Hoorcollege 1
Algemene informatie
Men raakt verbonden aan een verbintenis zelf of door de wet: art. 6:1 BW.
Boek 3 gaat over rechtshandelingen, boek 6 over verbintenissen.
Een overeenkomst is een contract: aanbod en aanvaarding. Een verbintenis is de verplichting die daaruit voortvloeit.
Precontractuele fase – kennisclip 1:
Art. 6:2 BW: de schuldeiser en de schuldenaar moeten zich overeenkomstig de redelijkheid en billijkheid jegens elkaar gedragen.
Baris/Riezenkamp: ook al is er nog geen contract, maar je bent al wel aan het onderhandelen dan mag je niet zomaar alles doen. Dat
immers partijen, door in onderhandeling te treden over het sluiten van een overeenkomst tot elkaar komen te staan in een
bijzondere, door de goede trouw beheerde, rechtsverhouding, meebrengende, dat zij hun gedrag moeten laten bepalen door de
gerechtvaardigde belangen van de wederpartij.
Plas/Valburg: de gevolgen van het afbreken van onderhandelingen zijn afhankelijk van het stadium waarin partijen verkeren. 3 fases:
1. Alleen verkennend met elkaar aan het praten onderhandelingen kunnen worden afgebroken zonder gevolgen. Komt door
beginsel van contractsvrijheid.
2. Partijen zijn dichter tot elkaar genaderd, intensieve onderhandelingen en verwachtingen gewekt afbreken is toegestaan,
maar negatief contractsbelang moet worden vergoed. Dit houdt in dat de wederpartij terug naar de financiële situatie moet
worden gebracht, waarin hij zou verkeren als er geen onderhandelingen plaats hadden gevonden. De gemaakte kosten tijdens
de onderhandelingen worden dus vergoed.
3. Partijen zijn heel dicht tot elkaar genaderd en er is bijna een contract gesloten, hierbij is van belang dat de wederpartij erop
mocht vertrouwen dat er een contract tot stand zal komen onderhandelingen mogen niet meer worden afgebroken. De
rechter kan verplichten om verder te onderhandelen of de afbrekende partij moet het positieve contractsbelang vergoeden
(gederfde winst, positie alsof er toch een contract was gesloten).
CBB/JPO: de partijen moeten tijdens het onderhandelen rekening houden met elkaars gerechtvaardigde belangen. Iedere partij is vrij
om de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het
totstandkomen van de overeenkomst of in verband met andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn:
- Duur onderhandelingen;
- Goede reden voor afbraak;
- Mate waarin afbrekende partij aan vertrouwen heeft bijgedragen;
- Het gehele verloop van de onderhandelingen;
- Onvoorziene omstandigheden.
Mn.t. Hartlief: wat is nieuw in dit arrest:
Vrijheid tot het afbreken van onderhandelingen is het belangrijkste;
Het gehele verloop van de onderhandelingen is van belang;
Het afbreken is onaanvaardbaar als er sprake is van totstandkomingsvertrouwen ten aanzien van de overeenkomst;
Ook andere omstandigheden dan het totstandkomingsvertrouwen mogen de afbreking onaanvaardbaar maken.
Stappenplan:
1. De vrijheid om onderhandelingen af te breken staat voorop (CBB/JPO);
2. Soms mag afbreken niet (CBB/JPO);
3. Wat zijn de consequenties van het afbreken (Plas/Valburg en CBB/JPO)?
,Totstandkoming van overeenkomsten
Art. 6:217 lid 1 BW: een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en aanvaarding daarvan.
Bij een online contract is bevestiging van de verkoper nodig (art. 6:227c lid 2 BW). Dit gebeurt vaak door een bevestigingsmail. Ook
bestaat er een bedenktijd van 14 dagen (art. 6:230o), omdat je een goed niet in je hand hebt gehad, dus niet zeker weet wat je koopt.
Art. 3:33 BW: een verklaring die overeenstemt met de wil is een rechtshandeling. Een aanbod of een aanvaarding daarvan wordt
aangemerkt als rechtshandeling.
MAAR, art. 3:35 BW: als een verklaring niet overeenstemt met de wil, kan er toch een rechtshandeling zijn als:
Op grond van een verklaring/gedraging wederpartij;
Het vertrouwen krijgt dat de verklaring overeenstemt met de wil;
Gerechtvaardigd (art. 3:11 BW, onderzoeksplicht);
Soms nog correctie op grond van redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 BW).
Vertegenwoordiging
Wie is een contractspartij, handel jij namens jezelf of iemand anders?
HR: hangt af van hetgene hij en die ander daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en
gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden.
Volmacht
In art. 3:60 BW e.v. is volmacht geregeld, maar 3:78 en 3:79 BW bereiden het gebruik van deze titel uit.
Art. 3:60 lid 1 BW: volmacht is de bevoegdheid om in naam van een ander een rechtshandeling te verrichten.
Art. 3:66 BW: het gevolg hiervan is dat er een rechtshandeling ontstaan tussen de volmachtgever en de wederpartij.
Ontbreken bevoegdheid: art. 3:61 lid 2 BW
Uitgangspunt: art. 3:66 lid 1 BW. Geen bevoegdheid geen overeenkomst. De tussenpersoon en de achterman zijn beide niet
gebonden aan de overeenkomst, want de wil van beide partijen ontbreekt.
Tenzij (1): bekrachtiging door achterman (art. 3:69 BW), verklaren bij de wederpartij dat de overeenkomst toch geldig tot stand is
gekomen.
Tenzij (2): gerechtvaardigd vertrouwen (art. 3:61 lid 2 BW + speciale regeling in art. 3:76 BW). Vereisten:
Rechtshandeling in de naam van achterman;
Maar zonder (toereikende) bevoegdheid;
De derde mocht erop vertrouwen dat er een toereikende volmacht was (gerechtvaardigd vertrouwen);
Veroorzaakt door een toedoen (verklaring/gedraging achterman), of risico (ING/BERA).
Volmachtgever raakt toch verbonden.
, ING/Bera: toerekening schijn van volmacht
Bera Holding houdt rekening bij ING, Berner (Suriname) bevoegd.
Berner laat afschriften sturen naar NL vennootschappen, waarin Ramkalup zeggenschap heeft.
ING verricht in opdracht van Ramkalup betalingen ten laste van Bera Holding aan andere Bera-vennootschappen.
Bera Holding vecht die betalingen aan: onbevoegd gericht.
Mocht ING vertrouwen op volmachtverlening aan Ramkalup?
Hof: nee, geen toedoen, dus onbevoegde betaling.
HR: art. 3:61 lid 2 BW, uitgangspunt:
Toerekening schijn volmachtverlening ook als gerechtvaardigd vertrouwen o.g.v. feiten en omstandigheden die voor risico van
Bera Holding komen en waaruit naar verkeersopvatting schijn van bevoegdheid kan worden afgeleid.
Hierbij is onder meer van belang: Ramkalup was betrokken bij Bera Holding, de afschriften werden op verzoek Bera Holding
naar adres Ramkalup gestuurd, niet eerder geprotesteerd,
Hof was te streng en art. 3:61 lid 2 BW vereist niet alleen een toedoen, maar omstandigheden die voor ‘risico’ van achterman
komen kunnen ook voldoen.
Variatie op art. 3:61 lid 2 BW: art. 3:76 BW
Normaliter: einde volmacht einde vertegenwoordigingsbevoegdheid.
MAAR: volmacht geldt niet als geëindigd jegens derde zolang hij niet wist van de beëindiging, tenzij (art. 3:76 BW):
Einde van volmacht was medegedeeld aan de derde;
Dood van de volmachtgever einde bekendheid was;
Volmacht geëindigd was op voor derden kenbare wijze; of
Het bestaan van de volmacht was alleen door tussenpersoon aan de derde medegedeeld.
In alle andere gevallen waarin derde niet wist van einde volmacht:
Ontbreken bevoegdheid? Art. 3:70 BW
Stel de overeenkomst wordt niet door de wederpartij gerepareerd met behulp van art. 3:61 lid 2 BW of art. 3:69 BW, maar heeft wel
schade geleden door het ontbreken van de bevoegdheid. De wederpartij (derde) kan dan art. 3:70 BW inroepen: de tussenpersoon
‘staat in voor de bevoegdheid’, tenzij…
Let op: art. 3:70 BW leidt niet tot een contractuele band tussen de wederpartij en de tussenpersoon, maar tot een
schadevergoedingsverplichting.
Grondslag? Verbintenis en dus art. 6:74 BW (onbevoegd persoon), en ook art. 6:162 BW (werkgever).
Omvang schade? Wisman/Trijber.