Poging, voorbereiding en de vrijwillige terugtred
Art. 45 Sr laat zien dat het pogen van een misdrijf te begaan, zonder te slagen vanwege een verhindering
die is opgetreden, toch strafbaar is indien aan twee voorwaarden wordt voldaan:
1. Een voornemen van de dader
2. Dit voornemen moet blijken uit een begin van uitvoering
Een uitzondering op art. 45 Sr is art. 46b Sr. Dit is de vrijwillige terugtred. Dit houdt in dat wanneer het
begin van uitvoering niet heeft geleid tot de voltooiing van het misdrijf, als gevolg van omstandigheden van
de wil van de dader afhankelijk, de poging dan alsnog straffeloos verklaard moet worden. De vraag of er
sprake is van vrijwillige terugtred is alleen van belang indien er al sprake is van een begin van uitvoering en
wanneer het misdrijf nog voltooid kan worden. De dader die stelt dat hij in een later stadium zelf tot inkeer
zou zijn gekomen, heeft pech.
Een voltooide poging (‘délit manqué’) doet zich voor wanneer de dader niet tot voltooiing van het misdrijf
is gekomen, terwijl de dader er alles aan heeft gedaan wat in zijn mogelijkheid lag om wel tot een
voltooiing te komen. Een onvoltooide poging (‘tentative’) doet zich voor wanneer al in een vroeg stadium
van de uitvoering een verhindering optreedt waardoor voltooiing onmogelijk wordt gemaakt.
Poging is soms problematisch vast te stellen bij omissiedelicten, culpoze misdrijven of formeel
omschreven misdrijven.
De eerste voorwaarde voor poging is het voornemen van de dader. Het Inrijden op agent-arrest heeft
ervoor gezorgd dat het vereiste voornemen (opzet op het misdrijf) zich bij poging ook kan manifesteren als
voorwaardelijk opzet. Het is moeilijk om duidelijkheid te krijgen over wat onder ‘een begin van uitvoering’
verstaan moet worden. Er zijn hiervoor twee verschillende leren ontwikkeld:
1. De subjectieve leer
Dit stelt de gevaarlijke gezindheid centraal.
2. De objectieve leer
Dit stelt het gevaar voor het rechtsgoed centraal.
In het Cito-arrest werd het nieuwe criterium vastgesteld. De Hoge Raad ging uit van het criterium
‘uiterlijke verschijningsvorm’. Het criterium is gerelateerd aan de indruk, die een goede waarnemer, die de
gemiddelde burger geacht wordt te zijn, ter plaatse zou hebben gekregen van de verwerkelijking van een
bepaald misdrijf.
Wanneer de voltooiing van een misdrijf onmogelijk blijkt te zijn, doordat het middel onvoldoende is of het
object niet geschikt is, dan wordt er gesproken van een ondeugdelijke poging. Een middel of object dat
altijd ondeugdelijk is, is absoluut ondeugdelijk. Een middel of object dat slechts in dit geval ondeugdelijk
is, is relatief ondeugdelijk.
De strafbare deelneming komt in vier vormen voor: medeplegen, doen plegen, uitlokken of
medeplichtigheid. Indien het gaat om ernstige misdrijven zijn ook voorbereidingshandelingen strafbaar.
Deze voorbereidingshandelingen kunnen worden onderverdeeld in collectieve (samenspanning,
deelneming aan een misdadige organisatie) of individuele voorbereidingshandelingen. Voor
samenspanning is een ‘enkele afspraak’ voldoende.
, Week 8
Daderschap en deelneming
Net als de poging kan de deelneming worden gezien als een uitbreiding van de strafbaarheid. Een
strafbaar feit kan worden voltooid dankzij inspanningen van anderen dan de fysieke dader. In dat geval
spreken we van deelneming: medeplegen, medeplichtigheid, uitlokking en doen plegen.
Voor alle deelnemingsvormen geldt dat er in beginsel sprake is van het fenomeen van het ‘dubbel opzet’:
1. De deelnemer moet opzet hebben op de totstandkoming van het gronddelict
2. De deelnemer moet opzet hebben op het zijn van deelnemer
Culpoze misdrijven zijn een uitzondering. Bij het medeplegen, de medeplichtigheid aan, uitlokken en het
doen plegen van een culpoos misdrijf is dubbel opzet niet vereist.
De ‘pleger’ van een delict is in eerste instantie degene die alle bestanddelen van een delictsomschrijving
zelf vervult. Om deze reden behoort de pleger niet tot de deelnemers. De medepleger, de medeplichtige,
de uitlokker en de doen pleger ‘begaan’ echter samen met de pleger het delict.
Er is sprake van medeplegen wanneer meerdere hoofddaders het delict plegen. Medeplegen kan in drie
verschillende vormen voorkomen:
1. Het aandeel van iedere medepleger is identiek, omdat ieder voor zich de gehele
delictsomschrijving vervult
2. De medeplegers verwerkelijken ieder een ander deel van de gehele delictsomschrijving waarbij de
medeplegers elkaar aanvullen
3. De medeplegers hebben een ongelijkwaardig aandeel, omdat de ene medepleger de hele
delictsomschrijving vervult en een andere slechts een deel ervan
Voor het aannemen van medeplegen, dient er aan drie voorwaarden te zijn voldaan:
1. Nauwe, volledige samenwerking
Blijkt meestal uit de gezamenlijke uitvoering van het feit. Indien dit niet het geval is, kan er alsnog
van nauwe en volledige samenwerking worden gesproken indien handelingen voldoende gewicht
hebben. Van belang is in dit geval of de rollen van de verdachten inwisselbaar zijn. Er kan worden
gekeken naar de intensiteit van de samenwerking, de taakverdeling en het belang van de rol van
de verdachte.
2. Bewuste samenwerking (dubbel opzet)
In beginsel het geval indien er sprake is van een vooraf afgesproken plan, maar dat is niet
noodzakelijk. De nadruk ligt op de bewustheid van de samenwerking en deze kan ook stilzwijgend
ontstaan. ‘Understanding’ is voldoende.
3. Het gevolg van de samenwerking moet zijn dat het feit daadwerkelijk is gepleegd
Van een gezamenlijke uitvoering kan pas worden gesproken als er uitvoeringshandelingen zijn. In
tegenstelling tot de poging worden deze sneller aangenomen.
Er is sprake van medeplichtigheid wanneer de hoofddader bij het plegen van een misdrijf wordt geholpen.
De medeplichtige kan niet worden gezien als dader vanwege zijn geringe aandeel. Hij heeft slechts een
ondersteunende rol. Art. 48 Sr noemt twee verschillende typen medeplichtigen:
1. Zij die opzettelijk behulpzaam zijn bij het plegen van het misdrijf (medeplichtigheid-bij). De
deelnemingsvorm voltrekt zich min of meer gelijktijdig met het tot stand komen van het
gronddelict. Het bestaat uit het bieden van hulp (actief/passief handelen).
2. Zij de opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van een misdrijf
(medeplichtigheid-tot). De inspanningen gaan namelijk vooraf aan de totstandkoming van het
gronddelict.