De Geo 3 VWO H6 Natuurkrachten in Nederland
§ 6.1 Dynamiek op de wadden
Getijstromen
► Omvang waddengebied: drie landen (Nederland, Duitsland, Denemarken).
● Dé natuurkracht in het waddengebied: water. De Waddenzee stroomt elke 24 uur twee
keer vol (vloed) en leeg (eb). Dat is het getij.
● De Waddenzee: ondiepe binnenzee. De vloedstroom komt vanuit het westen. Na
ongeveer zes uur gaat er een minder sterke ebstroom de andere kant op: van oost naar
west. Eén keer in de twee weken is het springtij: extra hoogwater.
De Waddenzee
► De Waddenzee bestaat uit verschillende onderdelen.
● Zeegaten (30 tot 40 m diep) en geulen (5 tot 10 m diep) zijn altijd gevuld met water.
Door de snelle stroming in de geulen bezinken zwaardere slibdeeltjes.
● De wadplaten vallen bij eb droog. Stilstaand water bij overgang tussen eb en vloed:
ophoging met lichtere slibdeeltjes. Op de platen stromen prielen. Ze vallen bij eb droog.
◼ Het wantij is de plek ten zuiden van een eiland. Ze liggen op de plek waar
vloedstromen vanuit twee zeegaten samenkomen. Er is weinig stroming, dus veel
bezinking.
Een waddeneiland
► De meeste waddeneilanden liggen evenwijdig aan de kust.
● Op de kop en aan de staart liggen enorme zandbanken. Ze veranderen steeds van plek
door golven, getijstromen en zandaanvoer: dynamiek.
● Langs de hele Noordzeekust van het eiland liggen brede zandstranden met duinen
erachter.
● Op de hogere delen van het strand ontstaan lage duintjes die na verloop van tijd
uitgroeien tot een duinenrij. Dit proces herhaalt zich, waardoor een breed duingebied
ontstaat.
● Aan de waddenkant van het eiland ligt een kwelder: een begroeid stuk land dat direct
aan zee grenst en alleen bij hoge vloed overstroomt. Ze worden opgehoogd door laagjes
slib die het water achterlaat. Een slenk voert het water af naar zee. Kwelders:
beschermde natuurgebieden.
◼ Vroeger: landaanwinningswerken op het vasteland. Slib bezonk in rustig water.
Door indijking schoof de kustlijn telkens zeewaarts op.
§ 6.2 Sporen uit de ijstijd
Het Pleistoceen
► Pleistoceen: 2,6 miljoen jaar geleden. Afwisseling van ijstijden (glacialen) en
perioden met een warmer klimaat (interglacialen).
● Tijdens een ijstijd viel de meeste neerslag als sneeuw. Die werd samengedrukt tot ijs.
Veel water als landijs vastgehouden: de Noordzee viel droog. Ook uitbreiding van
gletsjers in Scandinavië naar het zuiden.
Rivierenland
De Geo, aardrijkskunde voor de onderbouw - Uittreksels 3 vwo – h6 antw © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort 2016
§ 6.1 Dynamiek op de wadden
Getijstromen
► Omvang waddengebied: drie landen (Nederland, Duitsland, Denemarken).
● Dé natuurkracht in het waddengebied: water. De Waddenzee stroomt elke 24 uur twee
keer vol (vloed) en leeg (eb). Dat is het getij.
● De Waddenzee: ondiepe binnenzee. De vloedstroom komt vanuit het westen. Na
ongeveer zes uur gaat er een minder sterke ebstroom de andere kant op: van oost naar
west. Eén keer in de twee weken is het springtij: extra hoogwater.
De Waddenzee
► De Waddenzee bestaat uit verschillende onderdelen.
● Zeegaten (30 tot 40 m diep) en geulen (5 tot 10 m diep) zijn altijd gevuld met water.
Door de snelle stroming in de geulen bezinken zwaardere slibdeeltjes.
● De wadplaten vallen bij eb droog. Stilstaand water bij overgang tussen eb en vloed:
ophoging met lichtere slibdeeltjes. Op de platen stromen prielen. Ze vallen bij eb droog.
◼ Het wantij is de plek ten zuiden van een eiland. Ze liggen op de plek waar
vloedstromen vanuit twee zeegaten samenkomen. Er is weinig stroming, dus veel
bezinking.
Een waddeneiland
► De meeste waddeneilanden liggen evenwijdig aan de kust.
● Op de kop en aan de staart liggen enorme zandbanken. Ze veranderen steeds van plek
door golven, getijstromen en zandaanvoer: dynamiek.
● Langs de hele Noordzeekust van het eiland liggen brede zandstranden met duinen
erachter.
● Op de hogere delen van het strand ontstaan lage duintjes die na verloop van tijd
uitgroeien tot een duinenrij. Dit proces herhaalt zich, waardoor een breed duingebied
ontstaat.
● Aan de waddenkant van het eiland ligt een kwelder: een begroeid stuk land dat direct
aan zee grenst en alleen bij hoge vloed overstroomt. Ze worden opgehoogd door laagjes
slib die het water achterlaat. Een slenk voert het water af naar zee. Kwelders:
beschermde natuurgebieden.
◼ Vroeger: landaanwinningswerken op het vasteland. Slib bezonk in rustig water.
Door indijking schoof de kustlijn telkens zeewaarts op.
§ 6.2 Sporen uit de ijstijd
Het Pleistoceen
► Pleistoceen: 2,6 miljoen jaar geleden. Afwisseling van ijstijden (glacialen) en
perioden met een warmer klimaat (interglacialen).
● Tijdens een ijstijd viel de meeste neerslag als sneeuw. Die werd samengedrukt tot ijs.
Veel water als landijs vastgehouden: de Noordzee viel droog. Ook uitbreiding van
gletsjers in Scandinavië naar het zuiden.
Rivierenland
De Geo, aardrijkskunde voor de onderbouw - Uittreksels 3 vwo – h6 antw © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort 2016