,Meerkeuzevragen
Vraag 1: Wat vormt volgens de brontekst het startpunt van het normatieve model
voor het besluitvormingsproces van een consument?
A) Het verzamelen van informatie
B) Het afwegen van alternatieven
C) Het ontstaan van een behoefte
D) De evaluatie na gebruik
Vraag 2: Waarom is er bij routinematig beslissingsgedrag nagenoeg geen actieve
afweging van de consument nodig?
A) Omdat de prijs van het product altijd stabiel is
B) Vanwege positieve ervaringen uit het verleden
C) Door de beperkte beschikbaarheid van alternatieven
D) Omdat het product geen functionele waarde heeft
Vraag 3: Welk type koopgedrag wordt primair gestuurd door externe
omstandigheden zoals de context waarin een product gebruikt gaat worden?
A) Routinematig beslissingsgedrag
B) Situatiebepaald koopgedrag
C) Industrieel koopgedrag
D) Cognitief besluitvormingsgedrag
Vraag 4: Wat is het belangrijkste kenmerk van impulsief koopgedrag?
A) Het wordt getriggerd door directe prikkels in de omgeving
B) Het is gebaseerd op een uitgebreide informatiezoektocht
C) Het vindt uitsluitend plaats bij zakelijke inkopers
D) De consument baseert zich op complexe heuristieken
Vraag 5: Op welke factoren baseren inkopers zich voornamelijk bij industrieel
koopgedrag?
A) Emotionele prikkels en persoonlijke trends
B) Zakelijke behoeften, budgetten en imago van de leverancier
C) De behoefte aan variatie en afwisseling
D) Directe fysieke impulsen op de werkvloer
Vraag 6: Uit welke drie specifieke elementen is een gedragsscenario opgebouwd?
A) Persoon, object en context
B) Behoefte, wens en actie
C) Informatie, alternatief en evaluatie
D) Kwaliteit, prijs en emotie
Vraag 7: Hoe wordt een marktvorm genoemd waarbij consumenten direct met
elkaar handelen via digitale platformen?
A) Business-to-Consumer (B2C)
B) Business-to-Business (B2B)
, C) Consumer-to-Consumer (C2C)
D) Sociale marketing
Vraag 8: Wat is het onderscheidende kenmerk van een passieve consument ten
opzichte van een kritische consument?
A) Hij zoekt actief naar informatie buiten commerciële bronnen
B) Hij heeft geen duidelijk beeld van zijn behoeften en is makkelijk te sturen
C) Hij weegt alle productkenmerken rationeel af
D) Hij reageert uitsluitend op maatschappelijke veranderingen
Vraag 9: Hoe wordt een consument genoemd die beslissingen neemt op basis van
probleemoplossend denken en het afwegen van feiten?
A) De emotionele consument
B) De cognitieve consument
C) De passieve consument
D) De experiencer
Vraag 10: Waarop is de besluitvorming van een emotionele consument
hoofdzakelijk gebaseerd?
A) Affectieve waarde en gevoelsmatige beleving
B) Logische berekeningen van het nut
C) Onafhankelijk onderzoek naar productfeiten
D) Vaste zakelijke budgetten en specificaties
Vraag 11: Wat is de laatste stap in de AIDA-formule die een klant doorloopt?
A) Attention
B) Interest
C) Desire
D) Action
Vraag 12: Wanneer ontstaat er een communicatiespiraal in de markt?
A) Als prijzen constant worden verlaagd door concurrentie
B) Wanneer marketeers communicatie intensiveren omdat het effect per uiting afneemt
C) Als consumenten stoppen met het gebruiken van sociale media
D) Zodra producten technisch gezien niet meer verbeterd kunnen worden
Vraag 13: Wat is het gevolg van een distributiespiraal volgens de tekst?
A) Een daling van de productiekosten
B) Een enorme versnippering van verkoopkanalen
C) Een verhoging van het consumentenvertrouwen
D) Het verdwijnen van internetmarketing
Vraag 14: Welk effect beschrijft de term 'economies of scale'?
A) De daling van kosten per eenheid bij zeer grote afzetvolumes
B) De stijging van emotionele kosten bij massaproductie
C) De noodzaak voor meer communicatie bij marktgroei