HOOFSTUK 1 – INTRODUCTIE
1.1 De overheid is overal en kan je overal tegen komen. Bestuurskunde betekend de kunde
van het besturen. Een bestuurder is iemand die stuurt die richting geeft. Bestuurskunde helpt
de overheid zelf om effectiever te werk te gaan en helpt andere om doelgerichter met de
overheid om te gaan.
1.2 het boek is verdeeld is vier delen: deel 1 een kennismaking, deel 2 hoe beleid tot stand
komt, deel 3 hoe beslissingen worden genomen, deel 4 hoe de overheid is georganiseerd.
Handige site: https://portal.coutinho.nl/profielnl/studiemateriaal.html
HOOFDSTUK 2 – ENKELE BEGRIPPEN
2.2 Je spreek van een staat als je een grondgebied, bestuur gezag (soevereiniteit) en
hoogste macht of gezag hebt. Dit is niet bij elk land vanzelf sprekend. De manier waarop de
macht wordt verdeeld, speelt een belangrijke rol bij de opbouw van een staat. Er zijn
verschillende soorten samenlevingen:
Samenleving op basis van gelijkheid: (jagers-verzamelaars) Mensen in groepen
waarin de individuen redelijk gelijkwaardig zijn. Toch kennen ze een soort leiderschap
op deelgebieden.
Samenleving met rangorde: in deze samenlevingsvorm kunnen er nieuwe
machtposities ontstaan. Bezit is ook een basis voor macht.
Samenleving met gelaagdheid: verschillende groepen of standen is opgedeeld.
Naast het leiderschap zijn ook de bestaansmiddelen niet voor iedereen toegankelijk.
De stand waarin je geboren wordt, is de stand waartoe je de rest van je leven zult
blijven, er is weinig mogelijkheid om te groeien.
De samenlevingen hebben gemeen dat ze drie machten de basis vormen van het
staatsbestel. (filosoof Montesqueieu) beschreef drie machten – trias politica: (de overheid
moet de machten scheiden)
1. De wetgevende macht (Staten-Generaal)
2. De uitvoerende macht (ministers)
3. De rechtelijke macht (onafhankelijke rechters)
Ze zijn gelijkwaardig er wordt dus gesproken van een horizontale machtenscheiding.
We kennen ook nog een paar anderen machten:
- Ambtenarenapparaat (bureaucratie): rijksambtenaren kunnen met hun
beleidsadvies de ministers sturen. Daarbij voeren de ambtenaren tal van zaken voor
de minister uit en nemen zij daarbij allerlei uitvoeringsbeslissingen.
- Media, lobbyisten en adviesbureaus. Deze beïnvloeden soms achter de schermen
de politieke besluitsvormen.
1
,In 1848 werd er een belangrijke grondwetswijziging plaats gevonden. Door Rudolf
Thorbecke. Voorbeelden van wijzigingen die nu nog steeds relevant zijn:
Invoering van ministeriele verantwoordelijkheid: Koning is onschendbaar en ministers
zijn verantwoordelijk.
Rechtstreekse verkiezingen van Tweede Kamer, Provinciale Staten en
gemeenteraden. (GEEN ALGEMEEN KIESRECHT)
Indirecte verkiezingen: leden Eerste Kamer.
Mogelijkheid ontbindende Kamers en nieuwe verkiezingen.
Recht van amendement, recht van enquête
Jaarlijkse vaststelling van de begroting
Een andere procedure voor herziening van de Grondwet
Met de veranderingen bevolkingsgroei, landbouwproductiviteit, industrialisatie en
wetenschappen in de samenleving verandert ook de rol van de overheid.
Er zijn verschillende stromingen in de Nederlandse politiek.
Liberalisme: vrijheid van het individu, streeft naar een
overheid met een beperkte omvang en kent aan de markt als
zelfregulerend mechanisme. (staat tegen over het socialisme).
Socialisme: rechtvaardigheid en gelijkheid. De overheid moet hier voor zorgen.
Christendemocratie: naastenliefde en solidariteit.
2.3 Het begrip overheid bestaat uit een heleboel verschillende overheden (gemeente enzv).
Elke overheidsorganisatie heeft eigen doelstelling en eigen belangen. Een veelgebruikte
definitie van overheid van Gevel en Van de Goor (1944): de overheid als geheel bestuurders
en bestuurlijk colleges in een staatsverband en het daarbij horende ambtelijke apparaat.
Bij een gedecentraliseerde eenheidsstaat zijn de taken en bevoegdheden onderverdeeld
onder andere onderheid organen (rijk, provincie, gemeente). Deze verdeling van de
bevoegdheden tussen de rijksoverheid, de provincies en de gemeente worden de verticale
machtenscheiding genoemd.
Wanneer andere overheidsorganen een bepaald gebied besturen, hebben we het over
territoriale decentralisatie. Wanneer zo’n andere overheidsorgaan is ingesteld ter
behartiging van een bepaald doel spreken we van een functionele decentralisatie. (fysiek
verspreiden van overheidszaken, zodat we dichter bij de burger staan)
De drie bestuurslagen:
Rijk: (eenheidsstaat). Draagt zorg voor de taken die aan de lagere overheden kunnen
worden toebedeeld.
Provincie: coördinerend taak. Provincie zit tussen het rijk en de gemeenten in.
Gemeenten: uitvoerende taak. Staan het dichtste bij de burger.
Autonomie: betekend dat de gemeenten en provincies hun eigen huishouding hebben, ze
hebben exclusieve taken waarbij de overheden zich niet mee mag mengen.
Medewindstaken: Heeft betrekking op het uitvoeren van rijkstaken door lagere overheden.
2
, Deconcentratie: is het zich fysiek over een land verspreiden van delen van een overheid.
Hiermee kan elke regio een aangepast beleid worden uitgevoerd, maar tegelijkertijd kan door
de aansturing vanuit ‘Den Haag’ voor de landelijke eenheid worden gewaakt. De
verschillende vormen:
- Inspecties: De taken van de inspecties zijn meestal wettelijke vastgelegd en hebben
veelal betrekking op toezicht, controle en coördinatie.
- Directie: zijn meer technische uitvoerend van aard.
- Consulentschappen: betrekking op voorlichting en advisering
2.4 de overheid heeft als doel het behartigen van het algemeen belang. Elke overheid moet
daarom kijken naar de deelbelangen, want iedereen heeft andere belangen. In praktijk zien
we dat bij het bepalen van een keuze door politici en bestuurders het geld en politieke winst
vaak een doorslaggevende rol speelt. Vaak spelen eigen gewin ook een rol bij andere
organisaties, zo door meer zeggenschap, of eigen werkgelegenheid ten opzichten en
nadelen van andere te bereiken. Hiervoor is het poldermodel: verschillende
belangengroepen zitten bij elkaar aan tafel. Dit leidt tot compromissen, en daardoor zelden
tot heldere beslissingen.
2.5 iedereen maakt beleid. Beleid is een pas en beleid is alles wat een overheid doet. De
twee definities kunnen verschillende inzichten geven.
AANTEKENINGEN LES – WEEK 1
3