POPULATIE-ECOLOGIE
Uitgebreide tentamensamenvatting
Hogeschool • Toegepaste Biologie • Jaar 2 • 2025–2026
HC1: Biodiversiteit • HC2: Basisbegrippen • HC3: Populatiedynamica
HC4: Competitie • HC5: Predatie • HC6: Gedragsecologie • HC7: Klimaatecologie
Pagina 1
,Populatie-ecologie | Samenvatting Toegepaste Biologie | 2025–2026
HC1 — Biodiversiteit en Bedreigingen
1.1 Wat is biodiversiteit?
Biodiversiteit omvat de verscheidenheid aan levensvormen op aarde op drie niveaus:
• Genetische diversiteit – variatie binnen een soort (ondersoorten, rassen, genen).
• Soortendiversiteit – het aantal en de relatieve abundantie van soorten in een gebied.
• Ecosysteemdiversiteit – de verscheidenheid aan ecosystemen en levensgemeenschappen.
1.2 Meten van biodiversiteit
Soortenrijkdom (richness)
De eenvoudigste maatstaf: het totale aantal soorten in een gebied. Twee gebieden kunnen
dezelfde richness hebben maar toch sterk in biodiversiteit verschillen.
Evenness (gelijkmatigheid)
De mate waarin individuen gelijk verdeeld zijn over de aanwezige soorten. Bij hoge evenness zijn
alle soorten even goed vertegenwoordigd; bij lage evenness domineert één of enkele soorten.
Shannon-Weaver-diversiteitsindex (H)
Formule: H = –Σ pᵢ · ln(pᵢ), waarbij pᵢ het aandeel van soort i is in het totaal.
• S = aantal soorten
• pᵢ = aandeel individuen van soort i
• Hogere H = hogere biodiversiteit
• Bij gelijk aantal soorten neemt H toe met evenness.
Figuur: Vergelijking van twee gebieden met gelijke richness maar verschillende evenness en Shannon-index.
Pagina 2
,Populatie-ecologie | Samenvatting Toegepaste Biologie | 2025–2026
1.3 Factoren die soortenrijkdom beïnvloeden
Kolonisatiemogelijkheid Eilandtheorie (MacArthur & Wilson): soortenrijkdom op een eiland
wordt bepaald door grootte van het eiland en afstand tot het
vasteland (bronpopulatie). Evenwicht tussen extinctie en kolonisatie.
Productiviteit Meer resources leidt tot meer soorten, tot een bepaald maximum; te
hoge productiviteit leidt tot dominantie van een paar soorten en
daling van diversiteit.
Predatie-intensiteit Toppredatoren (sleutelsoorten) reguleren prooipopulaties en
voorkomen dominantie; dit bevordert diversiteit (zie wolven in
Yellowstone).
Temporele heterogeniteit Verstoringen (zoals brand, overstroming) op middelhoge frequentie
houden ruimte open voor kolonisatie (Intermediate Disturbance
Hypothesis).
Ruimtelijke heterogeniteit Meer habitatvariatie = meer niches = meer soorten.
Concurrentie Intraspecifieke competitie kan niches verdelen; overmatige
interspecifieke competitie kan soorten verdringen (competitive
exclusion).
1.4 Metapopulaties en versnippering
Een metapopulatie is een verzameling deelpopulaties waartussen uitwisseling van individuen
(dispersie) mogelijk is.
• Grotere leefgebieden zijn vaker bezet en populaties sterven er minder snel uit.
• Kleinere, geïsoleerde gebieden zijn vaker onbezet, worden minder snel gekoloniseerd en
hebben een grotere uitsterfkans.
• Verbinden van gebieden is belangrijk voor metapopulatiebeheer, maar het belang verschilt
per soort afhankelijk van mobiliteit.
💡 Tip: De eilandtheorie verklaart ook de gevolgen van habitatversnippering voor biodiversiteit:
kleinere en meer geïsoleerde ‘eilanden’ (natuurgebieden) herbergen minder soorten.
1.5 Kolonisatiefilters (loopkeveronderzoek IJsselmeerpolders)
Soorten kunnen alleen in een levensgemeenschap voorkomen als zij drie filters passeren:
• Dispersiefilter: kunnen de dieren het gebied bereiken?
• Fysiologisch filter: kunnen ze de abiotische omstandigheden verdragen? (convergentie)
• Concurrentiefilter: kunnen ze standhouden tegenover andere soorten? (divergentie)
Pagina 3
, Populatie-ecologie | Samenvatting Toegepaste Biologie | 2025–2026
HC2 — Basisbegrippen Populatie-ecologie
2.1 Definities
Populatie Een groep individuen van één soort die samenleeft in een
begrensde omgeving. De schaal hangt af van de afbakening door
de onderzoeker.
Populatie-ecologie De studie van populaties in relatie met hun omgeving, inclusief
omgevingsinvloeden op populatiedichtheid, distributie,
leeftijdsstructuur en variaties in populatieomvang.
Abundantie Het totale aantal individuen in een populatie. Bepalend voor
kwetsbaarheid of robuustheid.
Dichtheid Aantal individuen per omgevingseenheid (m², km²) of volume (m³).
Ecologische dichtheid Gebruik van bepaalde delen van het habitat; rekening houdend met
het feitelijk bruikbare oppervlak (bijv. vleermuizen in een grot).
2.2 Verspreidingspatronen
De verspreiding van individuen in een populatie kent drie basispatronen:
• Geclusterd (clumped): individuen in groepen, door resources, sociale voordelen of
bescherming. Meest voorkomend in de natuur.
• Regelmatig (uniform): vaste afstand tussen individuen door concurrentie of territoria.
• Willekeurig (random): toevallige verspreiding, bijv. bij windverspreiding van planten.
💡 Tip: Verspreidingstype beïnvloedt de keuze van de bemonsteringsmethode! Geclusterde
soorten vereisen meer steekproeven.
2.3 Methoden voor dichtheidsbepaling
Vangst-terugvangst (Mark-Recapture)
Formule (Lincoln-Petersen-methode): N = (M × C) / R
• M = aantal gevangen en gemerkte dieren (eerste vangst)
• C = aantal gevangen dieren bij tweede vangst
• R = aantal teruggevangen (gemerkte) dieren bij tweede vangst
Voorbeeld: M=11, C=15, R=6 → N = (11 × 15) / 6 = 27,5 ≈ 28 veldmuizen.
Nadelen: ethische aspecten, belemmeringen door merken, ‘trap-happy’ gedrag (dieren worden
vaker gevangen dan gemiddeld).
Overige methoden
• Transecten en kwadranten (planten, sessiele organismen)
• Luchttellingen en satellietbeelden (grote dieren, bossen)
• eDNA-analyse (omgevings-DNA voor soortensamenstelling)
• Cameravallen en automatische beeldherkenning
Pagina 4