Tentamen techniek & rekenen
Pabo – jaar 1
Daan Brouwer
Techniek
Praktische didactiek voor natuuronderwijs
Hoofdstuk 7
Inleiding
Bij natuur en techniek gaat het niet alleen om kennis over natuur en
techniek maar ook om de manier van denken en werken die daarbij hoort.
Belangrijke manieren van werken zijn onderzoeken en ontwerpen/maken.
Onderzoeken heeft twee functies:
- Onderzoeken als middel betekent dat leerlingen onderzoek
gebruiken om iets te leren over natuur en techniek. Bijvoorbeeld:
kinderen onderzoeken welke materialen blijven drijven
- Onderzoeken als doel betekent dat leerlingen leren hoe je onderzoek
doet. Ze ontwikkelen dan een onderzoekende houding en
onderzoeksvaardigheden. Bijvoorbeeld: kinderen leren een goede
onderzoeksvraag stellen, voorspellen, meten en conclusies trekken.
Kort gezegd: kinderen leren door onderzoek en ze leren onderzoeken.
7.1 Onderzoeken begint met nieuwsgierigheid en twijfel
Onderzoek begin vaak met nieuwsgierigheid of twijfel. Kinderen willen
weten hoe iets werkt of waarom iets gebeurt. Ze stellen vragen zoals:
‘Wat is dat?’
‘Hoe kan dat?’
‘Wat gebeurt er als…?’
‘Klopt dit wel?’
Nieuwsgierigheid zorgt ervoor dat kinderen openstaan voor leren. Ze
willen iets begrijpen en gaan zelf op zoek naar antwoorden. Dit zorgt voor
intrinsieke motivatie: ze willen leren omdat ze zelf benieuwd zijn.
Ook twijfel is belangrijk. Als een kind denkt: “maar ik dacht dat het anders
zat”, ontstaat er een reden om onderzoek te doen. Twijfel zorgt ervoor dat
kinderen niet zomaar iets aannemen, maar willen weten hoe het echt zit.
Bij hands-on activiteiten gebruiken kinderen hun zintuigen en hun lichaam.
Ze kijken, voelen, ruiken, proberen en ontdekken. Daardoor begrijpen ze
de werkelijkheid beter.
Als leerkracht kun je de nieuwsgierigheid herkennen aan initiatief, vragen
stellen, geconcentreerd werken, verwondering, enthousiasme en het willen
delen van ontdekkingen.
,Nieuwsgierigheid werkt als een vliegwiel voor leren. Het zet denk- en
leerprocessen in beweging.
7.2 V-motoren voor nieuwsgierigheid
De V-motoren zijn manieren waarop nieuwsgierigheid wordt geprikkeld.
Kinderen gaan als het ware ‘aan’ als hun nieuwsgierigheid wordt
geactiveerd.
De v-motoren zijn:
Verwondering: kinderen zien iets bijzonders en denken: “wauw, hoe kan
dat?”
Verrassing: er gebeurt iets onverwachts, geks of speels.
Verbazing: iets loopt anders dan de kinderen hadden verwacht.
Verwarring en twijfel: kinderen krijgen te maken met verschillende ideeën
of een
cognitief conflict. Ze willen dan weten wat klopt.
Verlangen naar uitsluitsel: kinderen merken dat ze iets nog niet weten. Ze
willen dat kennishiaat oplossen.
Verwachtingen en vermoedens: kinderen voorspellen wat er gaat
gebeuren en willen daarna weten of hun voorspelling klopt.
Voorstellingsvermogen en verbeeldingskracht: door verhalen, fantasie of
beelden worden kinderen nieuwsgierig naar iets wat ze nog niet kennen.
Deze V-motoren motiveren kinderen om op onderzoek uit te gaan.
7.3 nieuwsgierigheid stimuleren
Als leerkracht moet je nieuwsgierigheid niet alleen opwekken maar ook
vasthouden. Je zorgt voor extra redenen om te willen onderzoeken en je
neemt belemmeringen weg.
Je stimuleert nieuwsgierigheid door:
- Zelf nieuwsgierig gedrag te laten zien
- Veiligheid en vertrouwen te bieden
- Soms iets achter te houden of geheimzinnig te maken
- Ruimte te geven aan eigen vragen van leerlingen
- Vrije exploratie mogelijk te maken
- Betrokken te reageren op ontdekkingen
- Opdrachten betekenisvol, interessant en haalbaar te maken
- Leerlingen voorspellingen te laten doen
- Houvast te bieden als kinderen onzeker zijn
Bij jonge kinderen is nieuwsgierigheid vaak heel zichtbaar. Ze willen alles
bekijken, aanraken, proberen en delen. Bij oudere kinderen is
,nieuwsgierigheid soms minder zichtbaar omdat zij meer in zichzelf
nadenken en minder snel vragen durven te stellen.
Daarom moet je als leerkracht zorgen voor een goede balans tussen
vrijheid en sturing. Je geeft ruimte waar dat kan en ondersteuning waar
dat nodig is.
Houd afstand als het kan, bied houvast als het moet.
7.4 Onderzoekende houding
Een onderzoekende houding is meer dan alleen nieuwsgierig zijn. Het gaat
ook om hoe kinderen omgaan met vragen, bewijs, fouten en conclusies.
Bij een onderzoekende houding horen:
- Nieuwsgierigheid
- Kritisch denken
- Objectief en onbevooroordeeld kijken
- Nauwkeurig en zorgvuldig werken
- Doorzettingsvermogen
- Kunnen omgaan met tegenslag
- Respect hebben voor bewijs
- Voorzichtig conclusies trekken
- Willen samenwerken
- Resultaten willen delen en bespreken
De leerkracht speelt hierbij een grote rol. Jij bent een rolmodel. Als jij zelf
nieuwsgierig bent, vragen stelt en laat zien dat je plezier hebt in
onderzoeken, nemen kinderen dat over.
Ook het klassenklimaat is belangrijk. Kinderen moeten vragen durven
stellen en fouten durven maken. Vooral in de midden- bovenbouw kunnen
kinderen onzeker worden.
Daarom is een groeimindset belangrijk. Kinderen leren dat fouten maken
hoort bij leren. Een mislukte poging is niet erg, maar een leerervaring.
FAIL = First Attempt In Learning.
7.5 Onderzoekend gedrag
Kinderen laten vaak spontaan onderzoekend gedrag zien als iets hun
nieuwsgierigheid prikkelt. Ze gaan dan zelf ontdekken en uitproberen. Dit
heet vrije exploratie, aanrommelen of autonoom ontdekkend leren.
Aanrommelen klinkt misschien alsof het nutteloos is maar dat is het niet.
Het is juist een belangrijk begin van leren onderzoeken. Kinderen raken
vertrouwd met materialen en ontdekken eigenschappen.
De taak van de leerkracht is om na vrije exploratie het leren te verdiepen.
Stel vragen zoals:
- Wat heb je ontdekt?
, - Wat viel je op?
- Wat wil je nog meer proberen?
- Hoe kunnen we dat onderzoeken?
Zo help je kinderen om van vrij ontdekken naar doelgerichter onderzoek te
gaan.
7.6 Op weg naar meet planmatig en systematisch onderzoek
Kinderen onderzoeken op verschillende manieren. Het kan speels en vrij
zijn maar ook steeds doelgerichter en planmatiger worden.
Er zijn hier vijf verschillende vormen voor:
1. Doen om het te doen: kinderen doen iets gewoon omdat het leuk is.
Er is nog geen duidelijk doel. Bijvoorbeeld: steentjes in het water
gooien.
2. Gissen en missen/trial and error: kinderen willen een resultaat
bereiken maar hebben nog geen doordacht plan. Bijvoorbeeld: een
toren bouwen die steeds omvalt en telkens iets anders proberen.
3. Onderzoeken hoe voorwerpen reageren: kinderen ontdekken
eigenschappen van materialen of voorwerpen. Bijvoorbeeld: iets
voelen, laten rollen, laten vallen of in water gooien.
4. Variabelen verkennen: kinderen onderzoeken wat er gebeurt als ze 1
factor veranderen. Bijvoorbeeld: wat gebeurt er als ik harder blaas?
Of wat gebeurt er als de slinger langer is?
5. Onderzoek vanuit een bewuste vraag: kinderen starten met een
duidelijke onderzoeksvraag en maken een plan. Bijvoorbeeld: welke
groente eet het konijn het liefst?
Aanpak Bedoeling Leerresultaat
Ongericht en Ligt niet Ervaring en vrije
verkennend vast exploratie
Intuïtief en niet-
Ligt vast Beginnend inzicht
planmatig
Systematisch en
Ligt vast Verdieping van inzicht
gepland
Belangrijk:
systematisch onderzoek is niet altijd “beter” dan intuïtief onderzoek.
Creatieve ideeën ontstaan vaak intuïtief. Een goede onderzoeker gebruikt
beide: creatief denken én systematisch werken.
7.7 Onderzoek in soorten
Er zijn drie soorten onderzoek.
A. Onderzoek aan de concrete werkelijkheid
Dit is onderzoek waarbij kinderen direct iets in de werkelijkheid
onderzoeken.
Ze observeren, meten, vergelijken of experimenteren.