Oefenvragen inleiding filosofie
Oefententamenvraag bij College 1:
Casus: Ouders en cijfers Op een middelbare school is besloten om ouders
geen toegang meer te geven tot de cijfers van de leerlingen. De school
geeft als argument dat leerlingen leren verantwoordelijkheid te nemen
voor hun eigen leerproces. Een moeder van een brugklasser zegt: ‘Ik wil
mijn kind kunnen volgen. Als ik zie dat hij een onvoldoende haalt, kan ik
meteen ingrijpen en hem helpen. Dat is toch goed opvoeden?’ De mentor
reageert: ‘Juist door het kind zelf met zijn resultaten te laten omgaan,
leert hij zelfstandigheid en verantwoordelijkheid. Dat hoort bij opvoeden.’
a) Leg uit aan welk(e) opvoedingsdoel(en) van Gert Biesta de
moeder refereert en aan welke de mentor.
De moeder aan kwalificatie en de mentor aan subjectivering.
De moeder wil het kind namelijk graag helpen om bepaalde vaardigheden
op te doen, terwijl Gert Biesta het kind zelfstandigheid en
verantwoordelijkheid wil leren. Kwalificatie gaat om het opdoen van kennis
en vaardigheden en subjectivering gaat om de ontwikkeling tot een
autonoom wezen dat zelfstandig en verantwoordelijk kan nadenken.
b) Gebruik het onderscheid tussen opvoeden, conditioneren en
indoctrinatie om te beoordelen in hoeverre het handelen van de
moeder opvoedend is en waar risico’s kunnen ontstaan.
Opvoeden= met gezag iemand iets laten kunnen, doen en willen
Conditioneren= iemand iets opleggen door middel van herhaling of
prikkels
Indoctrinatie= proces waarbij je geleidelijk iemand iets laat geloven
zonder ruimte voor kritisch denken
Het handelen van de moeder past goed bij opvoeden, omdat je dan met
gezag je kind helpt zodat het iets kan of wil. Er kunnen wel risico's bij het
conditioneren ontstaan, omdat het kind niet zelf leert om
verantwoordelijkheid te nemen en zich te ontwikkelen als autonoom
wezen.
c) Analyseer de situatie vanuit Plato’s allegorie van de grot. Wie
bevindt zich hier mogelijk ‘in de grot’ en wie probeert iemand
‘naar buiten te leiden’? Licht je antwoord toe.
De moeder zit in de grot waar ze gevangen zit het willen controleren en
helpen van haar kind. De leraar wil haar naar buiten leiden door te laten
zien dat het belangrijk is om het kind zelfstandigheid en
, 2
verantwoordelijkheid te leren door het niet te controleren en helpen.
d) In welk opzicht correspondeert Mary Wollstonecrafts visie op
de functie van onderwijs met die van Plato?
Mary Wollstonecraft ziet onderwijs als emancipatiemiddel waarbij jongens
en meisjes hetzelfde opgevoed worden. Plato's ziet onderwijs als het licht
dat schijnt op de werkelijkheid. Mary's visie corrospondeert met die van
Plato, omdat in beide gevallen onderwijs zorgt voor een nieuwe blik op de
werkelijkheid. Onderwijs is volgens beide meer dan kennisoverdracht,
waarbij mensen als vrij wezen zelf moeten nadenken over de
werkelijkheid.
e) Gebruik Herbarts concept ‘pedagogische takt’ om te
beschrijven wat de mentor in deze casus zou moeten doen.
Pedagogische takt= verschijnsel waarbij je in elke opvoedingssituatie weet
hoe je moet handelen waarbij je kijkt naar eerdere ervaringen en er
differentiatie ontstaat. De mentor moet kijken naar eerdere ervaringen van
de leerling en hier de opvoedingssituatie op aanpassen. Hij moet niet
alleen naar de moeder kijken maar ook echt naar het specifieke kind.
Oefententamenvraag bij College 2
Casus: Sam en zijn leerkracht Een leerkracht op een basisschool geeft les
aan een klas van 25 leerlingen met uiteenlopende niveaus. Eén leerling,
Sam, valt op doordat Sam snel leert, kritisch nadenkt en veel vragen stelt.
Sam kan goed redeneren, legt verbanden en lijkt leerstof zelfstandig te
verwerken. Een groot deel van de andere leerlingen heeft meer moeite
met de leerstof. Sommigen zijn onzeker, anderen wachten af en nemen
informatie vooral passief over. Een paar leerlingen vertonen juist storend
gedrag of haken af tijdens instructie. De leerkracht merkt dat hij geneigd
is om meer tijd en aandacht aan Sam te besteden. De interactie met Sam
verloopt soepel en inhoudelijk sterk, wat de leerkracht als motiverend en
effectief ervaart. Hierdoor gaat hij steeds vaker met Sam in gesprek, stelt
hij Sam verdiepende vragen en daagt hij Sam extra uit om zelf na te
denken over de stof. Voor de overige leerlingen beperkt de leerkracht zich
vaker tot basisuitleg en klassikale instructie. Er is minder tijd voor
individuele begeleiding, het stellen van verdiepende vragen en het
stimuleren van zelfstandig nadenken.
a. Handelt de leerkracht moreel juist volgens het hedonistisch
egoïsme? Leg uit.
Hedonistisch egoïsme= zoveel mogelijk plezier nastreven en pijn
vermijden. De leraar handelt moreel juist volgens het hedonistisch