Door de opkomst van politieke partijen aan het einde van de 19e eeuw en door de invoering
van evenredige vertegenwoordiging in 1917 in de Grondwet, zijn volksvertegenwoordigers
afhankelijker geworden van het stemmende volk. Jerfi Uzman stelt dan ook dat de
volksvertegenwoordiger in de partijendemocratie steeds meer fungeert als uitvoerder van de
wensen van diens achterban, terwijl de behartiging van deelbelangen in de klassieke
‘parlementaire democratie’ juist werd afgewezen.1 Met een parlementaire democratie wordt
daarbij verwezen naar “een vorm van democratie waarbij de volksvertegenwoordiging besluiten
neemt in het algemeen belang, los van de wensen van de kiezer ”.2
Hoewel de Grondwet niets regelt over het bestaan van politieke partijen in ons
staatsbestel, heeft de grondwetgever in 2022 in de algemene bepaling opgenomen dat zij de
‘democratische rechtsstaat’ waarborgt. De vraag is dan wat onder die ‘democratie’ verstaan
moet worden; een partijendemocratie of een parlementaire democratie? In de Grondwet
ontbreekt een ‘positiefrechtelijk houvast’ voor wat daaronder begrepen moet worden.3
Naast veranderingen voor het parlement heeft de partijendemocratie volgens Gert Jan
Geertjes en Maarten Stremler ook veranderingen teweeggebracht in de verhouding tussen
parlement en regering.4 Waar het oorspronkelijke dualistische idee van de parlementaire
democratie uitgaat van controle van de regering door de Tweede Kamer, verschuiven de
verhoudingen in een partijendemocratie naar coalitie en oppositie.5 Coalitiefracties zijn door
regeerakkoorden en informeel overleg nauw verbonden met ‘hun’ bewindspersonen,
waardoor een politieke wederkerigheid ontstaat: fracties steunen het beleid van een
coalitiepartner om de positie van hun eigen ministers en beleidspunten veilig te stellen.6
Hierdoor verschuift de controlerende taak van het parlement gedeeltelijk naar de achtergrond.
Deze partijpolitieke dynamiek werkt volgens Geertjes ook door in de ministerraad.
Ministers treden in de praktijk niet alleen op als departementale belangenbehartigers, maar
ook als vertegenwoordigers van hun partij.7 Met deze ‘politisering van de ministerraad’ rijst
de vraag naar de positie van de minister-president.8 Als voorzitter heeft hij ingevolge art. 45
1
Uzman 2018, p. 95.
2
Stremler 2023, p. 148; Geertjes 2021, p. 435; Boogaard 2018, p. 242-243.
3
Stremler 2023, p. 141-142; Bovend’Eert & Kummeling 2017, p. 2.
4
Stremler 2023, p. 152; Geertjes 2021, p. 383-387.
5
Stremler 2023, p. 152; Geertjes 2021, p. 383-387.
6
Geertjes 2021, p. 386; Staatscommissie Parlementair Stelsel 2018, p. 60.
7
Geertjes 2021, p. 469.
8
Geertjes 2021, p. 487.
1