Vraag 1: Op welke wijze wordt volgens de definitie de uitvoering van
psychotherapie begrensd?
A) Door de intuïtie van de behandelaar
B) Binnen een vooraf overeengekomen wijze en professionele context
C) Uitsluitend door de voorkeuren van de familie
D) Door de afwezigheid van een wetenschappelijk kader
Vraag 2: Wat is een kenmerk van het 'proces' binnen psychotherapie dat verder
gaat dan het geven van advies?
A) Het is een eenzijdige informatieoverdracht
B) Het omvat een dynamische interactie tussen patiënt en therapeut
C) Het vindt plaats zonder structuur of fasen
D) Het is gebaseerd op verborgen agenda's
Vraag 3: Welke eigenschap van de wetenschappelijke psychologie zorgt ervoor dat
de therapie meebeweegt met de tijd?
A) Het consistent vervangen van achterhaalde inzichten door modernere alternatieven
B) Het vasthouden aan historische protocollen
C) Het negeren van empirisch onderzoek
D) Het uitsluitend focussen op introspectie
Vraag 4: Welke voorwaarde is noodzakelijk bij de patiënt om te kunnen starten met
cognitieve gedragstherapie?
A) De afwezigheid van emoties
B) Een duidelijke lijdensdruk die voortkomt uit hinderlijk gedrag of emoties
C) Het bezit van een medisch diploma
D) De bereidheid om medicatie te gebruiken
Vraag 5: Wat was de voornaamste beperking van de psychoanalyse in de
beginfase van de psychotherapie?
A) Het gebrek aan aandacht voor de geschiedenis
B) De hoge intensiteit en de daarmee gepaard gaande kosten
C) De focus op korte, snelle behandelingen
D) Het uitsluiten van de therapeutische relatie
Vraag 6: Wat houdt de 'complementariteit van benaderingen' in binnen de
consolidatiefase?
A) Het streven naar één universele methode voor iedereen
B) Het verbieden van gedragstherapeutische technieken
C) Het afstemmen van de therapeutische benadering op de individuele behoeften van
de patiënt
D) De aanname dat alle patiënten identiek reageren
Vraag 7: Welk element speelt naast wetenschappelijke onderbouwing een steeds
grotere rol in de huidige fase van de psychotherapie?
2
, A) De voorkeur van de patiënt
B) De tradities van de therapeutische school
C) De mening van de zorgverzekeraar
D) De voorschriften uit de vroege psychoanalyse
Vraag 8: Welke specifieke kritiek bestaat er op het gebruik van multidisciplinaire
richtlijnen?
A) Ze zijn niet gebaseerd op wetenschappelijk bewijs
B) Ze zijn soms lastig toepasbaar bij complexe patiënten
C) Ze bieden te veel vrijheid aan de therapeut
D) Ze negeren de DSM-classificatie volledig
Vraag 9: Wat wordt binnen een wetenschappelijke attitude verstaan onder de
empirische cyclus?
A) Het herhalen van behandelingen op basis van traditie
B) Het voortdurend toetsen van het eigen handelen aan wetenschappelijk onderzoek
C) Het uitsluiten van patiëntgegevens in de praktijk
D) De focus op louter theoretische speculatie
Vraag 10: Hoe draagt cognitieve gedragstherapie bij aan de autonomie van de
patiënt op de lange termijn?
A) Door het aanleren van concrete vaardigheden die terugval helpen voorkomen
B) Door de patiënt afhankelijk te maken van de therapeut
C) Door geen huiswerkopdrachten te geven
D) Door de focus uitsluitend op het verleden te leggen
Vraag 11: Welke middelen worden in de eerste therapiefase gebruikt om de ernst
van de problematiek vast te stellen?
A) Alleen droomanalyses
B) Vragenlijsten, registraties en analyses
C) Uitsluitend medicamenteuze tests
D) Enkel de intuïtie van de intake-functionaris
Vraag 12: Wat is de gebruikelijke omvang van de tweede therapiefase in een
standaardbehandeling?
A) Tussen de 1 en 3 sessies
B) Tussen de 5 en 20 sessies
C) Altijd meer dan 50 sessies
D) Precies 100 sessies
Vraag 13: Wat is een essentieel onderdeel van de afsluitende derde therapiefase?
A) Het starten van de diagnostiek
B) Het wijzigen van de primaire diagnose
C) Het maken van concrete afspraken over maatregelen bij terugkeer van klachten
D) Het introduceren van nieuwe interventies
3