voor operaties
D. Verminderde pijndrempel
8. Welke test is het meest betrouwbaar voor onderzoek van de voorste kruisband (VKB)?
A. Sag sign
B. Valgus stress test
C. Lachman-test
D. Posterior drawer test
9. Welke test gebruik je voor onderzoek van de achterste kruisband (AKB)?
A. Pivot shift test
B. Posterior drawer test
C. Varus stress test
D. Thessaly test
10. Wanneer zet je functionele cognities in bij patiënten met pijnklachten?
A. Alleen aan het einde van de behandeling
B. Alleen na een operatie
C. Vanaf de eerste sessie
D. Alleen bij sporters
Antwoordenblad
1. B
2. C
3. B
4. C
5. B
6. C
7. B
8. C
9. B
10. C
Week 2: meerkeuze vragen over patiëntgerichte communicatie, placebo/nocebo,
gezondheidsvaardigheden en perifeer zenuwletsel.
1. Wat betekent shared decision making binnen de fysiotherapie?
A. De fysiotherapeut beslist zelfstandig over de behandeling
B. De patiënt kiest zonder uitleg zelf een behandeling
C. Zorgverlener en patiënt beslissen samen op basis van kennis en voorkeuren
D. Alleen de richtlijn bepaalt de behandeling
2. Wat is een voorbeeld van nocebo-communicatie?
A. “Bewegen helpt vaak bij herstel.”
B. “Je lichaam is sterk en belastbaar.”
, C. “Als je dat blijft doen, krijg je zeker meer schade.”
D. “We kijken samen wat haalbaar is.”
3. Waarom worden metaforen gebruikt in patiëntgerichte communicatie?
A. Om medische termen ingewikkelder te maken
B. Om abstracte informatie begrijpelijk te maken
C. Om diagnoses te vervangen
D. Om patiënten te testen
4. Wat is een kenmerk van iemand met beperkte gezondheidsvaardigheden?
A. Stelt veel kritische vragen
B. Leest altijd medische informatie zelfstandig
C. Heeft moeite met formulieren of folders
D. Begrijpt automatisch alle uitleg
5. Wat is het verschil tussen een behandelingseffect en een placebo-effect?
A. Placebo werkt alleen bij kinderen
B. Behandelingseffect komt door de echte therapie, placebo door verwachting
C. Placebo is altijd schadelijk
D. Er is geen verschil
6. Welke vorm van zenuwletsel is het lichtst?
A. Neurotmesis
B. Axonotmesis
C. Neuropraxie
D. Radiculopathie
7. Welke zenuw is kwetsbaar bij een trauma aan de buitenzijde van de knie?
A. Nervus peroneus
B. Nervus medianus
C. Nervus ulnaris
D. Nervus phrenicus
8. Wat zijn PIPs?
A. Problemen die alleen de therapeut belangrijk vindt
B. Problemen die de patiënt zelf als belangrijk benoemt
C. Neurologische aandoeningen
D. Standaard behandelprotocollen
9. Welke zenuw loopt door de carpale tunnel?
A. Nervus ischiadicus
B. Nervus femoralis
C. Nervus medianus
D. Nervus tibialis
Antwoordenblad
1. C
2. C
3. B
4. C
5. C
6. B
7. C
8. A
9. B
10. C