Ik heb een paar plaatjes/videos met links toegevoegd, gewoon op klikken voor meer info
,Oefentoets 75 veel voorkomende tentamenvragen met antwoorden apart einde
20 open vragen
Hoofdstuk 1 – Inleiding in het recht
1. Leg uit waarom niet iedere maatschappelijke norm automatisch een rechtsregel is. Noem
daarbij ten minste drie kenmerken van een rechtsregel.
2. Een rechter moet een geschil oplossen waarvoor geen expliciete wetsbepaling bestaat. Welke
rechtsbronnen kan de rechter gebruiken en in welke volgorde spelen deze doorgaans een rol?
3. Waarom is codificatie van het privaatrecht belangrijk voor de rechtszekerheid? Licht toe aan
de hand van een praktijkvoorbeeld.
4. Leg uit hoe het Burgerlijk Wetboek is opgebouwd en waarom deze systematiek van belang is
voor de toepassing van het recht.
Noem niet alleen de boeken van het BW, maar leg kort uit dat het BW systematisch is opgebouwd van
algemene naar specifieke regels
5. Een conflict ontstaat tussen een wettelijke bepaling en een gewoonterechtelijke regel. Welke
rechtsbron heeft voorrang en waarom?
Hoofdstuk 2 – Rechtshandeling en overeenkomst
6. Leg uit welke vereisten gelden voor een geldige rechtshandeling en bespreek de gevolgen
wanneer aan één van deze vereisten niet wordt voldaan.
7. Wat is het verschil tussen een nietige en een vernietigbare rechtshandeling? Betrek in je
antwoord de rechtsgevolgen voor partijen en derden.
Altijd tentamen!
8. Een consument koopt online een product maar trekt zijn aanbod enkele minuten later in.
Onder welke omstandigheden kan een overeenkomst toch tot stand zijn gekomen?
, 9. Leg uit welke rol het vertrouwensbeginsel speelt bij de totstandkoming van overeenkomsten.
10. Bespreek de betekenis van de precontractuele fase. Wanneer kan een partij aansprakelijk zijn
voor het afbreken van onderhandelingen?
Hoofdstuk 3 – Vertegenwoordiging
11. Wat is het verschil tussen onmiddellijke en middellijke vertegenwoordiging? Illustreer beide
vormen met een praktijkvoorbeeld.
12. Leg uit welke functie een volmacht heeft binnen het privaatrecht en welke risico's bestaan
wanneer een vertegenwoordiger zijn bevoegdheid overschrijdt.
13. Onder welke omstandigheden kan een rechtshandeling die onbevoegd is verricht toch bindend
zijn voor de vertegenwoordigde?
Noem dat een onbevoegd verrichte rechtshandeling toch bindend kan zijn
14. Een werknemer sluit namens zijn werkgever een overeenkomst terwijl zijn bevoegdheid
intern beperkt was. Analyseer welke factoren bepalen of de werkgever gebonden is.
15. Bespreek het belang van vertegenwoordiging binnen het handelsverkeer en leg uit waarom
derdenbescherming hierbij een belangrijke rol speelt.
Hoofdstuk 4 – Goederenrecht en zekerheidsrechten
16. Welke drie vereisten gelden voor een geldige overdracht van een goed? Leg uit waarom elk
vereiste noodzakelijk is.
17. Een persoon verkoopt een fiets die niet zijn eigendom is aan een koper die te goeder trouw
handelt. Onder welke voorwaarden kan de koper toch eigenaar worden?
18. Vergelijk pandrecht en hypotheekrecht. Bespreek ten minste drie belangrijke verschillen.
19. Leg uit wat het retentierecht inhoudt en waarom dit recht een sterke positie kan opleveren
voor een schuldeiser.
20. Het eigendomsrecht wordt vaak omschreven als het meest omvattende recht dat iemand op
een zaak kan hebben. Leg uit waarom deze omschrijving juist is en bespreek tevens de
belangrijkste beperkingen van het eigendomsrecht.
omdat de eigenaar in principe alle bevoegdheden heeft (gebruik, genot en beschikking).